Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:33

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
51003 – H-271/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid van advocaat. [B] is veroordeeld door het GEA tot betaling van een bedrag, tegen dit vonnis is geen beroep ingesteld. Deze zaak was eerst geroyeerd maar later opnieuw op de rol geplaatst. [c] heeft [b] hier niet van verwittigd en evenmin dat hij het GEA te kennen had gegeven dat hij ten onrechte als gemachtigde van [b] werd aangemerkt. [b] vordert verklaring voor recht dat [a] en [c] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [b] geleden schade als gevolg van de beroepsfout van [c]. Hof volhardt bij zijn conclusie dat [c] tot [a] in een relatie van ondergeschiktheid stond, [a] mag zich hierover uitlaten. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/487
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummers: 51003 – H-271/11 en (na voeging:) AR 309/05, H-176/08

Uitspraak: 4 oktober 2013

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak met registratienummer 51003 – H-271/11 van:

[a] sr.,

hierna te noemen: [a],

wonend in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde,

vervolgens gevoegde partij aan de zijde van gedaagde J.C.H. [c],

thans a,

gemachtigde: mr. M. Hofman,

tegen

[geïntimeerde],

hierna te noemen: [b],

wonend in de Verenigde Staten van Amerika,

oorspronkelijk eiser,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Snow,

en in de zaak met registratienummer AR 309/05, H-176/08 van:

[b],

hierna te noemen: [b],

wonend in de Verenigde Staten van Amerika,

oorspronkelijk eiser,

thans a in het principaal hoger beroep en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

gemachtigde: mr. J.G. Snow,

tegen

[a] sr.,

hierna te noemen: [a],

wonend in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep en a in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

gemachtigde: mr. M. Hofman,

en

[c],

hierna te noemen: [c],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep en a in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

gemachtigde: aanvankelijk mr. M.M. Hofman-Ruijgrok, thans geen.

1 Het verdere verloop van de procedures

in de zaak met registratienummer AR 309/05, H-176/08

1.1

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het Hof naar zijn vonnis van 16 juli 2009.

in de zaak met registratienummer 51003-H-271/11

1.2

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het Hof naar zijn vonnis van 29 juni 2012. Bij dat vonnis heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor, kort weergegeven, uitlating door [a] en [b] over de reden van het royement van de zaak betreffende de vordering van [b] op [a], uitlating door [a] en [b] over de vraag of zij verlangen dat de geroyeerde zaak opnieuw op de rol van het Hof wordt geplaatst, uitlating door [a], [b] en [c] over de wenselijkheid om de zaken te voegen, uitlating door [a] over het leveren van tegenbewijs en akte zijdens [a] en [b] als bedoeld in r.o. 3.3.

1.3

Ter rolle van 5 oktober 2012 heeft [a] een ‘akte uitlating na tussenvonnis’ en [b] een ‘akte houdende uitlating’ genomen. [c] heeft niet gediend.

1.4

Het Hof heeft volhard in hetgeen het heeft overwogen in r.o. 3.3 van zijn vonnis van 29 juni 2012 met betrekking tot de voeging van de geroyeerde zaak betreffende de vordering van [b] tegen [a] (met registratienummer AR 309/05; H-176/08) en de zaak betreffende de vordering van [b] tegen [c] (met registratienummer 51003-H-271/11).

1.5

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het Hof gaat uit van de volgende, als vaststaand aan te merken feiten.

i) Bij vonnis van 22 april 2003 heeft het GEA gedaagde [b] veroordeeld aan eiseres Gioia International Construction Company N.V. (hierna: Gioia) te betalen een bedrag van US$ 262.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 augustus 1995. Voorts heeft het GEA het gelegde beslag van waarde verklaard en [b] in de proceskosten veroordeeld. De dragende overweging die het GEA tot toewijzing van de vordering heeft gebracht, houdt in dat de vordering niet is tegengesproken. Onder 1 van zijn vonnis heeft het GEA vastgesteld dat gedaagde ([b]) niet voor antwoord heeft geconcludeerd, ook niet na daartoe peremptoir te zijn gesteld, en dat vervolgens vonnis is verzocht. De kop van het vonnis vermeldt bij de gemachtigde van [b]: ‘mr. [c] (gedesisteerd)’. Het vonnis is op tegenspraak gewezen.

ii) [c] en [a] waren ten tijde van het vonnis van 22 april 2003 advocaat te Sint Maarten. [c] was toen werkzaam op het advocatenkantoor van [a].

iii) Tegen het vonnis van 22 april 2003 is geen rechtsmiddel ingesteld.

iv) Gioia heeft aangekondigd tot executie van het vonnis van 22 april 2003 te zullen overgaan.

2.2 [

b] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [c] en [a] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem als gevolg van (zakelijk weergegeven:) de beroepsfout van [c] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, kosten rechtens.

in de zaak met registratienummer 51003-H-271/11

2.3

In het onderhavige hoger beroep (van [a] van het vonnis van 5 april 2011) ligt ter beoordeling voor de toewijsbaarheid van de vordering van [b] voor zover gericht tegen [c]. [b] heeft deze vordering gebaseerd op de stellingen dat [c] heeft verzuimd [b] ervan te verwittigen dat de zaak (met nummer AR 416/1995) die heeft geleid tot het vonnis van 22 april 2003 – nadat zij aanvankelijk was geappointeerd voor behandeling op 10 oktober 1995 en in 1998 was geroyeerd – op 27 augustus 2002 op de rol was geplaatst en dat [c] daarnaast heeft verzuimd [b] ervan op de hoogte te brengen dat hij zich op 14 januari 2003 namens [b] had gesteld en dat hij op 11 februari 2003 had gedesisteerd, terwijl [c] [b] evenmin op de hoogte heeft gebracht van het op 22 april 2003 gewezen vonnis. Hierdoor, en door het GEA niet op de hoogte te stellen van het werkelijke adres van [b], heeft [b] niet de mogelijkheid gehad om zich tegen de vordering van Gioia te verweren en de zaak tot een voor hem gunstig einde te brengen. [b] heeft zijn stelling onderbouwd door overlegging van een aan hem gerichte brief d.d. 21 december 1998 van [c] (en daaropvolgende correspondentie) en drie door hem ontvangen facturen d.d. 31 augustus 1998, 4 februari 1999 en 17 juni 1999 (producties 4-9 bij conclusie van repliek).

2.4

Ter betwisting van de stellingen van [b] heeft [a] aangevoerd dat in de zaak (met nummer AR 416/1995) die heeft geleid tot het vonnis van 22 april 2003 [c] zich niet, althans niet bewust, heeft gesteld als gemachtigde van [b], dat hij daartoe geen opdracht van [b] heeft ontvangen, dat hij mogelijk per abuis door de rolwaarnemer is genoemd als gemachtigde van [b] in die zaak, dat hij het GEA erop heeft gewezen dat hij ten onrechte als gemachtigde werd aangemerkt en dat het GEA daarop heeft aangetekend dat hij had gedesisteerd. [c] zelf heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn bemoeienis met de zaak die tot het vonnis van 22 april 2003 heeft geleid, minimaal is geweest en dat de door [b] overgelegde correspondentie en facturen uit 1998 en 1999 betrekking hebben op (advies)werkzaamheden die hij ([c]) ten behoeve van [b] heeft verricht in opdracht en in afwezigheid van zijn kantoorgenoot en directe meerdere, mr. Hoeksma, die de zaak in behandeling had. [c] heeft verder aangevoerd het aannemelijk te achten dat mr. Hoeksma, toen hij naar Nederland vertrok, [c] als gemachtigde heeft gesteld; zelf heeft hij daartoe nooit instructie gegeven en hij heeft het dossier ook nooit onder zijn feitelijk beheer of in zijn portfolio gehad.

2.5

Uit het hiervoor weergegeven partijdebat vloeit, als niet tussen partijen in geschil, het volgende voort. De onderhavige zaak is na in 1998 te zijn geroyeerd op 27 augustus 2002 opnieuw op de rol geplaatst. [c] was in deze zaak bij het GEA aanvankelijk bekend als de (enige) gemachtigde van [b], tot de rolzitting van 11 februari 2003 waar [c] heeft opgemerkt dat hij niet de gemachtigde van [b] was. [c] heeft [b] niet ervan verwittigd dat de zaak wederom op de rol was geplaatst. Evenmin heeft [c] [b] op de hoogte gebracht van het feit dat hij het GEA te kennen had gegeven dat hij ten onrechte als gemachtigde van [b] werd aangemerkt en dat het GEA daarop had aangetekend dat hij had gedesisteerd. [c] was bekend met de zaak en met [b]. In zijn brief aan [b] van 21 december 1998, met als opschrift ‘Re: Gioia International Construction NV’, geeft [c] ‘[f]urther to our meeting of December 9, 1998’ een ‘update’ en schetst hij de ‘possible scenarios, with a quotation of costs, to end this case’. Ook gaat hij specifiek in op de ‘law suit initiated by Gioia’ die tot het vonnis van 22 april 2003 heeft geleid. [c] sluit de brief als volgt af: ‘Please (…) inform me which solution you prefer. Of course I am willing to discuss this matter further and advise you accordingly’. De drie facturen hebben betrekking op ‘RE: S [b] / Gioia’, ‘Re: [b] / Gioia’ en ‘RE: [b] / Goia’; in twee facturen staat onderaan vermeld ‘JVDR’. In de kop van de brief en de facturen staan de gegevens van het advocatenkantoor van [a]. De brief en twee van de facturen vermelden als adres van [b]: [adres], Bevery, MA 01915 (USA).

2.6

Naar het oordeel van het Hof had [c] in de gegeven omstandigheden – als weergegeven in r.o. 2.1 onder i) en ii) en in r.o. 2.5 – [b] ervan op de hoogte moeten stellen dat de litigieuze zaak wederom op de rol was geplaatst en dat hij het GEA erop had gewezen ten onrechte als gemachtigde van [b] te worden aangemerkt, terwijl het voorts op zijn weg had gelegen [b] op de hoogte te brengen van het op 22 april 2003 gewezen vonnis. Door dit niet te doen heeft [c] niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Daartoe overweegt het Hof in het bijzonder dat [c], mede gelet op de (aard van de) eerdere contacten tussen hem en [b] met betrekking tot de zaak, rekening had behoren te houden met de mogelijkheid dat [b] in de veronderstelling verkeerde dat [c] (of een andere advocaat van het kantoor van [a]) zijn gemachtigde was of in ieder geval zijn belangen zou waarnemen. Voorts neemt het Hof daarbij in het bijzonder in aanmerking het stadium waarin de procedure zich bevond – [b] had niet voor antwoord geconcludeerd en er was vonnis verzocht – en dat [c] als advocaat moet worden geacht bekend te zijn geweest met de voor [b] mogelijk (zeer) nadelige gevolgen indien [b] – als gevolg van onbekendheid met de procedure – zich niet zou verweren tegen de vordering van Gioia, terwijl het [c] weinig tijd of geld zou hebben gekost om [b] te informeren als bedoeld. Daarbij betrekt het Hof ook regel 12, vierde lid, van de gedragsregels van de orde van advocaten van de Nederlandse Antillen, inhoudende dat een advocaat die zijn opdracht neerlegt desondanks, voor zover zulks in redelijkheid van hem kan worden gevergd, verplicht blijft tot het nemen van die maatregelen die nodig zijn om schade voor zijn cliënt te voorkomen. [c] heeft derhalve jegens [b] onrechtmatig gehandeld. Hetgeen [a] en [b] in dit verband verder nog hebben aangevoerd, kan aan dit oordeel niet afdoen.

2.7 [

a] heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat van aansprakelijkheid van [c] geen sprake kan zijn nu niet is gebleken van enige door [b] geleden schade, immers is bij het vonnis van 22 april 2003 de vordering van Gioia terecht toegewezen en heeft [b] de mogelijkheid om van dat vonnis in hoger beroep te gaan onbenut gelaten. Dit betoog miskent evenwel dat voor veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, wat betreft het element schade, niet meer is vereist dan dat de mogelijkheid van schade als gevolg van onrechtmatige daad aannemelijk is. Niet is vereist dat aannemelijk is dat daadwerkelijk schade is geleden. Reeds de omstandigheid dat de vordering van Gioia (volledig) is toegewezen (uitsluitend) omdat zij niet is weersproken, is naar het oordeel van het Hof voldoende om de mogelijkheid van schade, door [b] geleden als gevolg van het handelen van [c], aannemelijk te achten.

2.8

Aan hetgeen [a] omtrent de toerekenbaarheid van de schade aan [c] heeft aangevoerd, gaat het Hof voorbij aangezien [a] deze stelling eerst bij pleidooi in hoger beroep heeft betrokken en [b] daarop niet heeft kunnen reageren.

2.9

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep, voor zover het ziet op de verklaring voor recht ter zake van de aansprakelijkheid van [c], geen doel treft en dat het vonnis van 5 april 2011 zal worden bevestigd, met dien verstande dat een dergelijke verklaring, zoals [a] terecht heeft aangevoerd, zich niet leent voor uitvoerverklaring bij voorraad. Het Hof ziet aanleiding de beslissing met betrekking tot de proceskosten in hoger beroep aan te houden, totdat over de zaak met nummer AR 309/05, H-176/08 zal zijn beslist.

in de zaak met registratienummer AR 309/05, H-176/08

2.10 [

b], [a] en [c] zullen in de gelegenheid worden gesteld in deze thans wederom op de rol van het Hof geplaatste zaak een akte te nemen.

2.11

Het Hof volhardt bij zijn conclusie in r.o. 3.4 van het vonnis van 16 juli 2009 dat voorshands is bewezen dat [c] tot [a] in een relatie van ondergeschiktheid stond. [a] mag tegenbewijs leveren. Hij zal in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het door hem te leveren tegenbewijs.

2.12

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

in de zaak met registratienummer 51003-H-271/11

bevestigt het vonnis van 5 april 2011, met uitzondering van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verklaring voor recht;

houdt de beslissing met betrekking tot de proceskosten in hoger beroep aan, totdat over de zaak met nummer AR 309/05, H-176/08 zal zijn beslist;

in de zaak met registratienummer AR 309/05, H-176/08

verwijst de zaak naar de rolzitting van het Hof in Sint Maarten van 8 november 2013 voor:

- akte zijdens [b], [a] en [c], als bedoeld in r.o. 2.10;

- uitlating door [a] over het door hem te leveren tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte omstandigheid dat [c] tot [a] in een relatie van ondergeschiktheid stond, als bedoeld in r.o. 2.11;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, H.J. van Kooten en S. Verheijen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 4 oktober 2013.