Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:60

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
03-02-2014
Zaaknummer
HLAR 60762/12
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is afwijzing voor verblijfsvergunning. Gerecht heeft het niet tijdig instellen van beroep verschoonbaar geacht. Minister gaat tegen deze beslissing in beroep. Hof oordeelt dat vreemdeling vertrouwen mocht ontlenen aan de brief van de bezwaaradviescommissie en dat derhalve het Gerecht dit met juistheid heeft geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 60762/12

Datum uitspraak: 28 juni 2013

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 21 november 2012 in zaak nr. Lar 1355 van 2012 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij beschikking van 29 september 2011 heeft de minister een verzoek van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.

Tegen die beschikking heeft de vreemdeling bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 21 november 2012 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba het door de vreemdeling tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het met ongegrondverklaring ervan gelijk gestelde uitblijven vernietigd en de minister opgedragen binnen twee maanden alsnog een beschikking op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar te geven.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2013, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. N.R. Sneek en J. Odor, beiden werkzaam in dienst van het land, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.R. Zeppenfeldt, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder a, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), voor zover thans van belang, stelt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en de daarop betrekking hebbende stukken uiterlijk binnen twee weken na ontvangst ervan in handen van de bezwaaradviescommissie.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, brengt de bezwaaradviescommissie het bestuursorgaan binnen vier weken, nadat zij het bezwaarschrift heeft ontvangen, advies uit.
Ingevolge het tweede lid kan de commissie deze termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen, indien het redelijkerwijs niet mogelijk is advies binnen die termijn uit te brengen. De commissie doet van zodanige verlenging mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift en het bestuursorgaan.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, neemt het bestuursorgaan de beslissing op het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van die termijn.
Ingevolge artikel 27, tweede lid, bedraagt, indien het beroepschrift betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift, de termijn voor het indienen van een beroepschrift acht weken en gaat deze in op de dag, waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt tijdig op het bezwaarschrift te beslissen.
Ingevolge artikel 28, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt een beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard, indien het is ingediend, nadat de termijn is verstreken.
Ingevolge het derde lid blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.

2.

De minister betoogt dat het Gerecht het niet tijdig instellen van het beroep ten onrechte verschoonbaar heeft geacht.

2.1.

Dat betoog faalt. Bij brief van 12 december 2011 heeft de bezwaaradviescommissie aan de vreemdeling een mededeling, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Lar, gedaan. De minister diende derhalve binnen zestien weken na ontvangst van het bezwaarschrift op 10 november 2011, dat wil zeggen uiterlijk op 1 maart 2012 op het daarbij gemaakte bezwaar te beschikken.
Bij brief van 24 februari 2012, derhalve vóórdat de termijn, waarbinnen de minister op het bezwaarschrift diende te beschikken, was verlopen, heeft de bezwaaradviescommissie de vreemdeling bericht dat zij haar advies op die dag aan de minister heeft toegezonden en de minister binnen zes weken op het gemaakte bezwaar zal beschikken. Aan die brief heeft de vreemdeling het vertrouwen mogen ontlenen dat zijn bezwaarschrift in behandeling was en de minister daarop uiterlijk zes weken na 24 februari 2012, dat wil zeggen uiterlijk op 6 april 2012 zou beschikken. Weliswaar was die brief niet van de minister afkomstig, maar de voormelde wettelijke regeling brengt mee dat de bezwaarmaker af moet kunnen gaan op mededelingen van de commissie als waar het hier om gaat. Het Gerecht heeft met juistheid geoordeeld dat de vreemdeling het beroepschrift onder die omstandigheden zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden heeft ingediend.

3.

Het hoger beroep is ongegrond.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Martines

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2013

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,