Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:BZ9198

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
Ghis 57547 – EJ 101/11 – H 181/12
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek tot stiefouderadoptie. Criterium of een kind van zijn oorspronkelijke ouders heeft te verwachten gaat niet of er nog feitelijke contacten zijn of zullen zijn maar of de ouders nog inhoud kunnen geven aan het ouderschap. Hof oordeelt dat in dit geval daarover voldoende twijfel bestaat om het verzoek af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienrs.: Ghis 57547 – EJ 101/11 – H 181/12

Uitspraak: 22 januari 2013

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[ ],

wonende op Bonaire,

hierna te noemen: de stiefvader,

oorspronkelijk verzoeker, thans appellant,

gemachtigde: mr. M.M.A. Domingo-van Lieshout,

ter zake van een verzoek tot adoptie van:

[ ], geboren op [datum] 1998 in Nederland,

wonende op Bonaire,

hierna te noemen: het kind.

Andere belanghebbenden:

[ ],

wonende op Bonaire,

hierna te noemen: de moeder,

procederende in persoon,

en

[ ],

wonende in Nederland,

hierna te noemen: de vader,

in hoger beroep niet verschenen.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 101 van 2011 gegeven en op 16 mei 2012 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2. De stiefvader heeft in als beroepschrift aan te merken ‘Akte van Hoger Beroep’, ingekomen op 27 juni 2012, hoger beroep ingesteld van voornoemde beschikking. In een op dezelfde dag ingekomen ‘bezwaarschrift’ heeft hij het beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de voogdijraad zal opdragen een volledig(er) onderzoek uit te voeren en het verzoek van de stiefvader in zijn totaliteit opnieuw zal behandelen en zal toetsen op grond van correct verkregen informatie.

1.3. Op 6 december 2012 heeft op Bonaire een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn de stiefvader en zijn gemachtigde, de moeder en het kind. De gemachtigde van de stiefvader heeft gepleit aan de hand van een overgelegde pleitnota.

1.4. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van het Hof medegedeeld dat heden een beschikking zal worden uitgesproken in Curaçao.

2. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het ‘bezwaarschrift’.

3. Ontvankelijkheid

De stiefvader heeft op de juiste wijze hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

4. Waarvan in hoger beroep moet worden uitgegaan

Het GEA heeft onder het kopje ‘De feiten’ van de bestreden beschikking feiten vastgesteld. Deze vaststelling is niet in geschil en ook het Hof zal ervan uitgaan.

5. Beoordeling

5.1. Het gaat hier om een verzoek tot ‘stiefouderadoptie’ (een verzoek tot éénpersoonsadoptie gedaan door de echtgenoot van de moeder) als bedoeld in artikel 1:228 lid 1 onder f en artikel 1:229 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BWBES). Het GEA heeft het verzoek afgewezen en hiertegen richt zich het appel van de stiefvader.

5.2. De vader heeft het verzoek in eerste aanleg tegengesproken (artikel 1:228 lid 1 onder d BWBES), maar volgens de moeder hebben het kind en de vader niet of nauwelijks in gezinsverband samengeleefd (artikel 1:228 lid 2 onder a BWBES); zij woonde met het kind bij haar ouders. Het Hof zal veronderstellenderwijs van de juistheid van de stelling van de moeder uitgaan.

5.3. Artikel 1:227 lid 3 BWBES luidt:

‘Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind, vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft, en aan de voorwaarden door artikel 228 gesteld, wordt voldaan.’

5.4. De herziening van het adoptierecht is geïntroduceerd bij Nota van Wijziging (Staten van de Nederlandse Antillen 1999/2000, 1937, nr. 4). De in artikel 1:227 lid 3 gestelde voorwaarde ‘vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft’ is niet apart toegelicht, maar de herziene adoptieregeling is – met afwijkingen, met name wat betreft adoptiefouders van gelijk geslacht – ontleend aan de Nederlandse. De in artikel 1:227 lid 3 Nederlands BW neergelegde voorwaarde ‘vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft’ is geïntroduceerd bij wet van 21 december 2000, Stb. 2001, 10 (Kamerstukken 26 673), in navolging van het advies van de Commissie Openstelling Burgerlijk Huwelijk (1997). In de Nederlandse Memorie van Toelichting (nr. 3) is het volgende opgemerkt:

‘Uitgangspunt is derhalve dat de familieband met de oorspronkelijke ouders in zoveel mogelijk gevallen blijft bestaan. Dit criterium is passend gelet op de voorzichtigheid waarmee adoptie dient te worden benaderd.

(…)

Het criterium dat het kind van zijn oorspronkelijke ouder of ouders niets meer te verwachten heeft, ziet op de ouder/kind-relatie. Het gaat dus niet om de vraag of het kind met zijn oorspronkelijke ouders in het geheel geen feitelijke contacten meer heeft of nog zal krijgen. Van belang is of het kind wel of niet kan verwachten dat de ouders nog inhoud kunnen geven aan het ouderschap. Slechts indien vaststaat dat het kind ten aanzien van zijn oorspronkelijke ouders als ouders niets te verwachten heeft, zal aan het nieuwe criterium voor adoptie zijn voldaan. Centraal staat het begrip ouderschap. Ouderschap impliceert het dragen van verantwoordelijkheid jegens het kind, onder meer ten aanzien van verzorging, opvoeding of uitoefening van het gezag. Tevens is ouderschap naar zijn aard bestendig en duurzaam, bij voorbeeld wat het geven van liefde, aandacht en affectie betreft. De beoordeling van de vraag wanneer aan de nieuwe voorwaarde voor adoptie is voldaan, dient gelet op de diversiteit van gevallen te worden overgelaten aan de rechter.

(…)

In het geval dat de nieuwe partner (vrouw of man) van de vader een kind van hem zou willen adopteren, zal niet altijd aan de nieuwe voorwaarde zijn voldaan, omdat niet met voldoende zekerheid zal zijn vast te stellen dat het kind niets meer van de moeder als ouder te verwachten heeft. In gevallen dat de relatie tussen moeder en kind, bijvoorbeeld door verwaarlozing van het kind, ernstig is verstoord, is het immers niet uitgesloten dat door latere ontwikkelingen de ouder/kind-relatie nog weer inhoud kan krijgen. Ook hier zullen de verklaringen van de ouder en de verdere omstandigheden van het geval belangrijke factoren zijn bij de beoordeling van de vraag of het kind van zijn ouder als ouder nog iets te verwachten heeft. Hetzelfde geldt uiteraard in het omgekeerde geval dat de relatie tussen vader en kind ernstig is verstoord, en de nieuwe partner van de moeder het kind zou willen adopteren. Is er twijfel over het antwoord op de vraag of aan de gestelde voorwaarde wordt voldaan, dan zal naar mijn oordeel de rechter de oorspronkelijke ouder het voordeel van de twijfel moeten geven.’

En in de Nota naar aanleiding van het Verslag (nr. 5):

‘Dit nieuwe criterium staat naast het algemene criterium dat de adoptie in het kennelijke belang van het kind behoort te zijn. In de verhouding tot dit, zoals iedereen bekend is, zeer algemene criterium, beoogt het nieuwe criterium een aanscherping te zijn. Ik meen ook dat het als zodanig kan functioneren en kan voorkomen dat het al dan niet toestaan van een adoptie te zeer een afweging wordt in de zin van ‘waar is het kind nu en in de toekomst beter af?’ Bij zijn oorspronkelijke ouder(s) dan wel bij de adoptiefouder(s)? Daar gaat het naar mijn mening bij de adoptie niet om. De verbreking van alle banden met de oorspronkelijke ouder(s) is zo ingrijpend dat die alleen dient plaats te vinden als vaststaat dat het kind van zijn oorspronkelijke ouder(s) niets meer te verwachten heeft.

(…)

De leden van de PvdA-fractie gingen in op het op p. 5 van de memorie van toelichting genoemde voorbeeld van de ouder, van wie het kind als ouder niets meer te verwachten heeft, maar met wie de omgangsregeling die er al was, na de adoptie gehandhaafd blijft. Zij vroegen of dit betekent dat een kind niets te verwachten heeft van de ouder die het kind één keer per maand bezoekt. In het genoemde voorbeeld gaat het om de oorspronkelijke ouder die om allerlei redenen in de verhouding tot het kind niet (meer) de rol van ouder vervult en kan vervullen, maar die het kind nog wel één keer per maand bezoekt. Die omgangsregeling kan ook na de adoptie in stand blijven. Los van de overige omstandigheden van het geval mag evenwel niet geconcludeerd worden dat, als een ouder slechts een beperkte omgangsregeling heeft, hij of zij dus als ouder niets meer voor het kind kan en zal kunnen betekenen.

(…)

De leden van de VVD-fractie vroegen ook hoe ik sta tegenover het geval dat een niet-verzorgende ouder met moeite een omgangsregeling heeft verworven die, als hij de kans zou krijgen, meer invulling aan het ouderschap zou kunnen geven. Hem is vaak de mogelijkheid ontnomen aan het ouderschap invulling te geven. In het op blz. 5 van de memorie van toelichting besproken voorbeeld gaat het om een geval waarin een ouder als ouder ten opzichte van het kind niets te betekenen heeft. Gedacht zou kunnen worden aan een drugverslaafde moeder die het niet gelukt is om voor of na de geboorte van haar kind af te kicken en die veel moeite heeft om zichzelf staande te houden. Zij is wel in staat zo af en toe haar kind in het gezin waar het verblijft te bezoeken. Deze persoon vervult in de verhouding tot het kind niet de rol van ouder. Aan haar verantwoordelijkheden als ouder kan zij geen invulling geven. Het kind zal haar waarschijnlijk ook niet zien als degene die de functies verbonden aan het ouderschap vervult. In een dergelijk geval kan heel goed aan het nieuwe criterium voldaan zijn, maar kan ook de summiere omgangsregeling die er is, in stand blijven. Dat ligt anders in de situatie dat er een duidelijke ouder is, die evenwel, zoals de leden van de VVD-fractie opmerkten, geldt als de nietverzorgende ouder, bij voorbeeld in een situatie na scheiding. Ook als deze ouder geen of slechts een beperkte omgangsregeling met het kind heeft, zal het de vraag kunnen zijn of aan het nieuwe criterium wel voldaan wordt. Zeker als deze ouder geruime tijd wel als ouder het kind mede heeft verzorgd en opgevoed ( bij voorbeeld voorafgaande aan een scheiding), zal de beoordeling of aan het criterium is voldaan, bepaald anders kunnen liggen.

(…)

Ook als het kind wel een aanwijsbare ouder heeft, kan aan het criterium voldaan zijn. Niet alleen in het geval dat deze ouder weliswaar bestaat, maar onvindbaar is, maar ook als bij voorbeeld een afstandsmoeder uitdrukkelijk heeft verklaard nu en in de toekomst ten aanzien van het kind niet als moeder te kunnen functioneren om wat voor reden ook of als een ouder zich door een verslaving geheel onverschillig toont ten aanzien van zijn of haar kind.

(…)

Als er twijfel is over de vraag of aan de gestelde voorwaarde dat het kind van zijn ouder(s) niets meer te verwachten heeft, is voldaan, dient het verzoek tot adoptie te worden afgewezen. Een en ander vloeit voort uit de tekst van de voorwaarde. Er wordt immers gesproken over ‘vaststaan’. Bij twijfel staat niet vast dat aan de bedoelde voorwaarde is voldaan.

(…)

Met de nieuwe voorwaarde wordt beoogd het wel zeer algemene criterium dat adoptie het kennelijke belang van het kind behoort te dienen aan te scherpen. Door toevoeging van dit nieuwe criterium wordt in feite teruggekeerd naar de oorspronkelijke bedoelingen van de adoptie. In het bijzonder vanaf de jaren zeventig is in de rechtspraktijk de algemene voorwaarde voor adoptie dat deze in het kennelijk belang van het kind dient te zijn, meer en meer ingevuld als een afweging tussen het oorspronkelijke gezin en het adoptiefgezin. Heel ruw gezegd: waar is het kind beter af. Gelet op de verstrekkende consequenties van de adoptie – de banden met de oorspronkelijke ouders en hun familie worden immers geheel verbroken – is het maar de vraag of de weg die was ingeslagen de juiste was.’

En in de Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer:

‘Als de juridische ouder tegenspraak tegen de adoptie levert, zal dat mede het antwoord op de vraag kleuren of aan de nieuwe voorwaarde is voldaan.

(…)

Eerst bespreek ik situaties waarin een ouder op afstand een rol speelt, meestal na een echtscheiding, en waarin de nieuwe partner van de ouder bij wie het kind verblijft, om adoptie verzoekt. Deze gevallen worden wel gevat onder de term ‘stiefouderadoptie’, hoewel de nieuwe partner in juridische zin alleen dan de stiefouder is, als hij of zij getrouwd is met de ouder van het kind. In deze gevallen ligt het in de rede te verwachten dat met het nieuwe criterium in de hand een adoptie bemoeilijkt wordt. In het algemeen heeft het kind van de ouder op afstand als ouder immers nog iets te verwachten, nu en in de toekomst. Het ligt vaak dan ook meer voor de hand te denken aan gezamenlijk gezag van de ouder bij wie het kind verblijft, en zijn nieuwe partner. In de situatie van de aan heroïne verslaafde moeder, die er niet in slaagt om af te kicken, en wier kind, nadat langere tijd geprobeerd is de moeder bij de opvoeding te betrekken, geplaatst is in een gezin dat het kind zou willen adopteren, is de vraag of van de moeder als ouder nu en in de toekomst nog iets te verwachten valt, vaak minder moeilijk te beantwoorden. De moeder is meestal in het geheel niet betrokken op haar kind en zijn opvoeding en heeft voor het kind niet de betekenis van de ouder die hem of haar verzorgt en opvoedt. Nu het de moeder steeds maar niet lukt om van haar verslaving af te komen, zal in de toekomst, voor zover te voorzien, van haar als ouder niet veel verwacht kunnen worden. Dan kan geconcludeerd worden dat aan de nieuwe voorwaarde wordt voldaan. In een situatie als deze speelt het bestaan van een omgangsregeling tussen moeder en kind – de moeder komt bij voorbeeld, als zij het niet vergeet, één keer per maand op bezoek bij het kind – geen beslissende rol.’

5.5. In het onderhavige geval kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat ‘vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft’ In elk geval is daarover voldoende twijfel om het verzoek af te wijzen.

5.6. De voorwaarde betreft niet enkel de resterende tijd tot meerderjarigheid (in het onderhavige geval wordt het kind dit jaar 15 jaar). Ouders kunnen als ouder ook betekenis hebben voor hun meerderjarige kinderen. Het Hof heeft ter zitting het kind gehoord. Het heeft dagelijks contact met een ander kind van de vader, geboren uit de huidige relatie van de vader. Kennelijk ontmoet het kind de vader als het kind Nederland bezoekt. Op de vraag van het Hof of het kind het op prijs zou stellen als de vader naar Bonaire zou komen, reageerde het kind enthousiast. Blijkens de zich in het dossier bevindende brief van de vader van 13 maart 2012 wenst deze zich geenszins te onttrekken aan zijn vaderschap.

5.7. Weliswaar kan de moeder, indien het verzoek tot stiefouderadoptie wordt afgewezen, niet verzekeren dat bij haar overlijden gedurende de minderjarigheid van het kind, het gezag overgaat naar de stiefvader (artikel 1:253h lid 3 BWBES), maar dit belang – nog ervan afgezien of het van voldoende gewicht is – vermag niet de in artikel 1:227 lid 3 BWBES neergelegde voorwaarde te doorbreken.

5.8. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden bevestigd. Gelet op de aard van deze procedure ziet het Hof af van een kostenveroordeling.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, J.P. de Haan en J.P.C. van Dam van Isselt, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2013 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.