Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:19

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
EJ 62563 – H 286/13
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Geschil betreft uitleg van arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2014 BESCHIKKING NO.

Registratienrs. EJ 62563 – H 286/13

Uitspraak: 4 februari 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[werkneemster],

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [Werkneemster],

oorspronkelijk verzoekster, thans appellante,

gemachtigde: mr. O. Saleh-Kostrzewski,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon HET LAND CURAÇAO,

zetelend in Curaçao,

hierna te noemen: het Land,

oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. W.R. Flocker,

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met nummer EJ 62563 van 2013 gegeven en op 15 juli 2013 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2. [

[Werkneemster] heeft in een beroepschrift, met producties, ingekomen op 15 augustus 2013, dus tijdig, hoger beroep ingesteld van voornoemde beschikking. Hierin heeft zij het beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar verzoeken zal toewijzen, met veroordeling van het Land in de kosten van beide instanties.

1.3.

Het Land heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4.

Op 6 november 2013 heeft het Land ter griffie producties ingediend.

1.5.

Op 12 november 2013 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn [Werkneemster], vergezeld van haar gemachtigde, en de gemachtigde van het Land. De gemachtigden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

1.6.

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3 Beoordeling

3.1.

Het hoger beroep van [Werkneemster] beoogt het geschil, met uitzondering van hetgeen het GEA heeft toegewezen, in volle omvang aan het Hof voor te leggen. Volgens [Werkneemster] is zij voor onbepaalde tijd uit hoofde van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij het Land in dienst, welke arbeidsovereenkomst niet is beëindigd. Het Hof begrijpt haar stellingen aldus dat zij zich in de eerste plaats beroept op artikel 7A:1615fa BW en in de tweede plaats op aan haar gedane toezeggingen.

3.2.

Wat betreft de eerste door [Werkneemster] aangevoerde grond heeft het Land bij wijze van verweer beroep gedaan op artikel 7A:1613x BW, luidende:

1. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de arbeidsovereenkomst tussen de rederij en de schipper en op die tussen de schipper en de scheepsofficieren en scheepsgezellen.

2. Zij zijn voorts niet van toepassing ten aanzien van personen in dienst van de overheid, tenware zij, hetzij vóór of bij de aanvang der dienstbetrekking door of namens partijen hetzij bij algemene verordening van toepassing zijn verklaard. Indien zij wel van toepassing zijn verklaard wordt de overheid ten aanzien dier bepalingen als werkgever beschouwd.

3.3.

Dit verweer slaagt. Dat de term ‘arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht’ is gebruikt (en niet, zoals in GEA 5 april 2011, ECLI:NL:OGEAC:2011:BQ4464, een ‘overeenkomst naar burgerlijk recht’) betekent niet zonder meer dat partijen ‘vóór of bij de aanvang der dienstbetrekking’ titel 7A van Boek 7A BW van toepassing hebben verklaard. Anders dan het GEA heeft overwogen, kan een arbeidsovereenkomst geregeerd worden door andere regelingen dan deze BW-titel. Dit blijkt reeds uit het eerste lid van artikel 7A:1613x betreffende de ‘arbeidsovereenkomst’ tussen de rederij en de schipper enz.

3.4.

De inhoud van de specifieke arbeidsovereenkomst zal primair bepalend zijn; zie in het onderhavige geval de landsbesluiten van 8 december 2009, 26 november 2012 en 6 maart 2013 waarin machtigingen werden gegeven tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [Werkneemster] volgens een bijgaand model, met 11 onderscheidenlijk 9 artikelen (producties 5 en 11 bij inleidend verzoekschrift). Denkbaar is voorts dat de overheid algemene regels stelt voor personeel zonder ambtelijke status (zoals hier te lande de Werkliedenverordening 1944 en in Nederland het inmiddels vervallen Arbeidsovereenkomstenbesluit). Voor het overige is het algemene verbintenissen- en overeenkomstenrecht, zoals neergelegd in de Boeken 3 en 6 BW, van toepassing. Een arbeidsovereenkomst met de overheid zal voorts beheerst worden door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Niet is uitgesloten dat bepalingen uit titel 7A van Boek 7A bij analogie worden toegepast, maar een dwingendrechtelijke bepaling als het door [Werkneemster] ingeroepen artikel 7A:1615fa BW komt hiervoor niet in aanmerking.

3.5.

De wilsuiting van partijen, uiterlijk bij de aanvang van de dienstbetrekking, om titel 7A van Boek 7A BW van toepassing te doen zijn, hoeft niet een uitdrukkelijke te zijn. Het bestaan van die wilsuiting mag ook uit handelingen, gedragingen of uitingen van partijen worden afgeleid (HR 8 december 1932, NJ 1933, p. 287). Dergelijke handelingen, gedragingen of uitingen van partijen zijn echter in het onderhavige geval niet komen vast te staan. De modelartikelen die in casu ingevolge de machtigingslandsbesluiten toepasselijk waren wijzen op het tegendeel van toepasselijkheid van titel 7A van Boek 7A BW. Dat op 23 november 2011, 22 juni 2012 en 25 oktober 2012 in interne ambtelijke stukken – ten aanzien waarvan het Land stelt dat de desbetreffende meningen der ambtenaren niet op de wet gebaseerd zijn en dat onbegrijpelijk is hoe zij in het bezit van [Werkneemster] zijn gekomen (pleitaantekeningen mr. Flocker in eerste aanleg, p. 6) – is uitgegaan van de toepasselijkheid van artikel 7A:1615f en 1615fa BW (productie 13 bij inleidend verzoekschrift) doet aan het voorgaande niet af.

3.6.

Ook het beroep door [Werkneemster] op aan haar gedane toezeggingen door superieuren faalt. Zij kon aan deze toezeggingen het vertrouwen ontlenen dat men voor haar zijn best zou doen en wellicht ook dat het wel goed zou aflopen, maar zij kon niet erop vertrouwen dat, zonder dat aan regels omtrent bevoegdheid en formele besluitvorming was voldaan, voor het Land reeds een contractuele gebondenheid ontstond.

3.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt. In het midden kan blijven de gegrondheid van de stelling van het Land dat een landsbesluit tot machtiging ontbreekt ten aanzien van de tijd na 14 mei 2013. Ook kan in het midden blijven of de arbeidsovereenkomst in elk geval geldig is opgezegd per 14 mei 2013, waaraan de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten niet in de weg staat, aangezien deze niet van toepassing is op ‘de arbeidsovereenkomst van werknemers bij een publiekrechtelijk lichaam’ (artikel 2, aanhef en onder a, van die landsverordening).

3.8.

De bestreden beschikking wordt bevestigd. [Werkneemster] dient de kosten van het hoger beroep aan de zijde van het Land gevallen te dragen.

4 Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden beschikking en veroordeelt [Werkneemster] in de kosten van deze procedure in hoger beroep aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op NAF. 3.400,= aan gemachtigdensalaris.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, J.P. de Haan en F.J. Lourens, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2014 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.