Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:15

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
12-08-2013
Zaaknummer
EJ 55361 - H 42/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer is op staande voet ontslagen wegens het ruilen van diensten met collega. Hof oordeelt dat door de werkgever werd toegestaan onderling dagen te ruilen, maar dat werknemer hierin zo ver is gegaan dat hij er niet op mocht vertrouwen dat zulks geoorloofd was. Hof acht de genoemde ontslagreden echter gezien alle omstandigheden niet toereikend voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0631
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienrs. EJ 55361 - H 42/13

Uitspraak: 25 juni 2013

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[werknemer],

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [werknemer],

oorspronkelijk verzoeker, thans appellant,

gemachtigde: mr. S.M. Saleh,

tegen

1. de naamloze vennootschap VANDDIS N.V.,

gevestigd in Curaçao,

2. de naamloze vennootschap BEEP BEEP N.V.,

gevestigd in Curaçao,

hierna gezamenlijk te noemen: Vanddis,

oorspronkelijk verweersters, thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met registratienummer 55361 gegeven en op 11 juni 2012, 27 september 2012 en 11 oktober 2012 uitgesproken beschikkingen. De inhoud van die beschikkingen geldt als hier ingevoegd.

1.2.

[werknemer] heeft in een beroepschrift, ingekomen op 8 november 2012, met producties, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikkingen van 11 juni 2011 en 27 september 2012. Hierin heeft hij het beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikkingen zal vernietigen en zijn verzoeken alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Vanddis in de kosten in beide instanties.

1.3.

Op 2 mei 2013 heeft Vanddis een Verweerschrift/Voorwaardelijk zelfstandig verzoek ingediend. Daarin heeft zij het hoger beroep bestreden en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikkingen zal bevestigen, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van het hoger beroep, met dien verstande dat, mocht het Hof oordelen dat de bestreden beschikkingen dienen te worden vernietigd, Vanddis verzoekt de arbeidsovereenkomsten tussen geïntimeerden en [werknemer] per 28 maart 2012, althans per direct, te ontbinden, kosten rechtens.

1.4.

In verband met de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [werknemer] bij brief van 29 april 2013, ter griffie van het Hof ingekomen op 6 mei 2013, een productie ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Verschenen zijn [werknemer], bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van Vanddis, vergezeld van C.R. van der Dijs, directeur van beide geïntimeerden. De gemachtigden hebben gepleit, de gemachtigde van [werknemer] aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Voorts hebben partijen vragen van het Hof beantwoord.

1.6.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van het Hof medegedeeld dat een beschikking wordt uitgesproken waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2 Ontvankelijkheid

[werknemer] heeft het hoger beroep tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3 De gronden

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

4 Waarvan in hoger beroep moet worden uitgegaan

Het GEA heeft onder 2 van de beschikking van 11 juni 2011 feiten vastgesteld. Deze vaststelling is niet in geschil en ook het Hof zal ervan uitgaan.

5 Beoordeling

5.1.

[werknemer]’s hoger beroep is gegrond. Van een dringende reden voor ontslag op staande voet is eerst sprake als van Vanddis als de partij die op grond daarvan de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, redelijkerwijze niet kon worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren. Aan de strenge eisen die – vanwege het uitzonderingskarakter – gesteld worden aan de bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst op staande voet op te zeggen zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen, is in casu niet voldaan. De omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking nemend, rechtvaardigt de reden die Vandddis ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag, te weten – zoals door Vanddis tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd – ongeoorloofde afwezigheid van het werk, omdat [werknemer] vakantiedagen heeft opgenomen zonder toestemming van Vanddis, niet een ontslag op staande voet.

5.2.

Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het volgende komen vast te staan. Door Vanddis worden voor supervisors zoals [werknemer] zes maanden van tevoren roosters gemaakt. Supervisors werken vier dagen in de week en hebben vervolgens twee dagen vrij. Tot het werk van de supervisor behoort het afrekenen met de caissières bij de pompstations aan het eind van hun shift, om 07:00 uur, 15:00 uur en 23:00 uur. Er zijn tien supervisors in dienst: zes zijn vast verbonden aan een station, drie wisselen tussen twee stations en er is een invalster-supervisor ([ ]). [collega] kan ingezet worden bij verschillende pompstations, bijvoorbeeld bij ziekte van een van de andere supervisors.

5.3.

Niet in geschil is dat [werknemer] op 27 maart 2012 terwijl hij volgens het rooster moest werken, afwezig was van het werk. [werknemer] heeft aangevoerd dat hij die dag geruild heeft en dat dit was toegestaan. Gebleken is dat Vanddis toestond dat supervisors onderling dagen ruilden, met dien verstande een supervisor de twee dagen die hij of zij roostervrij was, kon ruilen met een andere supervisor tegen dagen die deze supervisor volgens het rooster moest werken. Naar het oordeel van het Hof is [werknemer] echter zo ver gegaan in het ruilen van dagen dat hij er niet op mocht vertrouwen dat zulks geoorloofd was. [werknemer] heeft immers vier dagen geruild om voor een week naar het buitenland te kunnen gaan, voor medische controle in Colombia. Hier komt bij dat hij heeft geruild met invalster-supervisor [collega], die beschikbaar dient te zijn om te kunnen invallen. In elk geval had [werknemer] dit alles niet zonder medeweten van personeelszaken en/of de directie van Vanddis mogen doen, hetgeen hij wel heeft gedaan.

5.4.

Aan de dringendheid van genoemde ontslagreden doet echter afbreuk dat klaarblijkelijk bij Vanddis, onder de vorige directeur ([ ]), jarenlang een informele bedrijfscultuur heeft bestaan, waarin werknemers onderling zaken – zoals het ruilen van dagen – konden regelen zonder daarvoor goedkeuring nodig te hebben van de directie (of van personeelszaken). Het staat Vanddis vrij daarin verandering te brengen, maar indien zij voortaan formele regels wenst te hanteren, dient zij dit haar werknemers duidelijk te maken. In dit geval is dat niet, althans onvoldoende, gebeurd. Het Hof voegt daaraan toe dat het weliswaar voor Vanddis belangrijk is om te weten welke supervisor voor welke shift verantwoordelijk is geweest, bijvoorbeeld als er geld ontbreekt, maar dat dit niet alleen uit het rooster blijkt, maar ook uit de ‘deposit slip’ die door de desbetreffende supervisor wordt ondertekend. In dat opzicht is de ernst van de gedragingen van [werknemer] derhalve beperkt.

5.5.

In zijn oordeel heeft het Hof ook betrokken de lange duur van de dienstbetrekking – [werknemer] is sinds 1987 in dienst van Vanddis (geïntimeerde sub 1). Voorts wordt rekening gehouden met de ingrijpende gevolgen van het ontslag voor [werknemer], die thans ruim zestig jaren oud is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werknemer] – onbestreden – naar voren gebracht dat hij geen werk heeft en zijn huis heeft moeten verkopen omdat hij de hypotheek niet heeft kunnen betalen en thans bij zijn moeder inwoont.

5.6.

Ook tezamen met de aan [werknemer] gegeven waarschuwingen acht het Hof genoemde ontslagreden niet toereikend voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De als productie 1a door Vanddis in eerste aanleg overgelegde waarschuwingsbrief uit 2000 is reeds door het tijdsverloop minder relevant. De als productie 4 door Vanddis in eerste aanleg overgelegde brief uit 2008 legt niet genoeg gewicht in de schaal, waarbij van belang is dat, zoals [werknemer] heeft aangevoerd, nergens uit blijkt dat deze brief een disciplinaire maatregel inhoudt.

5.7.

Vanddis dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar zelfstandig verzoek. Naar het Hof begrijpt, heeft Vanddis met dit verzoek niet incidenteel hoger beroep tegen voornoemde beschikking van 11 oktober 2012 wensen in te stellen. Overigens zou zij daarin niet kunnen worden ontvangen omdat daartegen op grond van artikel 7A:1615w lid 7 BW geen voorziening openstaat en zij geen doorbrekingsgronden heeft gesteld. Voor zover zij overigens verzoekt om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, kan zij in dat verzoek niet worden ontvangen, omdat slechts het GEA kan worden verzocht een arbeidsovereenkomst te ontbinden (behoudens doorbreking van het appelverbod, hetgeen hier – zoals hiervoor is overwogen – niet aan de orde is).

5.8.

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikkingen moeten worden vernietigd. [werknemer]’s verzoeken moeten worden toegewezen, waarbij de wettelijke vertragingsrente zal worden gematigd tot 10%.

5.9.

Vanddis dient de kosten van deze procedure te dragen.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden beschikkingen; en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt Vanddis (geïntimeerde sub 1) en Beep Beep (geïntimeerde sub 2) hoofdelijk om aan [werknemer] het loon uit hoofde van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomsten door te betalen totdat deze arbeidsovereenkomsten rechtsgeldig beëindigd zullen zijn;

- veroordeelt Vanddis (geïntimeerde sub 1) en Beep Beep (geïntimeerde sub 2) hoofdelijk om aan [werknemer] over het achterstallige loon de ex artikel 7A: 1614q BW verschuldigde vertragingsrente, gematigd tot 10%, te voldoen;

- verklaart Vanddis niet-ontvankelijk in haar zelfstandig verzoek;

- veroordeelt Vanddis (geïntimeerde sub 1) en Beep Beep (geïntimeerde sub 2) hoofdelijk in de kosten van deze procedure aan de zijde van [werknemer] gevallen en tot op heden begroot voor de eerste aanleg op NAF. 4.500,= aan gemachtigdensalaris en voor het hoger beroep op NAF. 5.100,= aan gemachtigdensalaris en NAF. 900,= aan griffierecht;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, E.M. van der Bunt en J.P. de Haan, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.