Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:20

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
64165 - HAR 46/13
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek tot vaststelling Nederlandse Nationaliteit. Verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2014 BESCHIKKING NO.

Registratienr. 64165 - HAR 46/13

Uitspraak: 18 februari 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

1. [verzoekster],

wonende in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigde: mr. S.P. Osepa,

belanghebbenden:

2. de Minister van Justitie van Curaçao,

niet verscheen,

3. het Openbaar Ministerie van Curaçao,

vertegenwoordigd door de waarnemend Procureur-Generaal,

4. het Hoofd Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (basisregistratie persoonsgegevens) van Curaçao,

niet verschenen.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Bij op 21 augustus 2013 ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna ook: RwNed), met producties, heeft verzoekster aan het Hof verzocht vast te stellen dat verzoekster met ingang van 16 augustus 1988 de Nederlandse nationaliteit bezit, met veroordeling van ‘gerekwestreerde’ in de kosten van het geding.

1.2.

Op 23 oktober 2013 heeft de waarnemend Procureur-Generaal mr. A.C. van der Schans een conclusie tot afwijzing van het verzoek ingediend.

1.3.

Op 3 december 2013 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verzoekster is verschenen, vergezeld van haar gemachtigde, alsmede de waarnemend Procureur-Generaal. De gemachtigde van verzoekster heeft gepleit aan de hand van een overgelegde pleitnotitie.

1.4.

Ter zitting is een heden uit te spreken beschikking aangezegd.

2 Beoordeling

2.1

Verzoekster is, volgens een geboorteaangifte van [datum] 1971 in de Dominikaanse Republiek door de gehuwde man [x]‘quien es el padre’, op [datum] 1971 geboren in de Dominikaanse Republiek (productie 5 bij inleidend verzoekschrift). De moeder van verzoekster was volgens de geboorteakte ongehuwd, zodat eruit moet worden afgeleid dat verzoekster in de Dominikaanse Republiek is erkend door [x].

2.2

Verzoekster is (als [ ], geboren [datum] 1972), met toestemming van haar moeder, op 16 augustus 1988 in Curaçao opnieuw erkend en wel door [y] (productie 2 bij inleidend verzoekschrift); deze [y] was Nederlander. Artikel 30, eerste lid, van het destijds in Curaçao geldende Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen bepaalde: ‘1. De akte van erkenning van een kind, door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakt, moet, volgens haar dagtekening, in de registers worden ingeschreven, en van die erkenning moet worden melding gemaakt op de kant van de akte van geboorte, zo die aanwezig is’.

2.3

Deze tweede erkenning is nietig, aangezien een kind dat een vader heeft niet kan worden erkend. Volgens de wet bleef verzoekster derhalve [x] als vader houden. Niet is gebleken dat de Dominikaanse erkenning door [x] – welke erkenning naar regels van internationaal privaatrecht hier te lande kan worden erkend – is vernietigd, zo daarvoor al gronden kunnen zijn.

2.4

Aangezien de geboorteakte van verzoekster in de terminologie van artikel 30 BWNA niet ‘aanwezig’ was – deze geboorteakte bevindt zich in de Dominikaanse Republiek – kan niet worden gezegd dat uit de geboorteakte van verzoekster volgt dat [y] haar vader is. Integendeel, de geboorteakte vermeldt de werkelijke vader, [x]. Dat de Curaçaose erkenningsakte is ingeschreven in het geboorteregister van Curaçao maakt het voorgaande niet anders.

2.5

Dat verzoekster na zoveel jaren ‘bezit van staat’ zou hebben als kind van [y], kan haar niet baten. Artikel 1:209 van het Burgerlijk Wetboek luidt: ‘Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.’ Deze bepaling is van toepassing indien de staat volgens de wet niet overeenstemt met de staat volgens de geboorteakte (inclusief kantmeldingen of latere vermeldingen). In dat geval kan uiterlijk ‘bezit van staat’ (de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt naar zijn uiterlijke vorm) ertoe leiden dat de staat volgens de geboorteakte niet meer kan worden betwist (zie HR 5 september 2008, LJN BD2711, NJ 2008, 477 in een Curaçaose nationaliteitszaak); ook een buitenlandse geboorteakte is een ‘geboorteakte’ in de zin van artikel 1:209 BW (HR 9 maart 2012, LJN: BU9884, NJ 2012, 291). In casu echter stemt de staat volgens de wet geheel overeen met de staat volgens de geboorteakte. Zowel volgens de wet als volgens zijn geboorteakte heeft verzoekster [x]. Indien een discrepantie tussen staat volgens de wet en staat volgens de geboorteakte ontbreekt, is voor toepassing van artikel 1:209 BW geen plaats (vgl. HR 21 december 2007, LJN: BB5084, NJ 2008, 321).

2.6

Artikel 14, eerste lid, RwNed is niet van toepassing. Verzoekster heeft nimmer het Nederlanderschap verkregen – de erkenning door [y], waarop verkrijging van het Nederlanderschap in beginsel van rechtswege zou kunnen berusten, is nietig – en aan een intrekking, bedoeld in artikel 14, eerste lid, RwNed, die ingevolge de derde volzin na twaalf jaar niet meer mogelijk zou zijn, wordt derhalve niet toegekomen. Een naturalisatie van verzoekster is niet gebleken.

1.5.

Beroep op het vertrouwensbeginsel kan verzoekster evenmin baten. De wijzen waarop het Nederlanderschap wordt verkregen zijn limitatief voorzien in de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (HR 11 april 1997, NJ 1997, 705). Daaronder is niet begrepen een zodanige verkrijging (of behoud) van het Nederlanderschap door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel (HR 16 september 1994, NJ 1995, 563; HR 19 december 2003, LJN: AL8544, NJ 2009, 338). In de regelgeving is niet voorzien in een verkrijging van het Nederlanderschap op humanitaire gronden.

1.6.

Aan art. 8 van het (Europees) Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden [EVRM] noch aan enige andere bepaling van het EVRM kan het recht worden ontleend op de verkrijging van een bepaalde nationaliteit (HR 1 februari 2008, LJN: BC1847, NJ 2008, 82; HR 25 mei 2012, LJN: BV9435, NJ 2012, 337).

1.7.

Een beroep op het discriminatieverbod (artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten [IVBPR] en artikel 1 van Protocol nr. 12 bij het EVRM), zoals met succes gedaan in HR 26 januari 2007, LJN: AZ1624, NJ 2007, 73 (een Arubaanse nationaliteitszaak), faalt. Verzoekster bevindt zich niet in een relevant vergelijkbare positie ten opzichte van personen die wel onder artikel 14, eerste lid, RwNed vallen. Bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, bedoeld in artikel 14, eerste lid, RwNed is sprake geweest van een tot Nederlanderschap leidende rechtshandeling van de met de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap belaste autoriteiten. De inschrijving van de nietige tweede erkenning in het geboorteregister (zie rov. 2.4) geldt niet als zodanig.

1.8.

Dat aan betrokkene meerdere malen ten onrechte een Nederlands paspoort is afgegeven, maakt dit niet anders. De afgifte van een paspoort kan niet worden aangemerkt als een tot Nederlanderschap leidende rechtshandeling (verg. HR 29 september 1989, NJ 1989, 877).

1.9.

Ook ten opzichte van personen die wel door artikel 1:209 BW worden beschermd is verzoeksters positie een relevant verschillende, aangezien in zijn geval er geen discrepantie is tussen zijn staat volgens de wet en zijn geboorteakte, ook al bevindt deze geboorteakte zich in het buitenland.

1.10.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het Hof ziet geen reden voor een kostenveroordeling.

3 Beslissing

Het Hof wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, J. de Boer en G.C.C. Lewin, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.