Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:113

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
HLAR 64700/13
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om verlening van een zogenoemde koffiehuisvergunning en restaurantvergunning A voor de exploitative van twee gazebo's.

Precariovergunning verleend. Onvoldoende draagkrachtige motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 64700/13

Datum uitspraak: 23 mei 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap Manor Beach Resort N.V., gevestigd in Aruba,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 15 mei 2013 in de zaken nrs. Lar nrs. 2115, 2119 en 2363 van 2012 in het geding tussen:

appellante

en

  1. de minister van Volksgezondheid en Sport

  2. de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij brief van 17 januari 2011 heeft appellante de minister van Volksgezondheid en Sport (hierna: de minister) verzocht om haar een zogenoemde koffiehuisvergunning en restaurantvergunning A te verlenen ten behoeve van de exploitatie van de uit twee zogenoemde gazebo’s bestaande lokaliteit Passion, gelegen op het strand ten westen van Amsterdam Manor Resort Hotel (hierna: het perceel).

Bij brief van 27 mei 2011 heeft appellante tegen het uitblijven van een beschikking op dat verzoek bezwaar gemaakt.

Bij brief van 14 oktober 2011 heeft appellante tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 15 februari 2012 in zaak nr. Lar nr. 2477 van 2011 heeft het Gerecht het beroep gegrond verklaard, de fictieve ongegrondverklaring van het bezwaar vernietigd en bepaald dat de minister binnen twee maanden een nieuwe beschikking op het door appellante tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek van 17 januari 2011 gemaakte bezwaar geeft.

Bij beschikking van 15 juni 2012 heeft de minister het gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek van 17 januari 2011, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 15 mei 2013 heeft het Gerecht, voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014, waar appellante, vertegenwoordigd door […], bijgestaan door mr. M.M. Malmberg, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia en mr. I.L. Ras-Orman, beiden werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 1 van de Vergunningsverordening verstaat deze landsverordening onder lokaliteit: vertrek of ruimte, waarvoor ingevolge deze landsverordening een vergunning en/of toestemming is verleend.
    Ingevolge artikel 11 geeft een koffiehuisvergunning de houder recht tot de verkoop in het klein van sterke drank, zowel voor gebruik ter plaatse, als voor gebruik elders en tot de verkoop van zwak-alcoholische of alcoholvrije drank en voor consumptie bestemd ijs of soortgelijk artikel voor gebruik ter plaatse.
    Ingevolge artikel 17, eerste lid, geeft een restaurantvergunning A de houder recht tot de verkoop in het klein van alcoholvrije drank, voor consumptie bestemd ijs of soortgelijk artikel en spijzen die in een ter plaatse aanwezige keuken worden bereid, voor gebruik ter plaatse.
    Ingevolge artikel 28, eerste lid, wordt de vergunning geweigerd:
    a. t/m n. (…);
    o. indien gegrond vermoeden bestaat dat de aanvrager niet de beschikking heeft over de lokaliteit, waarvoor de vergunning wordt gevraagd;
    p. t/m r. (…).

  2. Aan de beschikking van 15 juni 2012 heeft de minister ten grondslag gelegd dat de lokaliteit, voor de exploitatie waarvan vergunning wordt verzocht, zich zonder toestemming op domeingrond op het strand bevindt en geen uitzicht bestaat dat hiervoor toestemming zal worden verleend.

  3. Appellante betoogt dat het Gerecht, door te overwegen dat de minister terecht aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd dat een gegrond vermoeden bestaat dat appellante niet de beschikking heeft over de lokaliteit waarvoor vergunning wordt gevraagd en geen uitzicht bestaat dat daarvoor toestemming zal worden verleend, heeft miskend dat zij ten tijde van de aanvraag om verlening van een koffiehuis- en restaurantvergunning over een precariovergunning voor het innemen van domeingrond voor het hebben van twee gazebo’s op het perceel beschikte en tijdig om verlenging van die vergunning heeft verzocht. Bovendien heeft de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu aan haar bij onderscheiden beschikkingen met terugwerkende kracht precariovergunning verleend voor het hebben van twee gazebo’s op het perceel voor de periode van 16 augustus 2011 tot en met 15 augustus 2012 en van 16 augustus 2012 tot en met 15 augustus 2013, aldus appellante.

3.1.

Dat betoog slaagt. Het perceel is in eigendom van het land. Aan appellante is bij beschikking van 28 augustus 2009 door de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu precariovergunning verleend voor het innemen van domeingrond en het hebben van twee gazebo’s op het perceel voor de periode van 16 augustus 2009 tot en met 15 augustus 2010 en bij beschikking van 30 augustus 2010 voor de periode van 16 augustus 2010 tot en met 15 augustus 2011. Bij brief van 28 april 2011 heeft appellante om verlenging van de precariovergunning verzocht.
Ten tijde van de aanvraag beschikte appellante derhalve over een precariovergunning. Ook heeft zij tijdig om verlenging van deze vergunning verzocht. Niet in geschil is dat appellante de precariovergunning en het verzoek om verlenging daarvan bij de aanvraag heeft overgelegd.
Onder deze omstandigheden heeft de minister zijn oordeel dat geen uitzicht bestaat dat voor het innemen van de desbetreffende domeingronden toestemming zal worden verleend, ontoereikend gemotiveerd.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 15 juni 2012 vernietigen.

5. Voor vergoeding van de proceskosten in hoger beroep biedt de Landsverordening administratieve rechtspraak geen grondslag. Wel wordt het griffierecht aan appellante vergoed.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 15 mei 2013 in de zaken nrs. Lar nrs. 2115, 2119 en 2363 van 2012;

verklaart het bij het Gerecht in die zaak door appellante tegen de beschikking van de minister van Volksgezondheid en Sport van 15 juni 2012, kenmerk DWJZ 1029-A Geh, ingestelde beroep gegrond;

vernietigt die beschikking;

gelast dat het land Aruba aan de naamloze vennootschap Manor Beach Resort N.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 (zegge: vijf en zeventig gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Martines

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,