Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:124

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
EJ 66318 - H 79/14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

cessantia matiging. Kennelijk onredelijk ontslag; ontvankelijkheid. artikel 270 lid 5 Rv; eenzijdige wijziging pensioen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2019-0091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2014 Beschikking no.:

Registratienummer: EJ 66318 - H 79/14

Datum beschikking: 21 oktober 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BESCHIKKING

[APPELLANTE],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk verzoekster, thans appellante,

gemachtigde: mr. I.U.C. Narain en mr. W. Flocker,

tegen

de naamloze vennootschap ORANGEFIELD (CARIBBEAN) N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A. Bach Kolling en A.M.D. Parie-van Dam.

Partijen zullen hierna “[appellante]” en “Orangefield” worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA), wordt verwezen naar de beschikking van 4 maart 2014.

1.2 [

[appellante] is bij beroepschrift met producties, gedagtekend 15 april 2014 en volgens de stempel van de griffie van het GEA ingediend op 24 april 2014, in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 4 maart 2014. Daarin heeft [appellante] de gronden van het hoger beroep aangevoerd en toegelicht. In het gedingstuk, getiteld “Aanvulling van de gronden tevens wijziging van eis”, met producties, ingekomen op 2 september 2014 heeft [appellante] de gronden van haar hoger beroep aangevuld en haar eis gewijzigd. Haar conclusie strekt er toe dat het Hof de beschikking waarvan beroep op de beroepen punten zal vernietigen en opnieuw rechtdoende Orangefield zal veroordelen tot betaling van een cessantia-uitkering, berekend op NAf 112.444,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontslag, met veroordeling van Orangefield in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, waaronder de kosten van het gemachtigdensalaris in beide instanties.

1.3

Op 1 september 2014 heeft Orangefield een memorie van antwoord teven houdende incidenteel appel ingediend, waarin zij de gronden van het hoger beroep van [appellante] heeft bestreden. Voorts heeft Orangefield voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld met toelichting van de gronden hiervoor. Haar conclusie in het principaal beroep strekt ertoe dat het Hof [appellante], zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans de vordering zal afwijzen en in het voorwaardelijk incidenteel appel het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de schadevergoeding die is toegekend aan [appellante] zal matigen tot het, voor pensioenvolstorting benodigde bedrag, althans een in goede justitie te bepalen vergoeding met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties, waaronder het gemachtigdensalaris.

1.4

Op 21 september 2014 heeft de mondelinge behandeling plaats gevonden. Verschenen is [appellante], bijgestaan door haar gemachtigden. Namens Orangefield is verschenen mevrouw [naam 1], vergezeld van de gemachtigden. De gemachtigden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.5

Beschikking is bepaald op heden.

2 De ontvankelijkheid

2.1

In het dossier bevinden zich de volgende stukken:

  1. Het door de gemachtigde ondertekende beroepschrift, gedagtekend 15 april 2014, waarop staat gestempeld dat het beroepschrift op 24 april 2014 is ingediend en het griffierecht op gelijke datum is betaald.

  2. De als productie 1 bij het beroepschrift gevoegde brief van het GEA van 15 april 2014. Hierin staat:

Betreft: uw hoger beroepschrift

(…)

Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw beroepschrift.

Het beroepschrift is niet volledig. Ter aanvulling daarvan verzoek ik u het volgende te doen en/of de hieronder aangegeven bijlage(n) toe te voegen.

(..)

o (Hof: handgeschreven aangekruist) U dient een uittreksel van de appellant, de ex-partner en de kinderen in tweevoud in te dienen.

(..)

o (idem) U dient de beschikking waartegen het beroep is gericht te overleggen.

(..)

o (idem) In geval van een arbeidszaak en appellant is werknemer dient u een uittreksel van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel over te leggen.

(..)

Een e-mail van 5 september 2014, 9.38 uur van de gemachtigde van [appellante] aan het Hof met kopie aan de gemachtigde van Orangefield, met bijlagen, waarin staat:

(..) Op 15 april 2014 bevestigde de Manager Front Office ontvangst van de beroepschriften. Daar nog enkele stukken ontbraken kreeg ondergetekende nog 14 dagen om de ontbrekende stukken samen met de beroepschriften alsnog in te dienen (bijgevoegd). Deze brief is tevens te vinden in productie 1 bij het beroepsschrift. (..) Ik voeg bij een scan van de cheque waarmee het griffierecht werd betaald, gedateerd 15 april 2014, gestempeld voor ontvangst op 24 april 2014. Op 15 april 2014 werd de indiener ter griffie in kennis gesteld dat de cheque voor het griffierecht samen [met] de ontbrekende stukken zou worden geaccepteerd. Het nummer op de cheque (000308) komt overeen met het nummer op de kwitanties van het griffierecht d.d. 24 april 2014, tevens bijgevoegd.(..)

Bijlagen:

- Kopie van een cheque (000308) van de Girobank ten laste van het kantoor van de gemachtigde van [appellante] voor een bedrag NAf 2.700,= ten gunste van het GEA, met daarop handgeschreven de datum 15 april 2014.

- Kopie van drie kwitanties à NAf 900,= gedagtekend 24 april 2014, waarop staat: wegens HOGER BEROEP ARBEIDSZAAK van. [naam 2] en [appellante] met vermelding van Cheque Nr. 000308.

Een griffiersverklaring, gedagtekend 8 september 2014, waarin de griffier van het GEA verklaart dat op 15 april 2014 hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis d.d. 4 maart 2014 uitgesproken in de zaak van [appellante], [naam 3] als appellante en Orangefield (Caribbean) N.V. als geïntimeerde.

Een e-mail van de gemachtigde van Orangefield van 9 september 2014, 15.04 uur aan het Hof met kopie aan de gemachtigde van [appellante], waarin staat:

(..) Na op ons verzoek ter plekke het algemeen register te hebben geraadpleegd hebben medewerkers van de griffie ons bericht dat uit het algemeen register blijkt dat het hoger beroep is aangetekend op 24 april 2014. Voorts heeft een medewerker van de griffie ons medegedeeld dat de vanochtend afgegeven griffiersverklaring met datum 15 april 2014 kennelijk niet juist is. Ons is verzekerd dat er meteen ter plekke een gewijzigde griffiersverklaring opgemaakt zou worden met als datum van aantekening van hoger beroep 24 april 2014 zodra wij de originele griffiersverklaring d.d. 9 september 2014 zouden teruggeven. Nadat wij echter enkele minuten later deze originele griffiersverklaring aan de medewerker hadden overhandigd, heeft de medewerker van de griffie (mevrouw [naam 4]) telefonisch contact opgenomen met de zaaksgriffier die vanochtend de griffiersverklaring heeft opgemaakt. Na dit overleg werd ons vervolgens door mevrouw [naam 4] medegedeeld dat zij de griffiersverklaring bij nader inzien niet zou aanpassen omdat volgens de zaaksgriffier uit het dossier zou blijken dat op 15 april 2014 hoger beroep zou zijn ingesteld. (..)

2.2

Inzage in het Algemeen Register op 18 september 2014 leert dat 24 april 2014 aanvankelijk staat aangetekend als dagtekening van ontvangst van het beroepschrift, maar die aantekening is doorgestreept en vervangen door de datum van 15 april 2014.

2.3

Gelet op het bepaalde in artikel 429o lid 1 Rv in verbinding met artikel 270 lid 1 Rv is het Hof van oordeel dat het hoger beroep tijdig, dat wil zeggen op 15 april 2014, is ingesteld. Het beroepschrift is, zo stelt het Hof op basis van bovenstaande stukken vast, gelijktijdig met de cheque van 15 april 2014 aangeboden aan de griffie, maar door de griffie op die datum kennelijk niet als “ingediend ter griffie van het GEA” afgestempeld, omdat volgens de griffie er nog stukken (zie rov. 2.1 sub a) moesten worden aangevuld. Dit zijn geen stukken, die door de wet voor het instellen van hoger beroep worden vereist. Navraag bij de griffie leert dat door de indiening van de aanvullende stukken op 24 april 2014 het beroepschrift op die datum is gestempeld als “ingediend”. Hoewel de brief van 15 april 2014 (zie rov. 2.1 sub b) geen zaaknummer vermeldt, zijn er overigens voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat deze ontvangstbevestiging betrekking heeft op het onderhavige beroep. Deze aanwijzingen zijn, behalve de datering van het beroepschrift, de datum van de handgeschreven cheque (15 april 2014) van het kantoor van de gemachtigden van [appellante] en de bijbehorende kwitantie, waarop de naam van [appellante] staat vermeld en het zaaknummer (66318) van de beschikking waartegen het beroep is gericht.

2.4

Het Hof verstaat dat de griffiersverklaring van 8 september 2014 is opgesteld om geen misverstand te laten bestaan over de datum waarop het hoger beroep is ingesteld. De griffier van het GEA is ingevolge artikel 270 lid 3 belast met het aantekening houden van de dagtekening waarop de verklaring van hoger beroep is afgelegd of ontvangen. De griffier is daarom bevoegd om in een voorkomend geval in het Algemeen Register een correctie aan te brengen, zoals kennelijk in dit geval is gebeurd.

2.5

Voor wat betreft de betaling van het griffierecht staat vast dat deze betaling door middel van de cheque van 15 april 2014 aan de griffie van het GEA is aangeboden. Navraag bij de griffie leert dat de datum van afgifte van de kwitantie (24 april 2014) verband houdt met de indiening van de aanvullende stukken op 24 april 2014; de betaling van het griffierecht pleegt te worden geboekt als alle stukken compleet zijn. Onder deze omstandigheden bestaat er naar het oordeel van het Hof geen grond om te concluderen tot verval van het hoger beroep ingevolge artikel 270 lid 5 Rv.

2.6

De slotsom is dat [appellante] tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep is gekomen van de bestreden beschikking, zodat zij daarin kan worden ontvangen. Ditzelfde geldt voor het voorwaardelijk incidenteel appel van Orangefield.

3 De beoordeling

In principaal en incidenteel appel

3.1

Het Hof gaat uit van de volgende als rechtens vaststaand aan te merken feiten:

- [ appellante], geboren op 17 februari 1952, is op 1 januari 1981 bij de (rechtsvoorgangsters van) Orangefield in dienst getreden.

- In verband met de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen heeft Orangefield in januari 2013 aan [appellante] een vervroegde pensioenregeling aangeboden, die er op neerkomt dat [appellante] vanaf de ontslagdatum NAf 4.749,50 netto per maand ontvangt tot de pensioendatum (17 februari 2014) en daarna NAf 4.883,58 netto per maand (in plaats van NAf 4.945,25 als zij met haar 62e met pensioen zou zijn gegaan). Daartoe heeft Orangefield de pensioenregeling van [appellante] gewijzigd.

- Naast de vervroegde pensioenregeling heeft Orangfield bij brief van 31 januari 2013 een voorstel gedaan in het kader van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, inhoudende samengevat, een bruto gratificatie van NAf 5.000,--, 50% vergoeding van de ziektekostenbijdrage voor het restant van 2013 en betaling van het werkgeversdeel van de ziektekostenbijdrage in 2014.

- [ appellante] heeft het aanbod van Orangefield afgewezen.

- Orangefield heeft op 8 augustus 2013 de arbeidsovereenkomst met toestemming van de Sector Arbeid van het ministerie van S.O.A.W. om bedrijfseconomische redenen opgezegd tegen 12 september 2013.

- Orangefield heeft aan [appellante] een eenmalige vergoeding van NAf 5.000,-- uitgekeerd.

- [ appellante] heeft het vervroegd pensioen na de ontslagdatum niet opgenomen.

- Orangefield heeft aan [appellante] geen cessantia-uitkering betaald.

3.2

Bij de bestreden beschikking heeft het GEA voor recht verklaard dat het aan [appellante] verleende ontslag kennelijk onredelijk is, Orangefield veroordeeld om aan [appellante] een schadevergoeding te betalen van NAf 15.0000,-- en de gevorderde betaling van de cessantia van NAf 112.444,-- afgewezen, alsook de volstorting van het pensioen, alsof [appellante] tot de pensioendatum zou hebben gewerkt, de betaling van de ziektekostenpremie tussen ontslagdatum en pensioendatum en een vergoeding van de kosten van de fiscaal adviseur. Het principaal beroep richt zich tegen de afwijzing van de cessantia-uitkering. Voor het geval dit beroep slaagt, is het incidenteel beroep gericht tegen de toewijzing van de schadevergoeding van kennelijk onredelijk ontslag.

In principaal appel

3.3

Ingevolge artikel 3 lid 4 Cessantia-landsverordening van 19 juli 1983 kan de werknemer geen aanspraak maken op de in het eerste lid van dat artikel bedoelde uitkering, indien hij bij het einde van zijn dienstbetrekking in het genot van een uitkering bij wijze van pensioen of ouderdomsverzorging is gesteld. In de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 1991, NJ 1991, 325, MCB v. [naam 5], heeft de Hoge Raad dienaangaande het volgende overwogen:

Bij de beantwoording van de vraag of de werknemer 'in het genot van een pensioen wordt gesteld' (in de zin van lid 4 van art. 3 Cessantia-landsverordening) mag verhoging van het pensioen waarop hij ingevolge zijn arbeidsvoorwaarden recht heeft, door een daartoe strekkende (in de arbeidsvoorwaarden niet voorziene en nader geregelde) toezegging van de werkgever slechts dan mede in aanmerking worden genomen indien deze toezegging leidt tot een rechtens afdwingbare verbintenis tot het uitkeren van de verhoging, waarvan slechts sprake is indien de toezegging door de werknemer (uitdrukkelijk of stilzwijgend) is aanvaard. Zodanige verhoging moet de werkgever de werknemer immers niet tegen diens wil kunnen opdringen, zulks te minder nu zij tot verlies van diens aanspraak op de cessantia-uitkering kan leiden.

3.4

Niet in geschil is dat sprake is van een door Orangefield ingevoerde wijziging van het pensioenreglement, zonder instemming van [appellante]. Orangefield heeft gesteld daartoe eenzijdig bevoegd te zijn met een beroep op artikel 16 aanhef en onder b van het toepasselijk Pensioenreglement. Hierdoor is, zo begrijpt het Hof de stelling van Orangefield, sprake van een in de arbeidsvoorwaarden “voorziene en nader geregelde” wijziging van de pensioenregeling, zodat daarvoor anders dan in het geval in MCB v. [naam 5] de instemming van [appellante] niet is vereist. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.5

Artikel 16 luidt als volgt:

1. De werkgever behoudt zich het recht voor de pensioenregeling te verlagen, te beperken of te beëindigen, indien:

a. De oudedags-, weduwen-, weduwnaars- en/of wezenuitkering van overheidswege zodanig ingrijpend worden gewijzigd, dat een herziening of beëindiging van de pensioenregeling, gezien de opzet daarvan noodzakelijk is;

b. Onze financiële positie de uitgaven terzake van de pesnioenregeling niet meer toelaat.

2. Indien wij voornemens zijn van dit recht gebruik te maken zullen wij de deelnemers hiervan onverwijld in kennis stellen en met hen overleg plegen inzake de eventuele herziening van pensioenregeling. Het deel van de pensioenen, gevormd door reeds gestorte bedragen, zal niet worden aangetast.

Nu het Pensioenreglement een collectieve toepassing beoogt zal voor de uitleg van bovenstaand artikel moeten worden aangeknoopt bij de rechtspraak over de wijze van uitleg van cao-bepalingen. Daaruit volgt als uitgangspunt dat in beginsel de bewoordingen van het artikel, gelezen in het licht van de gehele tekst van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt niet aan op de bedoelingen van de partijen, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin het artikel is gesteld.

3.6

Uitgaande van bovenstaande maatstaf volgt het Hof de redenering van Orangefield niet, nu het eenzijdig wijzigingsvoorbehoud van artikel 16, gelet op de inhoud en de strekking daarvan niet ziet op het onderhavige, op het individu toegesneden wijziging van de pensioenregeling, maar op een wijziging die voor alle deelnemers geldt. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat voorafgaand enig overleg heeft plaats gevonden, zoals geregeld in het tweede lid. De wijziging van de pensioenregeling van [appellante] kan er daarom niet toe leiden dat zij haar aanspraak op de cessantia-uitkering verliest. Organgefield heeft ook matiging c.q. vermindering van de cessantia-uitkering verzocht in verband met de aan [appellante] toegekende schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Nu het principaal appel slaagt gaat aan dit verzoek vooraf de beoordeling van het incidenteel appel van Orangefield.

In voorwaardelijk incidenteel appel

3.8

Het incidenteel appel heeft primair tot doel de afwijzing van de schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag aangezien [appellante] reeds een aanzienlijke cessantia-uitkering krijgt uitgekeerd. Anders dan Orangefield lijkt te betogen, heeft in algemeenheid niet als regel te gelden dat ingeval van uitkering van cessantia het ontslag niet ook kennelijk onredelijk kan zijn. De cessantia-uitkering is een van de omstandigheden die in het kader van de toetsing van de gestelde kennelijke onredelijkheid wordt meegewogen. Volgens [appellante] vloeit de kennelijke onredelijkheid voort uit de behandeling die zij ondervond bij het ontslag. Orangefield heeft niets ondernomen om [appellante] aan ander werk te helpen, en zo te zorgen dat zij een andere bron van inkomsten had. Door het ontslag lijdt [appellante] zowel inkomensschade als pensioenschade. Cessantia en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag hebben verschillende rechtsgronden. Een en ander aldus [appellante].

3.9

Bij de onderbouwing van het bovenstaande gaat [appellante] verder in op de minnelijke regeling die Orangefield heeft aangeboden. Deze minnelijke regeling, die voorziet in verschillende elementen van vergoeding van inkomensschade in het kader van het vervroegde pensioen, ondergraaft de stelling dat Orangefield niets zou hebben gedaan om [appellante] in de gevolgen in het ontslag tegemoet te komen. Voorts heeft [appellante], op wie de stelplicht rust, nagelaten nader toe te lichten de omstandigheden, die, in aanmerking genomen de uitkering van de cessantia van NAf 112.444,--, met als doel het garanderen van een zeker inkomen tijdens een overbruggingsperiode van werkloosheid, het ontslag van [appellante] kennelijk onredelijk maken. De vordering van [appellante] tot schadevergoeding op die grond strandt hierop.

3.10

Resteert de vraag of matiging van de cessantia-uitkering dient plaats te vinden, zoals door Orangefield verzocht. Het Hof heeft omtrent de matigingsbevoegdheid van de cessantia-uitkering in de zaak Doppia v. Aerocargo het volgende overwogen:

2.2.

De cessantia-uitkering moet dienen om de inkomstenderving die het gevolg is van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdelijk te compenseren. Blijkt de inkomstenderving zich niet of in beperkte mate voor te doen, dan kan dat grond zijn tot matiging. De uitkering zou bovenmatig kunnen zijn in zoverre als de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de werknemer meer financiële baat brengt dan de voortzetting, zonder dat daarvoor enige rechtvaardiging is gebleken.

2.3

Omdat de cessantia-uitkering een loonvervangend karakter heeft is de analogie waarop de eerste rechter zijn matigingsbevoegdheid gebaseerd heeft gerechtvaardigd. Met name staan de beschermende regels waarmee de wetgever de uitkering omgeven heeft daaraan – anders dan C. heeft aangevoerd – niet in de weg, want vergelijkbare regels gelden voor die loonaanspraak: ook dit is gedeeltelijk onvatbaar voor vervreemding, inpandgeving en beslag, heeft een hoge preferentie en kan in vergelijkbare situatie van opzeggingstermijn niet worden bekort.

2.4

Niet behoeft aan de orde te komen of de eerste rechter terecht een verzoek om matiging in de stellingen van Aerocargo heeft gelezen, want die bedoelde matiging kan ook ambtshalve worden toegepast.

2.5

In dit geval komt volledige toekenning aan de cessantia-uitkering bovenmatig voor, nu geen omstandigheden aan de kant van C. zijn gesteld of gebleken, die rechtvaardigen dat zij meer ontvangt dan zij gedurende haar gehele werkloosheid bij Aerocargo was blijven werken; temeer nu zij niets concreets en verifieerbaars heeft gesteld over de condities waartegen zij bij haar nieuwe werkgever in getreden is.

2.6

Voorts rechtvaardigt het feit, dat thans kan worden vastgesteld dat de ontbindingsuitkering C. beduidend meer heeft verschaft dan het salaris dat zij zou hebben verdiend als zij bij Aerocargo was blijven werken, een matiging tot nihil, zoals de eerste rechter heeft toegepast.

2.7

Ten overvloede merkt het Hof op, dat een beslissing over de cessantia-uitkering niet kan worden gevorderd en genomen in het kader van de ontbindingsprocedure, aangezien nergens uit blijkt dat de daarop gerichte vordering anders dan via de gebruikelijke procedure van artikel 110 RvNA kan worden ingesteld.

(Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba van 28 november 1995, nr. 448/95(I.F. Moll, De Cessantia belicht, 1996, p. 39-40)

Gelet op het voorgaande ziet het Hof in het onderhavige geval aanleiding om de cessantia-uitkering te matigen. [appellante] heeft niet betwist dat zij een bedrag van NAf 50.230,-- aan loon zou hebben ontvangen als zij in dienst was gebleven tot haar pensioendatum. Onbetwist heeft [appellante] gesteld dat de berekening van de cessantia-uitkering uitkomt op een bedrag van NAf 112.444,-- . Uitkering van dit bedrag zou [appellante] derhalve meer financiële baat brengen dan indien zij tot haar pensioendatum bij Orangefield was blijven werken. Het Hof acht dit gevolg onaanvaardbaar en zal daarom de cessantia-uitkering matigen tot een bedrag van NAf 55.000,--, verminderd met het door Orangefield reeds betaalde bedrag van NAf 5.000,--.

In principaal appel

3.11

Orangefield heeft de verzochte wettelijke rente over de cessantia-uitkering met ingang van de ontslagdatum niet betwist, zodat dit deel van het verzochte ook toewijsbaar is.

Slotsom

In principaal en voorwaardelijk incidenteel appel

3.12

Uit het voorgaande vloeit voort dat het principaal appel slaagt en het voorwaardelijk incidenteel appel grotendeels slaagt. De gegrondheid van beide appellen leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking. Opnieuw rechtdoende zal het Hof beslissen als na te melden. Orangefield zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel worden veroordeeld. Als de in het incidenteel appel in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] in de kosten van dat appel worden veroordeeld.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

In principaal appel en in voorwaardelijk incidenteel appel

  • -

    vernietigt de beschikking van het GEA van 4 maart 2014, en opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt Orangefield tot betaling aan [appellante] van een cessantia-uitkering, berekend op NAf 50.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2013;

  • -

    wijst het meer of anders verzochte af;

In principaal appel

- veroordeelt Orangefield in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van [appellante] gevallen en begroot op NAf 10.000,-- (tarief 8 x 2) aan salaris van de gemachtigde van [appellante];

In voorwaardelijk incidenteel appel

  • -

    veroordeelt [appellante] in de kosten van het incidenteel appel aan de zijde van Orangefield, gevallen en begroot op NAf 5.000,-- (de helft van tarief 8) x 2) aan salaris van de gemachtigde van Orangefield;

  • -

    verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, F.J. Lourens en M. Schoemaker, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 21 oktober 2014.