Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:32

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
HAR 168/13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bonairiaanse zaak. Het verzoek om in aanmerking te komen voor vreemdelingengratie valt buiten het kader van dit strafvorderlijk kort geding. Het verzochte gebod dient als prematuur te worden beschouwd er is immers geen afwijzende beschikking. Op de BES-eilanden bestaat (nog) geen beleid ter zake van voorwaardelijke invrijheidstelling voor vreemdelingen. Voor toepassing van de regeling op Curaçao bestaan thans geen termen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum beschikking: 18 oktober 2013

Nummer: HAR 168/13

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

gegeven op het verzoek ex artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering BES (hierna: SvBES) van:

[verzoeker],

geboren op [datum] 1982 in Venezuela,

thans gedetineerd op Bonaire,

hierna te noemen: verzoeker.

1 Procesgang en onderzoek van de zaak

1.1

Ter griffie van het Gerecht van eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, is op 17 september 2013 een verzoekschrift ingekomen dat ertoe strekt, zakelijk weergegeven, dat het Hof de Minister van Veiligheid en Justitie zal gebieden om aan verzoeker een document uit te reiken inhoudende een nieuwe berekening van zijn straf overeenkomstig de straf die verzoeker zou hebben te ondergaan indien hij in Curaçao zou zijn gedetineerd (dus met inachtneming van buitenlandergratie), dan wel inhoudende een nieuwe berekening van zijn straf overeenkomstig de straf die verzoeker zou hebben te ondergaan indien hij de Nederlandse nationaliteit zou bezitten, een en ander onder verbeurte van een in goede justitie te bepalen dwangsom voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de Staat der Nederlanden in gebreke zou blijven aan het rechterlijk gebod te voldoen.

1.2

Het verzoek is door het Hof behandeld in raadkamer van 15 oktober 2013, door middel van een video conference met verbinding tussen Curaçao, Bonaire en Nederland. Verschenen en gehoord zijn verzoeker en diens gemachtigde, mr. M. Bijkerk (op Bonaire), de (waarnemend) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans (in Curaçao), en de landsadvocaat, mr. A.Th.M. ten Broeke (in Nederland). Aan de zijde van de Minister van Veiligheid en Justitie zijn tevens verschenen mrs. M. Horstink en S. van de Nadort (in Nederland), beiden werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De procureur-generaal heeft een op schrift gestelde reactie op het verzoekschrift overgelegd. De landsadvocaat heeft – door tussenkomst van de procureur-generaal – een pleitnota overgelegd. De gemachtigde van verzoeker heeft de reactie en de pleitnota op voorhand ontvangen.

1.3

Het Hof heeft een beschikking aangezegd die heden wordt gegeven.

2 Feiten

2.1

Bij vonnis van het Hof van 20 december 2012 is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Dit vonnis is onherroepelijk.

2.2

Bij brief van 4 maart 2013 heeft mr. Bijkerk, namens enkele (niet bij naam genoemde) buitenlandse gedetineerden in de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland (JICN), de directeur van de JICN om informatie verzocht omtrent buitenlandergratie en voorwaardelijke invrijheidstelling voor buitenlandse gedetineerden.

2.3

Bij brief van 3 april 2013 heeft mr. Horstink, namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, op de brief van 4 maart 2013 gereageerd. Op de vraag van mr. Bijkerk met betrekking tot voorwaardelijke invrijheidstelling voor buitenlandse gedetineerden heeft zij gemotiveerd geantwoord, kort weergegeven, dat veroordeelden zonder geldige verblijfstitel en geldig legitimatiebewijs niet voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komen.

3 Beoordeling

3.1

Ingevolge artikel 43 lid 1 SvBES kan in alle gevallen waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof strekt deze bepaling zich mede uit over de executiefase van een opgelegde gevangenisstraf.

3.2

Naar het oordeel van het Hof doet zich niet de situatie voor dat het in het belang van een goede strafrechtsbedeling dringend noodzakelijk is dat de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) een gebod wordt opgelegd als verzocht. Daartoe overweegt het Hof het volgende. Op de voet van het bepaalde in artikel 18 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht BES kan de Minister een tot gevangenisstraf veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid stellen wanneer twee derden van de opgelegde gevangenisstraf zijn verstreken. Dit betekent voor verzoeker dat hij eerst in augustus 2015 daarvoor in aanmerking zou kunnen komen. Volgens verzoeker is dit de reden waarom hij de Minister (nog) niet heeft verzocht hem voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Van een afwijzende beschikking waarbij de Minister weigert verzoeker voorwaardelijk in vrijheid te stellen is geen sprake. De brief van 3 april 2013, waarin in algemene termen antwoord wordt gegeven op een vraag omtrent voorwaardelijke invrijheidstelling voor buitenlandse gedetineerden, kan niet als een zodanige weigering worden opgevat. Het verzochte gebod moet daarom als prematuur worden beschouwd. Een en ander brengt tevens mee dat een door verzoeker beoogde en zogenoemde principe-uitspraak van het Hof buiten het kader van dit strafvorderlijk kort geding valt.

3.3

Voor zover verzoeker betoogt dat bedoelde principe-uitspraak dringend noodzakelijk is met het oog op de onrust in het huis van bewaring op Bonaire (JICN), volgt het Hof hem daarin evenmin. Immers valt niet zonder meer in te zien hoe het verzochte gebod, dat uitsluitend betrekking heeft op de aan verzoeker opgelegde gevangenisstraf, kan leiden tot het wegnemen van die onrust. Het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling pleegt door de Minister van geval tot geval te worden beoordeeld. Op de BES-eilanden bestaat (nog) geen beleid ter zake van voorwaardelijke invrijheidstelling voor vreemdelingen. Overigens is niet komen vast te staan dat verzoeker een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft bij het wegnemen van bedoelde onrust; de enkele omstandigheid dat hij in het huis van bewaring op Bonaire is gedetineerd, is daarvoor onvoldoende.

3.4

Voor zover het verzoek inhoudt dat de aan verzoeker opgelegde gevangenisstraf opnieuw wordt berekend aan de hand van de in Curaçao geldende regeling van vreemdelingengratie, wordt miskend dat verzoeker door het Hof is veroordeeld onder toepassing van het Wetboek van Strafrecht BES voor op 13 april 2012 op Bonaire gepleegde feiten. Na de staatkundige veranderingen van 10 oktober 2010 heeft de Nederlands Antilliaanse regeling van vreemdelingengratie haar gelding voor Curaçao behouden, maar voor de BES-eilanden verloren. Voor toepassing van die regeling op het geval van verzoeker bestaan thans geen termen. Overigens zou verzoeker daaraan geen aanspraak op vreemdelingengratie kunnen ontlenen, aangezien voor de toepassing daarvan is vereist dat een gevangenisstraf van minder dan vijf jaar is opgelegd.

3.5

Voor een door de procureur-generaal verzochte kostenveroordeling is blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van (de Nederlands Antilliaanse voorloper van) artikel 43 SvBES in een strafvorderlijk kort geding geen plaats.

3.6

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

B E S L I S SI N G

Het Hof:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. van Kooten, E.M. van der Bunt en S. Verheijen, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier in Curaçao uitgesproken op 18 oktober 2013.