Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:54

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
HLAR 58795/12
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is afgewezen aanvraag voor koffiehuisvergunning en restaurantvergunning. Een dergelijke vergunning wordt (o.a.) geweigerd indien een gegrond vermoeden bestaat dat de aanvrager niet de beschikking heeft over de lokaliteit waarvoor de vergunning wordt gevraagd. In de beschikking is niet gemotiveerd waarom Vinmar daaraan niet zou doen. Aldus is de beschikking ontoereikend gemotiveerd. Hoger beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 58795/12

Datum uitspraak: 28 juni 2013

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap Vinmar N.V., gevestigd in Sint Maarten,
appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 9 juli 2012 in zaak nr. Lar 023/2012, in het geding tussen:

Vinmar

en

de minister van Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie.

Procesverloop

Bij beschikking van 10 februari 2012 heeft de minister een aanvraag van Vinmar om verlening van een zogenoemde koffiehuisvergunning en restaurantvergunning A ten behoeve van de exploitatie van de lokaliteit La Bamba Beach Bar op het perceel Welfare Road 113, Cole Bay, Sint Maarten (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij uitspraak van 9 juli 2012 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) het door Vinmar daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft Vinmar hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2013, waar Vinmar, vertegenwoordigd door mrs. L.M.G. Dundas en B.G. Hofman, beiden advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door S.H.M. Ibrahim LL.M., advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 11 van de Vergunningslandsverordening geeft een koffiehuisvergunning de houder recht tot de verkoop in het klein van sterke drank, zowel voor gebruik ter plaatse, als voor gebruik elders en zwak-alcoholische of alcoholische drank en voor consumptie bestemd ijs of soortgelijk artikel voor gebruik ter plaatse
Ingevolge artikel 17, eerste lid, geeft een restaurantvergunning A de houder recht tot de verkoop in het klein van alcoholvrije drank, voor consumptie bestemd ijs of soortgelijk artikel en spijzen, die in een ter plaatse aanwezige keuken worden bereid, voor gebruik ter plaatse.
Ingevolge artikel 28, aanhef en onder o, wordt vergunning geweigerd, indien gegrond vermoeden bestaat dat de aanvrager over de lokaliteit, waarvoor de vergunning wordt gevraagd, niet de beschikking heeft.

2.

Vinmar betoogt dat het Gerecht, door te overwegen dat de minister terecht aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd dat een gegrond vermoeden bestaat dat zij niet de beschikking heeft over de lokaliteit waarvoor zij de vergunning vraagt, heeft miskend dat de daartoe gerechtigde naamloze vennootschap Tesi N.V. (hierna: Tesi) haar het perceel bij brieven van onderscheidenlijk 8 oktober 1990 en 3 maart 1992 voor de exploitatie van een koffiehuis en restaurant ter beschikking heeft gesteld. Ter toelichting wijst zij op verklaringen van de toenmalig directeur van Tesi en twee van zijn assistenten. Het Gerecht heeft ten onrechte betekenis toegekend aan de brief van Tesi aan het bestuurscollege van 11 september 2001. Uit de omstandigheid dat Tesi haar niet van het perceel heeft verwijderd, volgt dat het haar voor de exploitatie van een koffiehuis en restaurant ter beschikking staat, aldus Vinmar.

2.1.

Dat betoog slaagt. Het perceel is in eigendom aan het land. Het is tot 8 juni 2058 in erfpacht uitgegeven aan Tesi. Volgens de brief van 8 oktober 1990 staat Tesi Vinmar toe haar activiteiten daar, in afwachting van de bouw van een hotel, onder voorwaarden, voor twee jaar voort te zetten. Volgens de brief van 3 maart 1992 wordt Vinmar in verband met plannen van Tesi voor de bouw van het Sheraton Hotel en de Beach Club een voorkeursrecht verleend voor deelname aan het project, voor zover het de activiteiten van Westport Watersports betreft. Voorts is niet in geschil dat Vinmar de strandbar vanaf 1990 op het perceel heeft geëxploiteerd.
Aan de beschikking van 10 februari 2012 heeft de minister ten grondslag gelegd dat Vinmar bij haar aanvraag geen documenten heeft overgelegd ter bevestiging dat zij de beschikking over de lokaliteit heeft. Daarmee is in ieder geval niet gemotiveerd, waarom de door Vinmar gestelde en als zodanig niet bestreden omstandigheden onvoldoende grond geven voor het oordeel dat zij daarover de beschikking in even bedoelde zin heeft. Aldus is de beschikking ontoereikend gemotiveerd. Dat, zoals de minister stelt, Tesi bij brief van 11 september 2001 aan het bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten, naar aanleiding van een eerdere aanvraag van Vinmar om haar een koffiehuis- en restaurantvergunning te verlenen, heeft laten weten tegen verlening van zodanige vergunning bezwaar te hebben, omdat Vinmar zonder recht of titel van haar eigendommen gebruik maakt en zij doende is Vinmar ervan te verwijderen, biedt evenmin een toereikende motivering, nu Tesi sindsdien geen stappen heeft ondernomen om het gebruik van de lokaliteit door Vinmar te doen beëindigen.

3.

Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht zou behoren te doen, zal het Hof het door Vinmar tegen de beschikking van 10 februari 2012 ingestelde beroep gegrond verklaren en die beschikking vernietigen. De minister moet opnieuw op de aanvraag van Vinmar beschikken, thans met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.

De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 9 juli 2012 in zaak nr. Lar 023/2012;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de beschikking van de minister van Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie van 10 februari 2012;

V. veroordeelt de minister van Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie tot vergoeding aan Vinmar van de bij haar in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 2.800,00 (zegge: achtentwintighonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het land Sint Maarten aan Vinmar het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf 450,00 (zegge vierhonderdvijftig gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Martines

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2013

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,