Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:119

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
HLAR 64027/13
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang bij ten onrechte niet uitgesproken pkv. Toepassing artikel 52, tweede lid, Lar AUA slechts bij vernietiging beschikking. Geen exclusieve regeling van pkv.

Afwijzing van een verzoek om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand.

De in artikel 52, tweede lid, van de Lar AUA aan de rechter toegekende bevoegdheid ziet naar zijn aard slechts op gevallen, waarin het beroep tot vernietiging van de bestreden beschikking heeft geleid. In artikel 52, tweede lid, van de Lar AUA is dan ook geen exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling neergelegd, in het geval het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar, na het geven van een beschikking op dat bezwaar, niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Nu het Gerecht niet aan een inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift is toegekomen, heeft het Hof artikel 53d, tweede lid, van de Lar AUA van overeenkomstige toepassing geacht en daarom het beroepschrift naar het Gerecht terugverwezen, om de behandeling van de zaak ter hervatten in de stand waarin deze zich bevond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 64027/13

Datum uitspraak: 23 mei 2014

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant], wonend in Aruba,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 24 april 2013 in zaak nr. Lar nr. 2531 van 2012 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij brief van 30 november 2011 heeft appellant de minister verzocht om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand.

Bij beslissing van 26 januari 2012 heeft de minister dat verzoek afgewezen.

Bij beschikking van 11 juli 2012 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.

Bij uitspraak van 24 april 2013 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014.

Overwegingen

  1. Bij beschikking van 8 oktober 2008 heeft de minister geweigerd appellant een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.
    Daartegen heeft appellant bij brief van 19 november 2008 bezwaar gemaakt.
    Tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar heeft appellant bij brief van 28 april 2009 beroep ingesteld.
    Bij uitspraak van 16 september 2009 in zaak nr. Lar nr. 1215 van 2009 heeft het Gerecht dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
    Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.

  2. Het Gerecht heeft overwogen dat, nu appellant bij het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het door hem tegen de beschikking van 8 oktober 2008 gemaakte bezwaar om vergoeding van proceskosten heeft verzocht, dat beroep niet-ontvankelijk is verklaard, zonder dat daarbij een proceskostenveroordeling ten gunste van appellant is uitgesproken en appellant daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, het verzoek van 30 november 2011 om vergoeding van de in die procedure gemaakte kosten voor rechtsbijstand niet voor toewijzing vatbaar is.

  3. Appellant betoogt dat het Gerecht aldus heeft miskend dat, indien hij tegen de uitspraak op het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het door hem gemaakte bezwaar hoger beroep zou hebben ingesteld, dat hoger beroep wegens het ontbreken van belang daarbij niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Onder deze omstandigheden bestond voor hem, om vergoeding van gemaakte kosten voor rechtsbijstand te verkrijgen, geen andere mogelijkheid dan daartoe het afgewezen verzoek in te dienen, aldus appellant.

3.1.

Ingevolge artikel 52, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak, voor zover thans van belang, kan de rechter tevens bepalen dat het bestuursorgaan wordt verplicht tot betaling van een vergoeding aan de wederpartij.

3.2.

Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat, indien appellant van oordeel was dat het Gerecht op het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het door hem tegen de beschikking van 8 oktober 2008 gemaakte bezwaar ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, hij daartegen hoger beroep had kunnen instellen. Er is geen reden om aan te nemen dat geoordeeld zou worden dat hij daarbij geen belang heeft. Nu het Gerecht het tegen het uitblijven van een beschikking op het door appellant tegen de beschikking van 8 oktober 2008 gemaakte bezwaar ingestelde beroep bij de uitspraak van 16 september 2009 niet‑ontvankelijk heeft verklaard en het beroep derhalve niet tot vernietiging van de daarbij bestreden beschikking heeft geleid, bestond echter geen grondslag voor toepassing van artikel 52, tweede lid, van de Lar. De in die bepaling aan de rechter toegekende bevoegdheid ziet naar zijn aard slechts op gevallen, waarin het beroep tot vernietiging van de bestreden beschikking heeft geleid. In artikel 52, tweede lid, van de Lar is dan ook geen exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling neergelegd, in het geval het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar, na het geven van een beschikking op dat bezwaar, niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

4.1.

Ingevolge artikel 53d, eerste lid, van de Lar, voor zover thans van belang, doet het Hof, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen het Gerecht had behoren te doen.
Ingevolge het tweede lid wordt, indien het Gerecht de
niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken en het Hof deze uitspraak vernietigt met een ontvankelijkheidsverklaring, het beroepschrift naar het Gerecht terugverwezen om te worden hervat in de stand, waarin de behandeling zich bevond.
In de memorie van toelichting bij de Landsverordening van
19 mei 2003 houdende wijziging van de Lar (AB 1993 no. 45) (invoering hoger beroep, AB 2003, no. 32) is op p. 2 vermeld dat toetsing van rechterlijke beslissingen door een andere rechterlijke instantie moet worden beschouwd als een onmisbare basis om tot verantwoorde en afgewogen oordelen te komen. Aldus heeft de verordeninggever kennelijk beoogd dat een inhoudelijke beoordeling van een zaak in beginsel steeds in twee rechterlijke instanties plaatsvindt.
Nu het Gerecht niet aan een inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift is toegekomen, acht het Hof voormelde bepaling van overeenkomstige toepassing en zal het het beroepschrift daarom naar het Gerecht terugverwijzen, opdat dit de behandeling van de zaak hervat in de stand waarin deze zich bevond. Het dient de zaak te behandelen en te beslissen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

6. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 24 april 2013 in zaak nr. Lar nr. 2531 van 2012;

III. wijst de zaak naar het Gerecht terug;

IV. gelast dat het land Aruba aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 (zegge: vijf en zeventig gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Martines

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,