Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:26

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
63707 H 255/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek tot enquête en verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Naar voorlopig oordeel van het Hof zijn er gegronde redenen om aan een juist beleid bij Adelisia te twijfelen en acht het Hof onverwijlde benoeming van een tijdelijk bestuurder met doorslaggevende stem geboden. Beslissing op verzoek tot enquête wordt aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2013/150
JONDR 2013/1167
OR-Updates.nl 2013-0355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum beschikking: 25 september 2013

Registratienummer: 63707 H 255/13

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Beschikking in de zaak van:

1 [verzoeker sub 1](hierna: [verzoeker sub 1]),

wonend in Curaçao,

2. [verzoeker sub 2](hierna: [verzoeker sub 2]),

wonend in Curaçao,

verzoekers,

gemachtigden: mrs. C. de Bres en R.E. Blaauw,

tegen:

de naamloze vennootschap

ADELISIA RESORT N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

hierna te noemen: Adelisia,

gemachtigden: mrs. M.F. Bonapart en K.C. Wilsoe,

met als belanghebbenden:

1 [belanghebbende sub 1] (hierna: [belanghebbende sub 1]),

wonend in Curaçao,

2. [ belanghebbende sub 2] (hierna: [belanghebbende sub 2]),

wonend in Curaçao,

3. [ belanghebende sub 3] (hierna: [belanghebbende sub 3]),

wonend in Nederland,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel,

en

4. [ belanghebbende sub 4] (hierna: [belanghebbende sub 4]),

wonend in de Verenigde Staten,

gemachtigde: mr. B. Nagelmakers.

1. Verloop van de procedure

1.1

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 16 juli 2013, met dertien producties, hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] een verzoek tot enquête ex artikel 2:271 BW en een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 2:276 BW gedaan. Het verzoek tot enquête strekt ertoe dat het Hof een of meer onderzoekers zal benoemen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij Adelisia vanaf 1 januari 2013. De verzochte voorlopige voorzieningen zijn (i) benoeming van een tijdelijk bestuurder met doorslaggevende stem, (ii) schorsing van mr. [H] (hierna: [H]) als huidige bestuurder van Adelisia, (iii) ontneming van het stemrecht verbonden aan de aandelen van [belanghebbende sub 1] in het kapitaal van Adelisia en (iv) zodanig andere voorlopige voorziening als het Hof geraden acht.

1.2

Bij brief van 9 augustus 2013 hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] een veertiende productie overgelegd.

1.3

Op 6 september 2013 heeft Adelisia een verweerschrift ingediend en bij brief van 190 september 2013 eenendertig producties. Op 6 september 2013 hebben [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

1.4

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2013. Verschenen zijn [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] bijgestaan door hun gemachtigde mr. De Bres, Adelisia bij haar haar gemachtigden vergezeld door [H], [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] bijgestaan door hun gemachtigde, en [belanghebbende sub 4] bij haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten naar voren gebracht en toegelicht, alle aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Ook zijn vragen van het Hof beantwoord. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

1.5

Beschikking is aangezegd, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. Feiten

2.1

Adelisia is een naamloze vennootschap naar het recht van Curaçao, opgericht op 16 oktober 1998. De vennootschap is opgericht door enkele leden van de familie [ ], met als doel, onder meer, de verkaveling en ontwikkeling van gronden te Brakkeput Abou in Curaçao. De desbetreffende gronden behoren tot de onverdeelde nalatenschap van de familie [ ].

2.2

De oorspronkelijke aandeelhouders waren [belanghebbende sub 4] en haar broers [belanghebbende sub 1] en [R] (hierna: [R]). Na [R]s overlijden zijn diens aandelen (voor gelijke delen) verkregen door zijn kinderen: [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [belanghebbende sub 3] en [belanghebbende sub 2]. Het geplaatste kapitaal van Adelisia van NAF. 6.500.000,- is verdeeld in 2600 aandelen met een nominale waarde van NAF. 2.500,-. De verdeling van de aandelen is al volgt: [belanghebbende sub 1] houdt 876 aandelen, [belanghebbende sub 4] 820 aandelen, [belanghebbende sub 2] 205 aandelen, [verzoeker sub 2] 205 aandelen, [verzoeker sub 1] 205 aandelen, [belanghebbende sub 3] 205 aandelen en Adelisia zelf 84 aandelen (zonder stemrecht).

2.3

Uit het als productie 1 bij het verzoekschrift overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [H] als enig bestuurder van Adelisia staat ingeschreven. Daarvóór, vanaf 2007, trad [M] op als bestuurder van Adelisia, eerst als waarnemend bestuurder en later met een formele benoeming in augustus 2007. [M] is op 7 april 2013 afgetreden. In 2006 is [R] enkele maanden in functie geweest als bestuurder. In de periode 2002 tot en met 2006 was [L] bestuurder van Adelisia. In de eerste vier jaren na de oprichting, van 1998 tot en met 2002, was dat [belanghebbende sub 1].

2.4

Er is geen raad van commissarissen ingesteld bij Adelisia.

3. Beoordeling

3.1

Zowel Adelisia als [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] hebben het verweer gevoerd dat [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in het verzoek tot enquête omdat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:273 BW.

3.2

Dit verweer, dat overigens alleen de vennootschap toekomt (en niet [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] als belanghebbenden), wordt verworpen. Artikel 2:273 BW strekt ertoe dat de betrokken rechtspersoon niet onverhoeds met een enquêteverzoek wordt geconfronteerd en voldoende gelegenheid heeft gekregen de bestaande bezwaren te onderzoeken en, zo mogelijk, maatregelen te nemen om daaraan tegemoet te komen. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben er bezwaar tegen dat [H] als bestuurder is benoemd van Adelisia en betwisten de rechtsgeldigheid van die benoeming. Gelet op de gang van zaken rond de aandeelhoudersvergaderingen van 21 mei 2013 en 3 juni 2013, zoals blijkt uit de overgelegde stukken en de door partijen tijdens de behandeling gegeven toelichting, waarin deze benoeming aan de orde was, was dit bezwaar kenbaar voor de vennootschap. Aan de strekking van artikel 2:273 BW is daarmee voldaan. Adelisia heeft eerst tijdens de behandeling gesteld dat [H] de e-mail van 4 juni 2013 (productie 4 bij het verzoekschrift) niet heeft ontvangen, zodat het Hof daaraan voorbij gaat op grond van de eisen van een goede procesorde.

3.3

Zoals het Hof eerder heeft overwogen (Hof 29 juni 2012, rov. 3.3, www.rechtspraak.nl: BX0420, en Hof 29 mei 2013, rov. 3.1, www.rechtspraak.nl: CA3152), stelt het Hof bij de beoordeling van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen voorop dat in dit stadium van het geding (voordat op het verzoek tot het doen instellen van een onderzoek is beslist) van deze, in artikel 2:276 BW aan het Hof gegeven bevoegdheid slechts met de nodige terughoudendheid gebruik kan worden gemaakt, indien daartoe – in verband met de toestand van de rechtspersoon (of in het belang van het eventuele onderzoek) – voldoende zwaarwegende redenen bestaan. In de eerste plaats moet daarbij zijn komen vast te staan dat, in dit geval, het belang van [verzoeker sub 1] of [verzoeker sub 2] en/of het belang van Adelisia vereist dat de desbetreffende voorlopige voorziening(en) wordt of worden getroffen, terwijl tevens voorlopig moet zijn gebleken van gegronde redenen om aan een juist beleid van Adelisia te twijfelen. Voorts zal het Hof voldoende rekening moeten houden met, en een billijke afweging moeten maken van, de belangen van alle (ook de andere) betrokken partijen.

3.4

Duidelijk is dat er na de benoeming van [H] als bestuurder van Adelisia een impasse is ontstaan. Daarbij staan [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3], die [H] hebben benoemd, en die gezamenlijk ruim 51 procent van de aandelen houden, tegenover [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [belanghebbende sub 4]. Niet alleen [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2], maar ook [belanghebbende sub 4] heeft er bezwaar tegen dat [H] als bestuurder is benoemd van Adelisia en betwist de rechtsgeldigheid van die benoeming. Zij steunt [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] in hun verzoeken in deze enquêteprocedure. De rekeningen van Adelisia bij MCB zijn geblokkeerd door MCB, nadat de gemachtigde van [belanghebbende sub 4] bij e-mail van 27 juni 2013 MCB had geschreven dat de benoeming van [H] ongeldig is. MCB heeft [H] bericht dat zij de rekeningen geblokkeerd houdt omdat zij niet in de discussie tussen partijen wil treden.

3.5

Het voornemen bestond om Adelisia na afronding van de ontwikkelingswerkzaamheden te liquideren en de winst uit te keren aan de aandeelhouders. De streefdatum daarvoor was december 2014. Mede door de huidige impasse worden de resterende werkzaamheden niet verricht, waaronder het verkopen en leveren van kavels, het innen van vorderingen op debiteuren en het overdragen van de wegen en rooien aan het Land Curaçao.

3.6

Verder kan Adelisia, doordat haar rekeningen bij MCB zijn geblokkeerd, haar financiële verplichtingen niet voldoen, zoals (onder meer) betaling van salarissen en de facturen van Aqualectra. Adelisia verbeurt op dit moment ook reeds boetes bij de belastingdienst en SVB. Een ander voorbeeld van de verlammende werking van de blokkade van de bankrekeningen van Adelisia is dat een koper van een perceel bij Adelisia niet kan bouwen, omdat Adelisia de deskundige, die eerst moet nagegaan of de bouwtekeningen van de koper voldoen aan de welstandsbepalingen, niet kan betalen.

3.7

Ook schiet Adelisia tekort in haar verplichtingen ten opzichte van de bewoners van het verkavelingsplan. Zo heeft het verkavelingsplan Adelisia thans geen straatverlichting. Anderzijds schiet Adelisia ook tekort in haar toezicht op de naleving van de voorschriften van het verkavelingsplan door de bewoners. Genoemd is in dit verband onder meer dat woningen niet tijdig worden afgebouwd.

3.8

Reeds gelet op het voorgaande zijn er naar het voorlopig oordeel van het Hof gegronde redenen om aan een juist beleid bij Adelisia te twijfelen en zijn er voldoende zwaarwegende redenen om een voorlopige voorziening te treffen. In het belang van Adelisia acht het Hof – onverwijlde – benoeming van een tijdelijk bestuurder met doorslaggevende stem geboden. Gelet op de belangen van partijen om uit de impasse te komen, leidt een belangenafweging niet tot een andere uitkomst.

3.9

Voor de overige verzochte voorlopige voorzieningen ziet het Hof, met inachtneming van de te betrachten terughoudendheid (zie hiervoor rov. 3.3) thans geen aanle[belanghebbende sub 4]ng, mede in aanmerking genomen dat het Hof een tijdelijk bestuurder met doorslaggevende stem zal benoemen. Hier komt bij dat, zoals [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] zelf hebben opgemerkt, de gestelde formele gebreken in de besluitvorming voor de benoeming van [H] als bestuurder van Adelisia, indien bestaand, betrekkelijk eenvoudig kunnen worden geheeld. Adelisia heeft gesteld dat eventuele gebreken zijn geheeld op een aandeelhoudersvergadering van 31 juli 2013 (verweerschrift, punt 21). Verder kan er niet bij voorbaat van worden uitgegaan dat doordat [H] een kantoorgenoot is van mr. Knoppel, die [belanghebbende sub 1] bijstaat als advocaat, hij zijn taak als bestuurder niet naar behoren zal vervullen.

3.10

Rekening houdend met de vereiste spoed bij een beslissing op het verzoek om voorlopige voorzieningen, zal het Hof de beslissing op verzoek tot enquête in deze beschikking aanhouden. Bovendien heeft het Hof behoefte aan nadere inlichtingen wat betreft de periode waarover en de onderwerpen waarnaar onderzoek bij Adelisia zou moeten plaatsvinden. Alle partijen achten het wenselijk dat er onderzoek zal plaatsvinden – klaarblijkelijk met het oog op voorgenomen liquidatie van de vennootschap en de verdeling van de uit te keren winst –, met dien verstande dat Adelisia en [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] zich primair op het standpunt stellen dat Adelisia dit onderzoek zelf kan laten verrichten, en dat het niet nodig is dat dit in het kader van deze enquêteprocedure geschiedt. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben in het verzoekschrift verzocht dat onderzoek zal plaatsvinden vanaf 1 januari 2013. Adelisia heeft in haar verweerschrift verzocht om, mocht het Hof van oordeel zijn dat een enquête moet worden bevolen, bij het onderzoek minstens de feiten en omstandigheden vanaf 1 januari 2007 tot en met heden te betrekken, terwijl [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] menen dat het onderzoek dan over de periode van 1 januari 2003 tot heden zou moeten plaatsvinden. [belanghebbende sub 4] wenst zelfs een onderzoek vanaf de oprichting van de vennootschap. Tijdens de behandeling hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen uitbreiding van het onderzoek. Het Hof zal de zaak naar de rol verwijzen, opdat partijen zich hierover nader kunnen uitlaten als hierna vermeld.

3.11

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

Het Hof:

stelt, bij wijze van voorlopige voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van heden drs. W. Blijleven RA te Curaçao aan als bestuurder van Adelisia met doorslaggevende stem;

bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurder ten laste komen van Adelisia en dat zij voor de betaling daarvan ten genoege van de bestuurder vóór de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak de rol van het Hof van 10 december 2013 om 8:30 uur voor conclusies zijdens partijen gelijktijdig als bedoeld in rov. 3.10;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.P. de Haan, J. de Boer en A.J. Beukenhorst, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 25 september 2013.