Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:9

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
12-08-2013
Zaaknummer
59466 ADV 2/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft inschrijving als advocaat verzocht. Zij heeft echter geen examen afgelegd in staatsrecht en strafprocesrecht en derhalve voldoet zij vooralsnog niet aan de vereisten. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt. Hof wijst verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienrs. 59466 ADV 2/13

Uitspraak: 25 juni 2013

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster],

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: de verzoekster,

optredend in persoon.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij verzoekschrift, met producties, ingekomen op 23 november 2012 heeft verzoekster aan het Hof inschrijving als advocaat verzocht.

1.2.

De deken van de Orde van Advocaten heeft bij schrijven van 8 februari 2013 gesteld dat verzoekster geen examen heeft afgelegd in het staatsrecht en strafprocesrecht en derhalve vooralsnog niet aan de vereisten, gesteld in artikel 1 lid 1 jo lid 2 van de Advocatenlandsverordening 1959 voldoet.

1.3.

De procureur-generaal heeft het Hof medegedeeld in een schrijven, ingekomen op 20 februari 2013, geen bezwaren te hebben tegen inwilliging van het verzoek.

1.4.

De raad van toezicht heeft op 7 maart 2013 geadviseerd het verzoek om inschrijving te weigeren op grond van artikel 2 lid 3 aanhef en onder a van de Advocatenlandsverordening 1959.

1.5.

Op 7 mei 2013 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verzoekster is verschenen. Zij heeft het verzoek toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.6.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van het Hof medegedeeld dat heden een beschikking zal worden uitgesproken.

2 Beoordeling

2.1.

Artikel 1 van de Advocatenlandsverordening 1959 luidt:

1. Iedere Nederlander, die het in artikel 36 van de Landsverordening Universiteit Nederlandse Antillen (P.B. 1985, no. 43) bedoelde doctoraat in de rechtsgeleerdheid of de in artikel 26 van die landsverordening bedoelde hoedanigheid van meester in de rechten verworven heeft, is bevoegd om aan het Hof van Justitie schriftelijk inschrijving als advocaat te verzoeken. Aan de verwerving van het doctoraat dient te zijn voorafgegaan het afleggen van een doctoraal examen dat ten minste het Curaçaose burgerlijk en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht heeft omvat, of van een doctoraal examen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel; de hoedanigheid van meester in de rechten dient verworven te zijn op grond van het afleggen van een doctoraal examen dat tenminste het Curaçaose burgerlijk en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht heeft omvat.

2. Een gelijke bevoegdheid heeft iedere Nederlander, die aan een Nederlandse rijks- of daarmee gelijkgestelde universiteit of hogeschool hetzij de graad van doctor in de rechtsgeleerdheid, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten heeft verworven. Aan de verwerving van de graad van doctor dient te zijn voorafgegaan het afleggen van een doctoraal examen dat ten minste het Nederlandse burgerlijk en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht heeft omvat, of van een doctoraal examen als bedoeld in het voorgaande lid; de hoedanigheid van meester in de rechten dient verworven te zijn op grond van het afleggen van een doctoraal examen dat ten minste het Nederlandse burgerlijk en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht heeft omvat. In de plaats van een in dit lid omschreven doctoraal examen kan treden het doctoraal examen, bedoeld in artikel 52 sub b van de Landsverordening Universiteit Nederlandse Antillen (P.B. 1985, no. 43).

3. Bij het verzoek worden overgelegd de nodige stukken ten bewijze dat de verzoeker aan de in het eerste of tweede lid gestelde vereisten voldoet, alsmede dezulke ter staving van zijn Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Voor de goede orde zij vermeld dat de in dit artikel 1 gestelde eis van Nederlanderschap door het Hof als zijnde discriminatoir buiten toepassing wordt gelaten (beschikking van 14 november 2006, Adv. 19/2006). Voorts wordt het doctoraalexamen in het bestuursrecht door het Hof gelijk gesteld met dat in het staatsrecht (beschikking van 17 mei 2006. Adv. 4/2006).

2.3.

In het bij de regering in behandeling zijnde ontwerp-Advocatenlandsverordening 2013 luidt artikel 2 lid 1:

Ieder die voldoet aan de opleidingseisen, gesteld in artikel 24, eerste en tweede lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, is bevoegd aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hierna te noemen het Hof, schriftelijk inschrijving als advocaat te verzoeken.

2.4.

Artikel 24, eerste en tweede lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, waarnaar verwezen wordt, luidt:

1. Tot lid of plaatsvervangend lid van het Hof kan worden benoemd degene:

a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen universiteit, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend;

b. die op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen universiteit, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.

2. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen graden verleend door een universiteit of een hogeschool of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onder a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.

2.5.

In het ontwerp-Advocatenlandsverordening 2013 wordt derhalve niet langer vereist dat de kennis van bepaalde vakken (burgerlijk en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht) is getoetst. Daar staat tegenover dat het ontwerp een verplichte beroepsopleiding tijdens de stage introduceert, met afsluitend examen.

2.6.

Nu inmiddels zowel in Curaçao als in Nederland het bachelor-masterstelsel (BaMa-stelsel) is ingevoerd, vereist toepassing van artikel 1 van de huidige Advocatenlandsverordening 1959 aanpassing, in die zin dat wordt nagegaan of de desbetreffende vakken deel hebben uitgemaakt van de gevolgde BaMa-studie. Niet vereist is dat een vak in de master-fase is geëxamineerd.

2.7.

In het geval van verzoekster is deze aanpassing niet nodig, aangezien zij nog doctoraalexamen heeft afgelegd, en wel in het fiscaal recht. Op de door haar overgelegde cijferlijst (productie 2 bij het verzoekschrift) komen voor: ‘Privaatrecht I en bestuursrecht’, ‘Privaatrecht II’ en ‘Strafrecht en fiscus’. Naar het oordeel van het Hof komt ‘Strafrecht en fiscus’ niet overeen met ‘strafrecht’ als bedoeld in artikel 1 van de Advocatenlandsverordening 1959. Staatsrecht komt in het geheel niet voor, evenmin als bestuursrecht (zie hiervóór rov. 2.2).

2.8.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij in haar propedeuse staatsrecht heeft gedaan. De oude propedeuse staat echter niet gelijk met de huidige bachelor-opleiding.

2.9.

Verzoekster heeft het Hof verzocht te anticiperen op de voorgenomen nieuwe wetgeving, maar zulks is niet passend nu de nieuwe regeling een ander stelsel introduceert, met – zoals reeds overwogen – een verplichte beroepsopleiding en afsluitend examen.

2.10.

Het is de rechter niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen (artikel 13 van de Algemeene bepalingen der wetgeving van Curaçao). Voorts belet het in artikel 101, eerste volzin, eerste zinsnede, van de Staatsregeling van Curaçao neergelegde toetsingsverbod mede de toetsing aan algemene rechtsbeginselen (HR 14 april 1989, NJ 1989, 469)NJ 1989, 469, inzake de Harmonisatiewet).

2.11.

Wel kan een wetsbepaling worden getoetst aan de grondrechten, genoemd in de artikelen 3-21 van de Staatsregeling van Curaçao (artikel 101, eerste volzin, tweede zinsnede, en tweede volzin van de Staatsregeling van Curaçao). Ook kan een wetsbepaling buiten toepassing worden gelaten wegens onverenigbaarheid met een direct werkende verdragsbepaling (artikel 5 lid 1 jo artikel 3 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden jo artikel 94 van de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden).

2.12.

Verzoekster heeft beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Dit is (algemeen) gegarandeerd in artikel 3 van de Staatsregeling van Curaçao, artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 1 van Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

2.13.

Verzoekster heeft aangevoerd (pleitnota, eerste blad, laatste streepje) dat ‘juristen, waaronder fiscalisten, die reeds in Nederland hebben ingeschreven gestaan, zich in Curaçao in laten schrijven als advocaat.’ Naar het oordeel van het Hof verkeren personen die in Nederland reeds hun stageverklaring hebben verkregen en derhalve in Nederland de verplichte beroepsopleiding, afgesloten met een examen, met goed gevolg hebben gevolgd, niet in een relevant vergelijkbare positie.

2.14.

Hiervóór (rov. 2.6-2.8) is reeds aandacht gegeven aan personen die onder het BaMa-stelsel vallen. Het Hof is van oordeel dat zolang hier te lande geen verplichte beroepsopleiding, met afsluitend examen, bestaat, een strikte toepassing van artikel 1 van de Advocatenlandsverordening 1959, aangepast op de wijze zoals hiervóór (rov. 2.6) aangeduid, op haar plaats is.

2.15.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek moet worden afgewezen.

2.16.

Voor aanhouding van de zaak in afwachting van (eventuele) inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving (hiervóór aangeduid in rov. 2.3-2.5), zoals subsidiair verzocht, is onvoldoende reden. Verzoekster kan te zijner tijd opnieuw inschrijving verzoeken.

3 Beslissing

Het Hof wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, E.M. van der Bunt en H.J. van Kooten, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.