Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2014:100

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-08-2014
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
RvBAz 66018 van 2014
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak op het hoger beroep krachtens artikel 37, tweede lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Beëindiging dienstverband van gerechtsambtenaar bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie wegens niet goed functioneren. Beëindigingsbeschikking is onbevoegdelijk genomen, nu het door de Beheerraad gegeven mandaat zich niet uitstrekt tot het geven van ontslag. Ontslag ook om inhoudelijke redenen onjuist. Ten onrechte aangenomen dat aan de aanstelling van betrokkene een proeftijd was verbonden. Hij is voorts onvoldoende in de gelegenheid gesteld zich te verbeteren. Anders dan het Gerecht in Eerste Aanleg ziet het Hof thans wel grond om de nietigheid van de beëindigingsbeschikking voor gedekt te verklaren. Aan de betrokkene wordt een schadevergoeding toegekend, gelijk aan zijn nettobezoldiging over een periode van tien maanden en een bedrag van NAF 25.000,= voor geleden immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 11 augustus 2014

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

UItspraak

krachtens artikel 37 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie in de zaak tussen:

de Beheerraad van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie,

zetelend in Curaçao,

oorspronkelijk verweerder, thans appellant,

hierna te noemen: de Beheerraad,

gemachtigden: de advocaten mr. L.M. Virginia en mr. F.R. Brouwer,

en

[A],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk klager, thans geïntimeerde,

hierna te noemen: [A],

procederende in persoon.

1 Procesverloop

Bij een door de directeur bedrijfsvoering van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: de directeur bedrijfsvoering) ondertekende brief van 22 oktober 2013 (hierna: de beëindigingsbeschikking) is het dienstverband met [A] ingaande 27 oktober 2013 beëindigd.

Bij uitspraak van 4 februari 2014 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), beslissend op het beroep van [A], de beëindigingsbeschikking vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de Beheerraad op 17 februari 2014 op nader aan te voeren gronden hoger beroep ingesteld.

Op 12 maart 2014 heeft [A] een contra-memorie ingediend, tevens inhoudende onder meer een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Op 17 maart 2014 heeft de Beheerraad de gronden van het hoger beroep aangevoerd.

Hierop heeft [A] op 9 april 2014 schriftelijk gereageerd.

Het hoger beroep is op 30 juni 2014 te Curaçao behandeld ter zitting van het Hof, waar de Beheerraad is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden, vergezeld van C. Bernsen, D. Bazoer en C. Barendregt. [A] is verschenen in persoon.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 Overwegingen

2.1

Ingevolge artikel 37, zesde lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie – voor zover hier van belang – zijn op de behandeling van het hoger beroep van overeenkomstige toepassing de regels van het procesrecht voor de behandeling van ambtenaarrechtelijke geschillen van het land waarin het beroep wordt behandeld. Dit betekent dat op de behandeling van de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing zijn de regels, neergelegd in de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (hierna: de RAR)

Feiten

2.2 [

A] is met ingang van 27 augustus 2013 aangesteld als gerechtsambtenaar bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in de functie van juridisch medewerker. Blijkens de aanstellingsbeschikking betreft het een tijdelijke aanstelling voor de duur van één jaar. In de aanstellingsbeschikking wordt geen melding gemaakt van een proeftijd.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.3

Het Hof zal eerst het standpunt bespreken van [A] dat het door de Beheerraad ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.3.1 [

A] heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de RAR niet voorziet in de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep op nader aan te voeren gronden ten einde de beroepstermijn veilig te stellen. Dit betekent naar zijn mening dat de gronden van het beroepschrift, op straffe van niet-ontvankelijkheid, vóór het verstrijken van de beroepstermijn moeten zijn ingediend, tenzij de voorzitter van het Hof met toepassing van artikel 105 van de RAR aan de indiener van het beroepschrift een nadere termijn heeft gesteld om het verzuim van het ontbreken van gronden te herstellen. Nu aan de Beheerraad die herstelmogelijkheid niet is geboden, en de beroepsgronden zijn ingediend na het verstrijken van de beroepstermijn, is het hoger beroep niet-ontvankelijk, aldus [A].

Dit betoog faalt. In artikel 109 van de RAR is bepaald, dat indien de voorzitter heeft verzuimd de mogelijkheid tot herstel te bieden, het Hof gehouden is zulks alsnog te doen. Gelezen in samenhang met artikel 105 van de RAR volgt hieruit dat niet-ontvankelijkheid wegens het niet voldoen van het hogerberoepschrift aan de in artikel 104 gestelde eisen, niet mogelijk is zonder dat door de voorzitter of het Hof een termijn voor herstel is geboden. Nu een zodanige termijn nimmer aan de Beheerraad is gesteld, is voor een niet-onvankelijkverklaring als door [A] bepleit thans geen ruimte. Het Hof stelt voorts vast dat de Beheerraad inmiddels wel de gronden van het hoger beroep heeft aangevoerd, zodat ook niet langer enige aanleiding bestaat om daarvoor alsnog een termijn te stellen.

2.3.2 [

A] heeft voorts betoogd dat het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de Beheerraad door het aanwenden van dit rechtsmiddel misbruik maakt van procesrecht.

Dit betoog slaagt evenmin. Hetgeen door [A] is gesteld omtrent de motieven van de Beheerraad om hoger beroep in de stellen tegen de uitspraak van het Gerecht kan, wat daar ook van zij, er niet toe leiden dat de Beheerraad het recht moet worden ontzegd om van het hem wettelijk toekomende recht tot het aanwenden van dit rechtsmiddel gebruik te maken.

2.3.3

Andere gronden voor niet-ontvankelijkverklaring zijn het Hof niet gebleken.

De beoordeling van het hoger beroep

2.4

De Beheerraad heeft als grond van het hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat het Gerecht in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat de beëindigingsbeschikking onbevoegdelijk is genomen

2.4.1

Het Hof gaat er met de Beheerraad van uit – gelijk ook het Gerecht kennelijk heeft aangenomen – dat de directeur bedrijfsvoering heeft beoogd de beëindigingsbeschikking krachtens (onder)mandaat namens de Beheerraad te nemen.

2.4.2

Ingevolge artikel 53, onderdeel e, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie berust de bevoegdheid tot aanstelling en ontslag van gerechtsambtenaren bij de Beheerraad.

Vaststaat dat de Beheerraad deze bevoegdheid heeft gemandateerd aan het bestuur van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: het bestuur).

Het bestuur heeft bij de door deze op 25 oktober 2012 vastgestelde en op 1 januari 2013 in werking getreden Regeling Ondermandaat een aantal van de door de Beheerraad aan het bestuur gemandateerde bevoegdheden ‘doorgemandateerd’ aan de directeur bedrijfsvoering. De bevoegdheid tot ontslag van gerechtsambtenaren is in die regeling niet opgenomen.

2.4.3

Het vorenstaande kan tot geen andere conclusie leiden dan dat aan de directeur bedrijfsvoering niet de bevoegdheid toekwam om de aanstelling van [A] namens de Beheerraad te beëindigen. Dit betekent dat de beëindigingsbeschikking onbevoegdelijk is genomen. Daaraan kan niet afdoen dat het bestuur, blijkens daartoe genomen besluit van 7 januari 2014, de beëindigingsbeschikking heeft bekrachtigd. De rechtmatigheid van de beëindigingsbeschikking dient te worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van die beschikking. De latere bekrachtiging kan daarbij niet worden betrokken. De beëindigingsbeschikking kan derhalve niet in stand blijven.

2.4.4

Het Gerecht is evenzeer – zij het op andere gronden – tot de slotsom gekomen dat de beëindigingsbeschikking onbevoegdelijk is genomen en deswege dient te worden vernietigd. Het Hof laat in het midden of de daartoe door het Gerecht gebezigde gronden eveneens de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een bevoegdheidsgebrek.

2.4.5

De desbetreffende hogerberoepsgrond faalt derhalve.

2.5.

Wel zou voormelde bekrachtiging mogelijk aanleiding kunnen vormen om de nietigheid van de beëindigingsbeschikking met toepassing van artikel 87 van de RAR voor gedekt te verklaren. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht heeft die mogelijkheid onderzocht, doch geconcludeerd dat voor toepassing daarvan geen aanleiding bestaat, nu de beëindigingsbeschikking ook om inhoudelijke redenen in rechte onhoudbaar is. Het Gerecht heeft daartoe – zakelijk weergegeven – overwogen dat aan de beëindigingsbeschikking ten onrechte ten grondslag is gelegd dat aan de aanstelling van [A] een proeftijd van twee maanden was verbonden.

Voorts was naar het oordeel van het Gerecht niet gebleken van onoverkomelijke problemen van organisatorische, financiële of andere aard die in de weg zouden staan aan een onmiddellijke terugkeer van [A] op zijn werkplek en die daarom zouden nopen tot een gedektverklaring. Het Gerecht heeft in de persoonlijkheid van [A] evenmin een beletsel gezien voor een hervatting van zijn werkzaamheden.

Verder heeft het Gerecht overwogen dat de door de Beheerraad gestelde tekortkomingen in het functioneren van [A] op dat moment onvoldoende grond vormden om het dienstverband ook los van een proeftijd tussentijds te kunnen beëindigen.

2.5.1

De Beheerraad bestrijdt de juistheid van deze overwegingen van het Gerecht tevergeefs. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

2.5.2

Ingevolge artikel 2.1, vierde lid, van het hier van toepassing zijnde Personeelsreglement ondersteunend personeel (hierna: het Personeelsreglement) – voor zover hier van belang – wordt in de beschikking tot aanstelling van een gerechtsambtenaar ten minste vermeld welke periode als proeftijd overeen is gekomen.

Ingevolge het vijfde lid is aan de indiensttreding – tenzij anders is overeengekomen – een proeftijd verbonden van maximaal 2 maanden.

2.5.3

Nu in de beschikking tot aanstelling van [A] geen melding wordt gemaakt van een overeengekomen proeftijd, moet op grond van artikel 2.1, vierde lid, van het Personeelsreglement worden geconcludeerd dat aan die aanstelling geen proeftijd is verbonden. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook niet aannemelijk is geworden dat aan [A] bij zijn aanstelling anderszins duidelijk is gemaakt dat wel een proeftijd zou gelden. Anders dan de Beheerraad heeft betoogd, maakt het bepaalde in artikel 2.1, vijfde lid, van het Personeelsreglement dit niet anders. De tekst van dit artikellid biedt geen enkel aanknopingspunt dat daarmee is beoogd af te doen aan de ondubbelzinnige verplichting, neergelegd in het vierde lid, tot het vermelding van de overeengekomen proeftijd in de aanstellingsbeschikking. De woorden ‘een proeftijd … van maximaal 2 maanden’ duiden er daarentegen juist op dat de lengte van een overeengekomen proeftijd in de aanstellingsbeschikking nader dient wordt geconcretiseerd, bij ontbreken waarvan geen proeftijd geldt.

2.5.4

Het Gerecht is, zij het op enigszins andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.5.5

Het Hof volgt de Beheerraad voorts niet in diens betoog dat het Gerecht ten onrechte geen beletselen heeft gezien om [A] zijn werkzaamheden te laten hervatten. Het Hof deelt de opvatting van het Gerecht dat de door de Beheerraad gestelde tekortkomingen in zijn functioneren – kort gezegd, het in onvoldoende mate zorgvuldig en voortvarend verrichten van zijn werkzaamheden en de bestaande twijfel aan zijn ‘leerbaarheid’ – daarvoor een onvoldoende onderbouwing vormen. Hetgeen ter zake gedurende de veronderstelde – korte – proeftijd is geconstateerd, volstaat in dit verband niet. Nu [A], ondanks de uitspraak van het Gerecht, niet in de gelegenheid is gesteld zijn werkzaamheden daadwerkelijk te hervatten, zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan hierover thans anders moet worden geoordeeld.

2.5.6

Het Hof onderschrijft voorts de overwegingen van het Gerecht, erop neerkomende dat het gestelde disfunctioneren van [A] evenmin toereikend is om het tijdelijk dienstverband tussentijds, los van een proeftijd, te kunnen beëindigen. Een dergelijke tussentijdse beëindiging wegens niet goed functioneren is in beginsel slechts mogelijk, indien de betrokkene in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld zich te verbeteren. Mede in aanmerking genomen dat ten behoeve van [A] een opleidingsplan is opgesteld dat een periode van een jaar beslaat, is de hem gedurende de veronderstelde proeftijd geboden verbetermogelijkheid veel te beperkt geweest. Met juistheid heeft het Gerecht in dat verband van belang gehecht dat in het functieprofiel van de functie van [A] als vereiste is opgenomen het hebben van drie jaar ervaring in een juridische functie, terwijl de Beheerraad wist dat hij die ervaring niet had. Voor de in hoger beroep naar voren gebrachte stelling van de Beheerraad dat [A] bij zijn sollicitatie had voorgespiegeld wel degelijk over (de vereiste) ervaring te hebben op juridisch vlak, is voorts geen enkele feitelijke onderbouwing gegeven. Die stelling valt ook moeilijk te rijmen met de omstandigheid dat, naar uit de gedingstukken blijkt, de Beheerraad ervan op de hoogte was dat [A] ten tijde van zijn sollicitatie nog niet was afgestudeerd.

Dat op voorhand geen enkele verbetering viel te verwachten, kan op grond van hetgeen de Beheerraad heeft aangevoerd, voorts niet worden vastgesteld.

2.5.7

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat geen der door de Beheerraad aangedragen gronden van het hoger beroep doel treft. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.6

Niettemin ziet het Hof in het sedert de aangevallen uitspraak verstreken tijdverloop aanleiding om, ter finale beslechting van het geschil tussen partijen, de nietigheid van de beëindigingsbeschikking thans wel voor gedekt te verklaren. Tevens ziet het Hof grond om de Beheerraad daarbij met toepassing van de artikelen 87 en 88 van de RAR te veroordelen tot vergoeding aan [A] van door hem geleden schade. Daartoe overweegt het Hof het volgende.

2.6.1

Ter zitting heeft [A] te kennen gegeven inmiddels tot het inzicht te zijn gekomen dat de verhouding tussen partijen inmiddels zodanig is verslechterd, dat een hervatting van zijn werkzaamheden niet meer tot de reële mogelijkheden behoort. Gedektverklaring van de nietigheid van de beëindigingsbeschikking ligt onder deze omstandigheden in de rede.

2.6.2 [

A] heeft aannemelijk gemaakt dat hij ten gevolge van de onrechtmatig gebleken beëindigingsbeschikking schade heeft geleden. De Beheerraad dient deze schade te vergoeden. Het Hof overweegt in dit verband nog dat, anders dan de Beheerraad heeft betoogd, aan een veroordeling tot schadevergoeding niet in de weg staat de omstandigheid dat [A] niet ook zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen de in de uitspraak van het Gerecht besloten liggende afwijzing van zijn in zijn initiële beroepschrift vervatte verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 86 van de RAR. De onbestreden afwijzing van dit verzoek laat onverlet de mogelijkheid om met toepassing van artikel 87 van de RAR schadevergoeding toe te kennen.

2.6.3

Bij de bepaling van de hoogte van die schadevergoeding gaat het Hof ervan uit dat, gezien het tijdelijke karakter van zijn aanstelling, het dienstverband met [A] in ieder geval op 27 augustus 2014 tot een einde zou zijn gekomen. Dat het dienstverband nog voor die datum rechtsgeldig kan worden beëindigd moet, gelet op het tijdverloop en hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen, uitgesloten worden geacht. Dit betekent dat de materiële schade die [A] als gevolg van de beëindigingsbeschikking heeft geleden kan worden gelijkgesteld aan de nettobezoldiging die hij zou hebben ontvangen vanaf de in de beëindigingsbeschikking genoemde datum van 27 oktober 2013 tot 27 augustus 2014. Dat [A] als gevolg van de beëindigingsbeschikking verder nog materiële schade heeft geleden, is niet aannemelijk geworden. Hetgeen hij ter zake meer heeft gevorderd, is gebaseerd op een verondersteld carrièreverloop waarvan niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat, indien de beëindigingsbeschikking niet zou zijn genomen, dit zich daadwerkelijk zou hebben verwezenlijkt.

Het Hof merkt daarbij nog op dat de gedektverklaring van de nietigheid onverlet laat de aanspraak die [A] in verband met het einde van zijn dienstverband kan maken op vergoeding van repatriëringskosten.

2.6.4

Het Hof acht voorts aannemelijk geworden dat [A] door de hem ten deel gevallen behandeling zodanig geestelijk leed heeft ondergaan dat hij daardoor immateriële schade heeft geleden. Daarbij is in aanmerking genomen dat hij zich reeds kort nadat hij zich vanuit Nederland metterwoon in Curaçao had gevestigd, geconfronteerd zag met een beëindiging van zijn dienstverband die zeer ingrijpende gevolgen voor hem zou hebben, zulks terwijl hem ten onrechte de kans is onthouden om zich alsnog te bewijzen. Aannemelijk is dat hij hierdoor in hoge mate gevoelens van stress en frustratie heeft ondervonden. Het Hof stelt de hoogte van deze door de Beheerraad te vergoeden schade naar billijkheid vast op een bedrag van NAF. 25.000,--.

2.6.5

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

2.7

Al het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

3 Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, recht doende in hoger beroep:

bevestigt de aangevallen uitspraak;

verklaart de nietigheid van de beëindigingsbeschikking van 22 oktober 2013 voor gedekt;

veroordeelt de Beheerraad tot vergoeding aan [A] van de door hem geleden schade, bestaande uit:

 een bedrag gelijk aan de nettobezoldiging die [A] zou hebben ontvangen over de periode van 27 oktober 2013 tot 27 augustus 2014, indien zijn dienstverband niet zou zijn beëindigd;

 een bedrag van NAF 25.000,-- voor geleden immateriële schade.

Deze uitspraak is gewezen door mr. W.C.E. Winfield, voorzitter, tevens lid van het Hof, en mr. H. Bolt en mr. J. Sybesma, andere personen als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 11 augustus 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.