Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:18

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
AR 139/2010 ghis 58050-H 287/12
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of [x] door verjaring eigenaar is geworden van perceel. Hof oordeelt van niet. Van oudsher gedoogde de overheid dat gebruikers van overheidsgrond hooguit houders waren voor de overheid. Wanneer men heeft aangevangen als houder dan gaat men onder dezelfde titel voort zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht. [x] heeft zich niet zodanig gedragen dat de overheid daaruit niet anders kon afleiden dat hij pretendeerde eigenaar te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Registratienummer: AR 139/2010 ghis 58050-H 287/12

Uitspraak: 28 februari 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

het land SINT MAARTEN,

zetelend in Sint Maarten,

hierna ook te noemen: het Land,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,

thans appellant,

gemachtigde: mr. J.J. Rogers,

tegen

[x],

wonend in Sint Maarten,

hierna ook te noemen: [x],

oorspronkelijk eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. C.H.J. Merx.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het Hof naar zijn vonnis van 12 april 2013.

1.2

Op 8 november 2013, de daarvoor nader bepaalde dag, is de comparitie van partijen gehouden ter plaatse van het perceel waarop de meetbrief nr. 059/2009 betrekking heeft (Fort Willem, Sint Maarten). Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.3

Op 13 december 2013 hebben partijen een akte (uitlating) genomen, het Land met een op voorhand verstuurde productie. Partijen zijn niet tot een minnelijke regeling gekomen.

1.4

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het Hof gaat uit van de feiten die het GEA in r.o. 2 van het bestreden vonnis heeft vastgesteld.

2.2

Bij het vonnis waarvan beroep heeft het GEA in conventie voor recht verklaard dat [x] het recht van eigendom heeft op de onroerende zaak bekend onder meetbriefnummer 059/2009 gelegen te Fort Willem, Sint Maarten (hierna ook: het perceel). Daartoe heeft het GEA overwogen dat de door [x] gestelde feiten het beroep op verkrijgende verjaring van het perceel rechtvaardigen, nu daaruit volgt dat [x] vanaf 1980 het openbare, ongestoorde en ondubbelzinnige bezit van het perceel heeft en dat hij zich heeft gedragen alsof hij eigenaar van het perceel is door het huis vanaf 1982 te verhuren. Op grond van artikel 3:306 BW juncto artikel 3:105 BW heeft [x], vóór 28 oktober 2009, de eigendom van het perceel verkregen (r.o. 4.5). Het overige in conventie gevorderde en het door het Land in reconventie gevorderde heeft het GEA afgewezen. In hoger beroep beoogt het Land door middel van twee grieven het geschil in volle omvang aan het oordeel van het Hof voor te leggen.

in conventie

2.3

Het gaat in deze zaak om de vraag of [x] door verjaring eigenaar is geworden van het perceel. De vraag naar de verkrijging van overheidsgrond door verjaring was ook aan de orde in de zaak Courtar/Sint Eustatius die heeft geleid tot GHvJ 29 augustus 2008 en 6 maart 2009, AR 3/06-H 332/07. Het cassatieberoep tegen deze vonnissen is verworpen bij arrest van de Hoge Raad van 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2422. In een Curaçaose zaak heeft het Hof vastgehouden aan zijn oordelen in het vonnis van 29 augustus 2008; zie GHvJ 13 augustus 2013, ECLI:NL:OGHACMB:2013:19 (Land Curaçao/Obersi). Ook in de onderhavige zaak houdt het Hof daaraan vast.

2.4

Vast staat dat het land de Nederlandse Antillen en vervolgens het Eilandgebied – sinds 10 oktober 2010 opgevolgd door het Land – te eniger tijd eigenaar waren van het perceel en dat [x] zich niet kan beroepen op verkrijging nadien onder bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers vereist is. [x] zal daarom feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen waarop zijn verkrijging door verjaring berust (artikel 3:119 lid 2 BW). Daarmee ligt ook het risico dat die feiten onbewezen blijven bij [x].

2.5

Voorts staat vast dat het door [x] gestelde bezit niet te goeder trouw is. Naar huidig recht staat dit niet aan verkrijgende verjaring in de weg. [x] zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de verjaring van de rechtsvordering van (thans) het Land strekkende tot beëindiging van het bezit is voltooid en dat hij op het moment van voltooiing het perceel bezat (artikel 3:105 lid 1 BW). Een rechtsvordering tot beëindiging van bezit verjaart twintig jaren na de dag waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 jo. artikel 3:306 BW).

2.6

Voor het oordeel dat [x] bezitter van het perceel is geworden, is vereist dat [x] zich zodanig heeft gedragen dat het Land (of zijn rechtsvoorganger) daaruit niet anders kon afleiden dan dat hij pretendeerde eigenaar te zijn. Of iemand bezitter is geworden, moet naar verkeersopvatting worden beoordeeld, onder meer op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). De gesteldheid en de (in het verleden geringe) waarde van de zaak mogen mede een rol spelen (HR 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4605, NJ 1984, 294, r.o. 5.5, in de Sint Maartense zaak Tridon e.a./Island GEM Enterprises).

2.7

Het perceel beslaat 657 vierkante meter. Het perceel maakte in het verleden deel uit van een groter perceel waarop watertanks (van water- en electriciteitsbedrijf GEBE) stonden. In de meetbrief wordt het perceel aangemerkt als een ‘building site’ (productie 1 bij inleidend verzoekschrift). Op de bij de meetbrief behorende tekening is in een hoek van het (geel gekleurde) perceel een vierkantje getekend; naar het Land onweersproken heeft gesteld en zoals ook blijkt uit de foto’s bij het proces-verbaal van de comparitie te plaatse is daarmee de woning gemarkeerd die [x] stelt te hebben gebouwd.

2.8

Het is een feit van algemene bekendheid dat in de Nederlandse Antillen op grote schaal, in elk geval in het verleden, overheidsgronden als de onderhavige door burgers voor verschillende doeleinden in gebruik werden genomen. De gedachte was dat het ging om gemeenschapsgrond en dat het de leden van die gemeenschap vrijstond daarvan gebruik te maken. De overheid gedoogde zulks (anders dan een particuliere grondbezitter zou doen), althans zolang de overheid de grond niet zelf nodig had. Het voorgaande gold ook op het kleinschalige Sint Maarten waar men – in het verleden meer dan tegenwoordig – elkaar doorgaans kende en op elkaar was aangewezen.

2.9

De gebruikers van overheidsgronden als de onderhavige waren, naar verkeersopvatting, hooguit – bij uitoefening van voldoende macht – houders voor de overheid, ook als zij geen vergoeding betaalden en hun gebruik een min of meer exclusief karakter had gekregen. Het vermoeden van artikel 3:109 BW geldt in zo’n geval als weerlegd.

2.10

Wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor de eigenaar te gaan houden, gaat men daarmee onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van de eigenaar, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (artikel 3:111 BW).

2.11 [

x] heeft gesteld een huis op het perceel te hebben gebouwd, dat sinds 1982 te hebben verhuurd, en het perceel te hebben omheind. Verder heeft hij gesteld op eigen naam een adres te hebben aangevraagd en verkregen van het Bevolkingsregister en ook een water- en elektriciteitsaansluiting van GEBE.

2.12

Naar het oordeel van het Hof zijn deze stellingen onvoldoende om bezit te kunnen aannemen. De gestelde feiten, aangenomen dat zij juist zijn, zijn niet onverenigbaar met een houden voor de overheid (aanvankelijk het land de Nederlandse Antillen, vervolgens het Eilandgebied Sint Maarten en thans het Land) als eigenaar, ook al had het gebruik van het perceel door [x] een min of meer exclusief karakter gekregen. De feiten leveren naar verkeersopvatting geen initieel bezit en evenmin een ‘tegenspraak’ als bedoeld in artikel 3:111 BW op. [x] heeft zich niet zodanig gedragen dat de overheid daaruit niet anders kon afleiden dan dat hij pretendeerde eigenaar te zijn.

2.13

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep doel treft. De vordering in conventie zal, na vernietiging van het bestreden vonnis, worden afgewezen.

in reconventie

2.14

In reconventie vordert het Land i) te verklaren voor recht dat het Land integraal eigenaar is van het perceel kadastraal bekend onder meetbriefnummer 59/2009, ii) te verklaren voor recht dat [x] een gedeelte van dit perceel onrechtmatig in gebruik heeft, althans een ander onrechtmatig in voornoemd gebruik laat, iii) [x] te veroordelen binnen een maand, althans een in goede justitie te bepalen termijn, dit perceel te ontruimen met al datgene wat zich daarop bevindt en met al diegene en datgene die/dat zich daarin bevindt op straffe van een dwangsom ten bedrage van US$ 1.000,-- per dag en met een machtiging van het Land om deze veroordeling op kosten van [x] zo nodig met behulp van de sterke arm van de politie en justitie te realiseren, en iv) [x] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.15

Uit hetgeen ten aanzien van de vordering in conventie is overwogen, volgt dat de in r.o. 2.14 onder i) weergegeven reconventionele vordering toewijsbaar is. De daarmee samenhangende onder iii) weergegeven vordering zal op grond van het bepaalde in artikel 5:2 BW worden toegewezen. Het Hof acht een termijn van zes maanden voor de ontruiming in de gegeven omstandigheden billijk. Daarbij neemt het Hof mede in aanmerking dat ter comparitie is gebleken dat met betrekking tot het perceel bouwplannen bestaan. De dwangsom zal op de hierna te vermelden wijze worden gemaximeerd. De onder ii) weergegeven vordering zal worden afgewezen omdat de omstandigheid dat [x] zonder (uitdrukkelijke) toestemming van het Land gebruik maakt van het perceel, niet zonder meer ertoe leidt dat dat gebruik jegens het Land onrechtmatig is, mede gelet op het feit dat [x] gedurende ongeveer dertig jaar het perceel voor het Land heeft gehouden en het Land het gebruik al die jaren klaarblijkelijk heeft gedoogd.

in conventie en in reconventie

2.16

Het voorgaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. [x] zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties gevallen aan de zijde van het Land.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het GEA van 1 november 2011 en doet opnieuw recht, als volgt;

in conventie

wijst het door [x] gevorderde af;

in reconventie

verklaart voor recht dat het Land eigenaar is van het perceel kadastraal bekend onder meetbriefnummer 59/2009;

veroordeelt [x] binnen zes maanden na heden het perceel kadastraal bekend onder meetbriefnummer 59/2009 te ontruimen met al datgene wat zich daarop bevindt en met al diegene en datgene die/dat zich daarin bevindt;

veroordeelt [x] voor het geval hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet tot betaling aan het Land van een dwangsom van US$ 1.000,-- voor iedere dag dat het niet voldoen aan de hoofdveroordeling voortduurt, tot een maximum van US$ 25.000,--;

machtigt het Land om deze veroordeling op kosten van [x] zo nodig met behulp van de sterke arm van de politie en justitie te realiseren;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in conventie en in reconventie

veroordeelt [x] in de kosten aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op:

  • -

    in eerste aanleg: NAF. 1.800,-- aan salaris voor de gemachtigde;

  • -

    in hoger beroep: NAF. 282,50 aan betekeningkosten akte van hoger beroep en memorie van grieven, NAF. 900,-- aan griffierecht en NAF. 5.400,-- aan salaris voor de gemachtigde,

vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.J. van Kooten en S. Verheijen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 28 februari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.