Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:29

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
AR 37380 - H 118/12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of dwangsommen zijn verschuldigd. Hof oordeelt, anders dan het GEA dat dit het geval is en verklaart dat geïntimeerde NAF 100.000,- aan dwangsommen verschuldigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 37380 - H 118/12

Uitspraak: 10 september 2013

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de stichting Stichting Johannes Bosco,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres in reconventie,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. M.F. Murray en J.G.J. Schelling,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk verweerder in reconventie,

thans geïntimeerde,

thans in persoon procederende.

Partijen worden hierna de stichting en [geintimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen voor 28 november 2011 is gesteld en verzocht, voor de procesgang en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA) en het Hof wordt verwezen naar de tussen partijen in deze zaak gewezen vonnissen van 10 augustus 2009 (GEA), 8 maart 2011 (Hof) en 28 november 2011(GEA). De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

1.2

De stichting is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 28 november 2011 door indiening op 29 november 2011 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep. Op 10 januari 2012 heeft de stichting een memorie van grieven ingediend waarbij vier grieven zijn voorgedragen en toegelicht. De stichting heeft in de memorie geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de stichting zal toewijzen met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3 [

geintimeerde] heeft op 26 maart 2012 een memorie van antwoord ingediend waarin hij heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, kosten rechtens.

1.4

Op de daarvoor bepaalde dag hebben partijen een pleitnota overgelegd.

1.5

Vonnis is (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

Het Hof gaat uit van de feiten, zoals deze zijn vastgesteld door het GEA in zijn vonnis van 10 augustus 2009 en zijn aangevuld door het Hof in het vonnis van 8 maart 2011.

3 De beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om de vraag of [geintimeerde] aan de stichting dwangsommen is verschuldigd omdat hij zich niet heeft gehouden aan het verbod en het bevel, zoals omschreven in het vonnis in kort geding van het Hof van 4 april 2000. Het GEA heeft in het vonnis van 10 augustus 2009 geoordeeld dat de dwangsommen waren verjaard. Dit vonnis is bij het vonnis van het Hof van 8 maart 2011 vernietigd. Het Hof heeft daarbij overwogen dat ingevolge het overgangsrecht de (nieuwe) regel van artikel 611g Rv niet van toepassing is op de onderhavige dwangsommen, nu artikel 22 van de Landsverordening houdende het overgangsrecht van 15 maart 2001 (P.B. 2001, no.26), zoals gewijzigd, bepaalt dat het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van dwangsommen slechts van toepassing is, indien zij worden verschuldigd op grond van een na haar inwerkingtreding uitgesproken veroordeling. Het Hof heeft vervolgens, omdat het GEA aan een materiële beoordeling van de op de dwangsommen betrekking hebbende vorderingen niet was toegekomen, de zaak naar het GEA terugverwezen. In het vonnis van 28 november 2011 heeft het GEA de vorderingen in reconventie van de stichting andermaal afgewezen, daarbij (kort samengevat) overwegende dat indien al zou komen vast te staan dat [geintimeerde] niet zou hebben voldaan aan de bevelen, zoals omschreven in het vonnis van 4 april 2000, de stichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen onverkorte aanspraak op de in dat kader (het Hof begrijpt:) verbeurde dwangsommen kan maken, nu meer dan elf jaar na dat vonnis zijn verstreken en niet gebleken is dat de stichting van het niet naleven van de veroordelingen enig nadeel heeft ondervonden, noch dat de stichting bij het alsnog uitvoeren van de daarin gegeven bevelen, belang zou hebben. Het GEA heeft op grond daarvan de dwangsommen, voor zover zij zijn verbeurd, gematigd tot nihil.

3.2

In de toelichting op haar vierde grief merkt de stichting terecht op dat, zoals het Hof ook al heeft overwogen in het vonnis van 8 maart 2011 omtrent de in 2005 ingevoerde bepalingen met betrekking tot de dwangsom, waaronder ook de in artikel 611d lid 2 Rv omschreven matigingsbevoegdheid van de rechter, op deze zaak niet van toepassing zijn. Voor zover het GEA zijn beslissing om de dwangsommen te matigen heeft gebaseerd op dit artikel, heeft het dit ten onrechte gedaan. Echter ook indien de beslissing (uitsluitend) is gebaseerd op het bepaalde in artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek, kan deze niet in stand blijven. Door de stichting is in hoger beroep (door [geintimeerde] onweersproken) aangevoerd dat zij wel degelijk is overgegaan tot verkaveling en dat de ontwikkeling van de rondom de zoutpan gelegen kavels niet heeft kunnen plaatsvinden doordat [geintimeerde] het verder uitvoeren van de geplande werkzaamheden heeft belemmerd of gehinderd. Bovendien kan uit de omstandigheid dat de stichting in de periode na 2000 geen verkavelingshandelingen heeft verricht (voor zover daarvan al sprake is) niet worden opgemaakt dat zij bij het opleggen en, bij het niet voldoen aan het verbod en het bevel, zoals vermeld in het vonnis van 4 april 2000 door [geintimeerde], het incasseren van verbeurde dwangsommen geen belang had. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de verbeurte van de dwangsommen in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen leidt. De grief slaagt dan ook.

3.3

Het slagen van grief IV betekent dat de stichting bij de behandeling van de grieven II en III geen belang meer heeft en dat zal moeten worden beoordeeld of, zoals de stichting stelt en [geintimeerde] betwist, [geintimeerde] niet heeft voldaan aan het verbod en het bevel, vermeld in het vonnis van 4 april 2000. In dat vonnis heeft het Hof [geintimeerde]:

a. verboden om met ingang van twee weken na betekening van dat vonnis containers en bouwmaterialen te plaatsen of op te slaan of bouwwerkzaamheden te verrichten op het terrein dat de stichting in eigendom of in bezit heeft en

b. bevolen om binnen twee weken na de betekening van dat vonnis af te breken en te verwijderen het prieel en al hetgeen hij heeft gebouwd, geplaatst of aangebracht op het terrein dat de stichting in eigendom en in bezit heeft. Betekening van voormeld vonnis heeft plaatsgevonden op 14 april 2000.

3.4

De bewijslast van de stelling dat [geintimeerde] in strijd heeft gehandeld met voormeld verbod en voormeld bevel rust op de stichting. Bij proces-verbaal van 8 mei 2006 heeft toegevoegd aspirant deurwaarder Raphaela, werkzaam ten kantore van deurwaarder Bazur, geconstateerd dat aan het perceel Brakkeput Ariba [ ] een garage is gebouwd, bij de ingang van het terrein een prieeltje is geplaatst, er een afdakje aan de waterkant is aangebracht en dat olievaten en pallets op het terrein zijn geplaatst. Volgens de stichting behoort de grond waarop de garage, het prieeltje en het afdakje zijn gebouwd en die waarop de olievaten en de pallets staan haar in eigendom toe. Het Hof begrijpt uit de memorie van antwoord dat [geintimeerde] dit erkent. Volgens [geintimeerde] huurt hij deze grond “van rechtswege” van de stichting. Dit betekent dat tussen partijen in deze procedure vast staat dat de garage, het prieeltje en het afdakje zijn gebouwd en de vaten en de pallets zijn geplaatst op terrein dat de stichting in eigendom heeft. Voorts staat, als door de stichting gesteld en door [geintimeerde] niet betwist, in deze procedure tussen partijen vast dat de vaten en de pallets zijn te beschouwen als bouwmaterialen.

3.5

Partijen verschillen van mening over de vraag of de garage, het prieeltje en het afdakje zijn gebouwd en de vaten en de pallets zijn geplaatst voor of na 28 april 2000, de datum waarop het in het vonnis van 4 april 2000 bedoelde verbod inging en de termijn, waarbinnen aan het in dat vonnis bedoelde bevel moest zijn voldaan, eindigde. De stichting stelt dat [geintimeerde] heeft nagelaten het prieel en de overige bouwsels te verwijderen. [geintimeerde] van zijn kant voert aan dat hij aan het bevel tot verwijdering van het prieel en al hetgeen hij heeft gebouwd, heeft voldaan en dat hij later de garage, het prieeltje en het afdak heeft gebouwd en de vaten en de pallets heeft opgeslagen op de door hem “van rechtswege” van de stichting gehuurde grond.

3.6

Nu de bewijslast van de stelling dat [geintimeerde] in strijd heeft gehandeld met zowel het bevel als het verbod op de stichting rust, de stichting op dit punt geen bewijs heeft aangeboden en het Hof geen aanleiding ziet haar ambtshalve met dit bewijs te belasten, zal het Hof uitgaan van de lezing van [geintimeerde] dat de garage, het prieeltje en het afdak na 28 april 2000 zijn gebouwd en dat de vaten en de pallets na die datum zijn opgeslagen. Anders dan [geintimeerde] kennelijk meent, heeft hij hiermee in strijd gehandeld met het in het vonnis van 4 april 2000 gegeven verbod. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van [geintimeerde] dat tussen partijen “van rechtswege” een huurovereenkomst tot stand gekomen is. Een redelijke uitleg van het verbod brengt mee dat het [geintimeerde] is verboden om te bouwen of op te slaan op grond die de stichting in eigendom heeft en die niet krachtens huur bij hem in gebruik is. Blijkens het vonnis van 4 april 2000 was toen van een huurrelatie tussen partijen geen sprake. Op welke grondslag het door hem gestelde, later verkregen, huurrecht is gebaseerd, heeft [geintimeerde] niet toegelicht. Het Hof gaat er dan ook van uit dat gebouwd en opgeslagen is op terrein dat de stichting in eigendom heeft en dat was uitdrukkelijk aan [geintimeerde] verboden, op straffe van een dwangsom van NAF. 500,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat hij dat verbod niet nakwam, met een maximum van NAF. 100.000,-. Nu niet gesteld of gebleken is dat de garage, het prieeltje, het afdak en de vaten en de pallets korter dan 200 dagen op de grond van de stichting hebben gestaan, is [geintimeerde] door in strijd te handelen met het verbod dwangsommen verschuldigd tot het door het Hof bepaalde maximum van NAF. 100.000,-. Dit betekent dat ook grief I slaagt.

3.7

Ten aanzien van hetgeen overigens door deurwaarder Raphaela is geconstateerd (planten in potten en wortelvast in de grond en er is een glijbaan aanwezig) voert [geintimeerde] als verweer aan dat de planten niet zijn eigendom zijn en dat de glijbaan zich in het water en dus niet op het terrein van de stichting bevindt. De stichting heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de planten en de glijbaan al op 28 april 2000 ter plaatse aanwezig waren. Dit betekent dat uit de constatering van de deurwaarder niet kan worden opgemaakt dat [geintimeerde] (ook) in strijd heeft gehandeld met het in het vonnis van 4 april 2000 gegeven bevel. Ook de overige door de stichting aan het adres van [geintimeerde] gerichte verwijten ([geintimeerde] is in 2007 bouwwerkzaamheden gestart) wijzen niet op een overtreding van het aan [geintimeerde] gegeven bevel.

3.8

In hoger beroep stelt de stichting in de toelichting op grief II wel dat [geintimeerde] zelf toegeeft dat hij niet aan het bevel heeft voldaan. De stichting wijst daarbij op een overweging in een door het Hof op 16 januari 2006 gewezen vonnis in kort geding, waarin is overwogen dat [geintimeerde] niet heeft betwist dat hij (niet geheel) heeft voldaan aan de (het) hem opgelegd(e) bevel(en). Anders dan de stichting kennelijk meent, komt aan deze overweging echter geen bindende rechtskracht toe, nu zij is gegeven in een procedure in kort geding en blijkens het bepaalde in artikel 229 Rv beslissingen bij voorraad niet ten nadele van de zaak ten principale strekken. Dat [geintimeerde] in eerste aanleg heeft erkend dat hij aan het gegeven bevel niet heeft voldaan, kan het Hof uit de stukken niet opmaken. Reeds in de conclusie van antwoord in reconventie heeft [geintimeerde] aangegeven dat hij het prieel direct heeft verwijderd en opnieuw opgebouwd boven het waterkavel.

3.9

Het voorgaande betekent dat de vordering van de stichting om voor recht te verklaren dat [geintimeerde] dwangsommen verschuldigd is, toewijsbaar is, voor zover het betreft een bedrag van NAF. 100.000,-. Voor het overige zal deze vordering worden afgewezen. Voor een veroordeling van [geintimeerde] om vorenbedoeld bedrag aan de stichting te voldoen, bestaat geen aanleiding, omdat de stichting met het vonnis van 4 april 2000 reeds beschikt over een executoriale titel op grond van het bepaalde in artikel 491b (oud) Rv. Dit deel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar.

3.10

In de omstandigheid dat beide partijen deels in het ongelijk gesteld worden, ziet het Hof aanleiding om de kosten van deze procedure, voor zover het de procedure in reconventie betreft, te compenseren.

BESLISSING

Het Hof:

- vernietigt het bestreden vonnis;

- verklaart voor recht dat [geintimeerde] in verband met overtreding van het hem in het vonnis van het Hof van 4 april 2000 opgelegde verbod een bedrag van NAF. 100.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd verschuldigd is;

- compenseert de kosten van deze procedure, voor zover het de procedure in reconventie betreft, zo dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, J.P. de Haan en H.J van Kooten, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 10 september 2013.