Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:79

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
GH-32525, H-53 van 2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verhoging pensioengerechtigde leeftijd ambtenaren en gelijkgestelden. wie draagt kosten VUT. verhaal APNA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2013 vonnis no:

Registratieno’s: GH-32525, H-53/13

Uitspraak: 3 december 2013

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Vonnis in de zaak van:

de publiekelijke rechtspersoon ALGEMEEN PENSIOENFONDS CURAÇAO

gevestigd en kantoorhoudende in Curaçao,

eiseres in eerste aanleg, thans appellante,

gemachtigde: mr. L. M. Virginia,

tegen

de stichting STICHTING ALGEMEEN PSYCHIATRISCH ZIEKENHUIS DR. DAVID RICARDOCAPRILES,

gevestigd en kantoorhoudende in Curaçao,

gedaagde in eerste aanleg, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes.

1 Het verloop van het geding

Evenals in eerste aanleg worden partijen aangeduid als APNA en Klinika Capriles. Verwezen wordt naar het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA) van 23 juli 2013 en het eraan voorafgaande vonnis van 28 maart 2011 in het incident tot vrijwaring, waarin Klinika Capriles het GEA heeft verzocht het Land de Nederlandse Antillen (thans Curaçao) in vrijwaring te mogen oproepen, welke vordering naar het Hof begrijpt is toegewezen. APNA is bij een op 28 augustus 2012 ter griffie van het GEA ingediende akte van het vonnis in de hoofdzaak in hoger beroep gekomen. In een op 8 oktober 2012 ter griffie ingediende memorie heeft APNA twee tegen het vonnis gerichte grieven geformuleerd en toegelicht en gevorderd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar vorderingen tegen Klinika Capriles alsnog zal toewijzen met haar veroordeling in de proceskosten in beide instanties. Klinika Capriles heeft het hoger beroep in een op 3 januari 2013 per fax aan de griffie van het GEA verzonden (en een dag later ter griffie ingediende) memorie van antwoord bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van APNA in de kosten van het hoger beroep. Op de rolzitting van 25 juni 2013 hebben partijen niet-voorgedragen pleitnota’s overgelegd en nadien vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

De overwegingen 2.1 t/m 2.6 van het bestreden vonnis waarin het GEA de vordering van APNA, de aan die vordering ten grondslag gelegde relevante feiten alsmede het door Klinika Capriles gevoerde verweer heeft weergegeven, zijn in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden, zodat die overwegingen ook het Hof tot richtsnoer dienen.

2.2

In memorie van toelichting (Staten van de Nederlandse Antillen zitting 1995-1996) op de Landsverordening verhoging leeftijdgrens 1996, P.B. 1995,230 (verder LVVL) is onder § 2 (“Inhoud van het ontwerp”), onder meer het volgende vermeld:

Kern van het voorstel is zoals gezegd de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd van 55 naar 60 jaren. Dit dient vanzelfsprekend te worden gecombineerd met eenzelfde verhoging van de ontslagleeftijd, voor zowel de ambtenaren als bedoeld in de Landsverordening leeftijdsgrens ambtenaren (P.B. 1959, 26) als de groepen werknemers van bepaalde semi-publiekrechtelijke lichamen voor wie bij landsverordening een vergelijkbare ontslagleeftijd is vastgesteld. Omdat er bij deze groepen overheidsdienaren geen reden is onderscheid te maken tussen zij (het Hof leest :”hen”)die in pensioengerechtigde dienst zijn en degenen die dat niet zijn, zal de verhoging van de ontslagleeftijd voor alle overheidsdienaren gelden.

(….)

Het gevolg van de verhoging van genoemde leeftijdsgrenzen is dat overheidsdienaren in beginsel kunnen blijven werken tot juni 60e en dat het pensioen in beginsel ingaat op hun 60e. Zonder nadere regeling zou dit ook gelden voor de huidige deelgenoten. Waar het betreft de pensioenaanspraken is dat een gevolg dat op een onaanvaardbare wijze afbreuk zou doen aan de bij deelgenoten gewekte verwachting dat ze vanaf hun 55e pensioengerechtigd zullen zijn. Aangenomen moet immers worden dat juist bij de pensioenmaterie – waarbij het vooral lange termijnplanning betreft – verwachtingen voor de toekomst worden geschapen, waarop mensen zich moeten kunnen instellen en waarvan het belang zwaarder gaat wegen naarmate men korter de tijd heeft om de gevolgen van de maatregel op te vangen. In het ontwerp worden daarom de verwachtingen van de huidige deelgenoten gerespecteerd. Dit geschiedt via een bijzondere voorziening voor de actieve ambtenaren en via een overgangsregeling voor de deelgenoten die geen ambtenaren meer zijn.

De bijzondere voorziening voor de deelgenoten die nog in dienst zijn – ±” ca. 9000 personen – en die toch de dienst op 55-jarige leeftijd wensen te verlaten, geschiedt in de vorm van een toekenning van een recht op een pensioenvervangende uitkering, waarbij de hoogte van de aanspraken en de overige rechten gelijk zijn aan die wanneer men pensioen zou genieten. Tijdens de voorbereidingsfase van dit ontwerp werd deze uitkering, ook in het openbaar, wel aangeduid als VUT-uitkering vanwege de vervroegde, vrijwillige uitdiensttreding. Deze pensioenvervangende uitkering komt ten laste van het overheidsorgaan waarbij de deelgenoot bij zijn ontslag in dienst is. Het betalen van de pensioenvervangende uitkering kan vanzelfsprekend niet opgelegd worden aan de werkgevers van de deelgenoten die al voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet meer in overheidsdienst zijn. Het ontwerp maakt hierbij onderscheid tussen degenen die bij inwerkingtreding van deze landsverordening al niet meer in overheidsdienst zijn en degenen die daarna uit dienst treden. Om de pensioenrechten van eerstbedoelde groep voormalige ambtenaren te eerbiedigen, is ervoor gekozen ten aanzien van hen het ontwerp niet van toepassing te verklaren, omdat de middelen voor hun pensioenen zijn geserveerd. De oude regeling zal voor die personen blijven gelden en zij zullen derhalve hun recht op een normale pensioenuitkering behouden. Laatstbedoelde groep zal evenwel recht krijgen op een pensioenvervangende uitkering, die zal worden opgebracht door de rechtspersoon waarbij de deelgenoot uit overheidsdienst is getreden. (…).

In § 3 is vermeld: (….)

In § 2 is reeds uiteengezet dat bij de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd de rechten van de bestaande deelgenoten worden geëerbiedigd door het creëren van een pensioenvervangende uitkering voor de deelgenoten die nog geen 60 jaar zijn. De vraag is dan ook gerechtvaardigd hoe deze maatregel reeds op korte termijn tot de aangegeven bezuinigingen kan leiden. Het verschil wordt veroorzaakt door de principieel andere wijze waarop de pensioenaanspraken worden gefinancierd. Bij een uitkering op grond van de Pensioenverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938 worden toekomstige aanspraken gefinancierd volgens het kapitaaldekkingstelsel. Het onderbrengen van de rechten in een regeling die pensioenvervangende uitkering garandeert, heeft tot gevolg dat voor de financiering het omslagstelsel gehanteerd zal worden, hetgeen inhoudt dat de lasten pas op het moment van uitkering opgebracht zullen moeten worden door de financier. Er is geen verband meer tussen het moment waarop de arbeid wordt verricht en het moment waarop een deel van de arbeidskosten – de pensioenlasten – worden gedragen.

b. In de nota naar aanleiding van het voorlopig verslag, tevens eindverslag (Staten van de Nederlandse Antillen zitting 1995-1996) heeft de minister van financiën onder het hoofd “Ad 3: de financiële gevolgen” het volgende opgemerkt:

“de P.A.R.-fractie informeerde in dit verband hoe de benodigde fondsen zullen worden gereserveerd voor de dekking van de extra kosten die gemoeid zijn met de pensioenvervangende uitkering. In genoemde alinea in de memorie van toelichting is al aangegeven dat op de huidige en toekomstige bestuurders de plicht rust een zodanig financieel beleid te voeren dat bedoelde gevolgen kunnen worden opgevangen. De aanpassing van de pensioenregeling zal gedurende de eerste jaren een netto-besparing voor de begroting opleveren. Daarna zullen de extra uitgaven echter de besparingen gaan overtreffen. In overweging is thans een voorstel van het I.M.F. om een zogenaamd ‘sinking fund’op te richten, waarin gedurende de periode van netto-besparingen zullen worden gestort om extra uitgaven die later zullen optreden, te financieren. Door de bijdragen aan de ‘sinking fund’ zou de netto-besparing op de begroting gedurende de eerste jaren lager uitvallen, maar de extra lasten voor de begroting die later optreden, zullen eveneens afnemen, omdat op de reserve van het fonds zal worden ingeteerd.”

3 Beoordeling

3.1

Blijkens de door APNA aangevoerde grieven en het daartegen door Klinika Capriles gevoerde verweer, wensen partijen het geschil in volle omvang aan het oordeel van het Hof te onderwerpen. Alvorens op het geschil in te gaan volgt hierna onder a t/m c ter wille van de duidelijkheid en leesbaarheid van het vonnis een korte schets van het geschil.

a. Ingevolge de artikelen I t/m VIII van hoofdstuk 1 van de Landsverordening Verhoging Leeftijdgrens 1996, P.B. 1995, 230 (LVVL) is de pensioengerechtigde leeftijd met ingang van 1996 verhoogd van 55 naar 60 jaar; in de artikelen IX t/m XX (hoofdstuk 2) LVVL is bepaald dat de ambtenaar in de zin van “de Pensioenverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938” niettemin “na bekomen ontslag” recht heeft op een uitkering indien hij de leeftijd van ten minste 55 jaren heeft bereikt en aan een aantal – hier niet ter zake doende – vereisten voldoet. Aan die in hoofdstuk 2 LVVL vervatte regeling, de eruit voortvloeiende uitkering en verplichtingen wordt hier, evenals in het bestreden vonnis, gerefereerd als de “VUT-regeling”, “VUT-uitkering” en “VUT-verplichtingen” (vgl. de memorie van toelichting op de LVVL § 2, 4e alinea). De VUT-regeling is naar het GEA in het vonnis onder 2.5 onbestreden heeft overwogen in het leven geroepen omdat “zonder die regeling op onaanvaardbare wijze afbreuk zou zijn gedaan aan de bij de ambtenaren opgewekte verwachting dat zij op hun 55ste levensjaar pensioengerechtigd zouden zijn” (vgl. de memorie van toelichting op de LVVL § 2, 3e alinea).

b. Concreet gaat het in dit geding om de vraag wie de kosten moet dragen van de aan Mw Maria L. Constantia toegekende VUT-uitkering, die haar na haar ontslag met ingang van 4 september 2003 is toegekend (vgl. prod. 3A-3H inleidend verzoekschrift). Constantia is tezamen met een aantal andere eertijds als ambtenaar in overheidsdienst bij de Caprileskliniek werkzame personen met ingang van 1 januari 2001 in dienst getreden van de op 3 maart 2000 opgerichte stichting Klinika Capriles. Niet is in discussie of zij voldoet aan alle voor een VUT-uitkering gestelde vereisten.

c. Ingevolge art. XVIII lid 1 LVVL is APNA met de uitvoering van de VUT-regeling belast en heeft zij in die kwaliteit de periodieke VUT-uitkeringen waarop Constantia sinds 2003 aanspraak maakt voorgeschoten. Met een beroep op art. XVIII lid 2 LVVL, inhoudende dat de VUT-uitkering “ten laste (komt) van de rechtspersoon waarbij de belanghebbende in dienst was totdat hem ontslag werd verleend”, vordert APNA in dit geding dat Klinika Capriles wordt veroordeeld tot (terug)betaling van de totale som aan VUT-uitkeringen aan Constantia t/m juli 2010 bij, in totaal t/m juli 2010 NAfl. 849.117,40 (”inclusief boeterente”) alsmede tot betaling van de door haar in de toekomst nog aan Constantia te betalen uitkeringen.

3.2

Klinika Capriles betwist de vordering. Zij voert aan dat zij niet op de hoogte was van de betreffende wettelijke regeling als vervat in art. XVIII van de LVVL waarop APNA haar vordering baseert en – kort gezegd – daarom niet heeft kunnen anticiperen op de (financiële) gevolgen om de VUT-uitkering aan Constantia voor haar rekening te nemen (zie bestreden vonnis onder 2.6). Zij acht naar het Hof begrijpt de haar ingevolge art. XVVIII lid 2 opgelegde verplichting ook onredelijk omdat haar bij haar verzelfstandiging in 2001 geen fondsen zijn verstrekt om aan bedoelde financiële verplichting te voldoen.

3.3

Gelet op de tekst van art. XVIII lid 2 LVVL, de daarop betrekking hebbende tekst van de memorie van toelichting (Staten van de Nederlandse Antillen zitting 1995-1996) § 3 (“Financiële gevolgen”) alsmede de reactie van de Minister van Financiën op de door de P.A.R.fractie verlangde informatie in het voorlopig verslag, tevens eindverslag (Staten van de Nederlandse Antillen zitting 1995-1996) onder “Ad 3: (“de financiële gevolgen”), kan er weinig twijfel over bestaan dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest dat Klinika Capriles de door APNA aan Constantia bij wege van voorschot verstrekte VUT-uitkeringen voor haar rekening moet nemen. Dat het onredelijk is dat aan de nog maar kort tevoren in het leven geroepen stichting Klinika Capriles een dergelijke financiële last wordt opgelegd zonder dat daartegenover enigerlei compensatie is geboden is betreurenswaardig, maar geen reden om de vordering van APNA af te wijzen. APNA is immers ingevolge art. XVIII lid 1 weliswaar belast met het voorschieten van de VUT-uitkering aan de VUT-gerechtigden, maar behoeft die uitkering die blijkens de memorie van toelichting wordt gefinancierd volgens het kapitaaldekkingsstelsel, niet voor haar rekening te nemen. Voor zover Klinika Capriles van oordeel is dat de VUT-uitkering aan Constantia niet, dan wel niet alleen ten laste van haar dient te komen, maar (ook) ten laste van het Land (waarvoor Constantia naar mag worden aangenomen een aanzienlijk langere tijd heeft gewerkt dan voor Klinika Capriles), moet zij dat in de nog in eerste aanleg aanhangige vrijwaringsprocedure zien te bewerkstelligen.

3.4

Het verweer van Klinika Capriles dat zij niet wist dat de VUT-uitkering van Constantia ingevolge art. XVIII lid 2 voor haar rekening zou komen, wordt verworpen. Die omstandigheid komt voor haar rekening en risico en levert geen gerechtvaardigde weigeringsgrond op om niet te voldoen aan de vordering van APNA.

3.5

Het in eerste aanleg gevoerde verweer ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente (conclusie van antwoord onder 14, conclusie van dupliek onder 10) wordt verworpen. Nu in het petitum van het inleidend verzoekschrift geen aanvangsdatum is genoemd, vordert APNA de wettelijke rente klaarblijkelijk vanaf de dag waarop het inleidend verzoekschrift aan Klinika Capriles is betekend. De omstandigheid dat APNA Klinika Capriles niet eerder in rechte heeft betrokken brengt niet mee dat zij geen aanspraak (meer) kan maken op de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW. Voor zover Klinika Capriles met het verweer bedoelt aan te voeren dat APNA geen aanspraak kan maken op het deel van haar vordering dat zij heeft aangeduid als “boeterente” (zie de bij inleidend verzoekschrift als productie 3F overgelegde specificaties) overweegt het Hof dat dat standpunt in beginsel juist is. Partijen stonden immers niet in een contractuele verhouding tot elkaar zodat de vraag rijst op grond waarvan APNA niettemin meent aanspraak te kunnen maken op een “boeterente”. Het Hof zal de zaak naar de rol verwijzen opdat partijen zich op dat punt nader kunnen uitlaten, alsmede over eventuele andere punten die de hoogte van de gevorderde som betreffen. In dat verband merkt het Hof op dat mag worden aangenomen dat Constantia 55 jaar was toen zij op 4 september 2003 werd ontslagen en daardoor gerechtigd werd op een VUT-uitkering, zodat die uitkering in september 2008 zal zijn geëindigd en APNA nadien dus geen VUT-uitkering meer zal hebben betaald (en die dus evenmin kan terugvorderen). Eveneens rijst in dit verband de vraag waarop de vordering als geformuleerd in het petitum onder 2 is gebaseerd. Gelet op het voorgaande dient APNA nog een nauwkeurige specificatie van de door haar van Klinika Capriles gevorderde som over te leggen en het belang van het petitum onder 2 uit te leggen.

3.6

De zaak wordt naar de rol verwezen opdat partijen zich kunnen uitlaten omtrent hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Het Hof, alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 januari 2014 opdat APNA zich bij akte na tussenvonnis kan uitlaten als hiervoor onder 3.5 is bedoeld, met overlegging van de in die rechtsoverweging bedoelde specificatie, waarna Klinika Capriles zich eveneens bij akte over de akte van APNA zal kunnen uitlaten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, E.M. van der Bunt en A.N.G.N.E. Mijnssen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao op 3 december 2013 in aanwezigheid van de griffier.