Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:63

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
03-02-2014
Zaaknummer
HLAR 60769/12
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is wijziging in verleende kleine-autobusvergunning. Betoog van appellant dat de minister het protocol ten onrechte als een verzoek tot wijziging heeft aangemerkt slaagt. Beroep is gegrond, beschikking met wijziging wordt herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 60769/12

Datum uitspraak: 28 juni 2013

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Aruba,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van
22 augustus 2012 in zaak nr. LAR 383 van 2012 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Toerisme, Transport en Arbeid.

Procesverloop

Bij beschikking van 1 juni 2011 heeft de minister de aan [appellante] verleende zogenoemde kleine-autobusvergunning gewijzigd.

Bij beschikking van 18 januari 2012, voor zover thans van belang, heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2012 heeft het Gerecht het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het Hof heeft de zaak, gevoegd met de zaak nr. HLAR 60767/12, ter zitting behandeld op 23 april 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door
mr. M.G.A. Baiz, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door
A. Lumenier, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen. Na de behandeling ter zitting heeft het de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Landsverordening personenvervoer (hierna: de LPV) kan de kleine-autobusvergunning op verzoek van de vergunninghouder bij met redenen omkleed besluit van de minister worden gewijzigd.

2.

[appellante] betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat zij niet om wijziging van de haar bij beschikking van 11 augustus 2009 verleende vergunning heeft verzocht en de minister het protocol van 15 juni 2010 (hierna: het protocol) ten onrechte als zodanig verzoek heeft aangemerkt.

2.1.

Dat betoog slaagt. Uit de beschikking van 1 juni 2011 valt af te leiden dat de minister het protocol heeft aangemerkt als verzoek om de aan [appellante] verleende kleine-autobusvergunning te wijzigen. Zo heeft de minister aan de wijziging ten grondslag gelegd dat geen bezwaren tegen de inwilliging van dat verzoek bestaan.
In het protocol staat dat, omdat onenigheid, dan wel onduidelijkheid, bestaat over de busroute van Noord en nodig is gebleken hierover tot een consensus te geraken, op 26 mei en 15 juni 2010 overleg is gevoerd met een delegatie van de buschauffeurs van Noord en het Management Team DOPV. Tijdens dat overleg is volgens het protocol onder meer overeengekomen dat alle buschauffeurs van Noord in de gelegenheid worden gesteld op de zuid toeristische corridor route te rijden, met dien verstande dat de gehele busroute dient te worden gereden. Dit protocol bevat aldus geen verzoek van [appellante] aan de minister om wijziging van de vergunning die haar bij beschikking van 11 augustus 2009 is verleend. Anderszins is evenmin van zodanig verzoek gebleken.

3.

Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu het Gerecht aan de overige door [appellante] in beroep aangevoerde beroepsgronden niet is toegekomen, zal het Hof deze beoordelen, voor zover daartoe, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog aanleiding bestaat.

4.

[appellante] heeft betoogd dat de minister haar kleine‑autobusvergunning niet zonder daartoe strekkend verzoek van haar kon wijzigen.

4.1.

Dat betoog slaagt. De LPV bevat geen bepaling, krachtens welke de minister een kleine-autobusvergunning kan wijzigingen, zonder daartoe strekkend verzoek van de houder.

5.

Het beroep is gegrond. De beschikking van 18 januari 2012 dient te worden vernietigd. Nu de minister zonder een daartoe strekkend verzoek van [appellante] niet tot de wijziging kon besluiten, zal de beschikking van 1 juni 2011 worden herroepen.

6.

De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 22 augustus 2012 in zaak nr. LAR 383 van 2012;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak tegen de beschikking van de minister van Toerisme, Transport en Arbeid van 18 januari 2012 kenmerk DOPV/3612 ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt die beschikking;

V. herroept die van 1 juni 2011, kenmerk DOPV/660;

VI. veroordeelt de minister van Toerisme, Transport en Arbeid tot vergoeding aan [appellante] van de bij deze in beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 1400,00 (zegge: veertienhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het land Aruba aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,00 (zegge: honderd gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Martines

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2013

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,