Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:1

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
60953 HAR 25/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoeker verzoekt wraking van alle leden van het GemeenschappelijkHof van Justitie. Grond voor dit wrakingsverzoek is dat het verzoeker is geweigerd zich bij de behandeling van de tegen hem ingestelde ontbindingsprocedure te laten vertegenwoordigen door de processueel vertegenwoordiger van zijn keuze. Voor zover wrakingsverzoek betrekking heeft op andere personen dan de behandelend rechter is het niet ontvankelijk. Het weigeren van de keuze levert naar het oordeel van het Hof geen aanwijzing op dat de desbetreffende rechter enige vooringenomenheid ten opzichte van verzoeker dan wel voor het voorliggende geschil koestert. Het Hof wijst het verzoek voor het overige af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 60953 HAR 25/13

Uitspraak: 25 juni 2013

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BESCHIKKING

op het verzoek van:

[veroeker],

verzoeker,

procederend in persoon,

tot wraking van:

1.

mr. G.E.M. POLKAMP,

2.

mr. L.C. HOEFDRAAD,

3.

alle leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

1.

Verloop van de procedure

1.1

De maatschap Pricewaterhousecoopers Curaçao (PwC) heeft op 1 maart 2013 een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verzoeker.
Het zaaknummer is EJ 60953/2013 en de behandelend rechter is mr. Polkamp.
Nadat mr.[x] bij e-mail van 6 mei 2013 aan de behandelend rechter en de advocaat van PwC had laten weten dat verzoeker mogelijk tot 7 juni 2013 uitlandig zou zijn, heeft mr. Polkamp bij e-mail van 7 mei 2013, onder verwijzing naar een aan mr. [x] gerichte brief van de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 6 december 2011, aan mr. [x] meegedeeld dat hij op grond van artikel 52 jo. 48 van de Advocatenlandsverordening 1959 weigerde hem toe te laten als gemachtigde van verzoeker. Dit is dezelfde dag ook aan verzoeker meegedeeld.

1.2

Op de voor behandeling bepaalde datum, 10 juni 2013, heeft verzoeker voor de aanvang van de zitting ter griffie een verzoekschrift met bijlagen ingediend waarin hij in de zaak met nummer EJ 60953/2013 de wraking verzocht van de behandelend rechter
mr. Polkamp, van de president van het Gemeenschappelijk Hof mr. Hoefdraad en van alle leden van het Gemeenschappelijk Hof. Nadat verzoeker was opgeroepen voor de behandeling van het wrakingsverzoek op 13 juni om 14.00 uur, heeft hij bij brief van 12 juni 2013 erop gewezen dat hij alle leden van het Hof had gewraakt, dat er dus geen bevoegde rechter meer was om van het geschil kennis te nemen en dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 39 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) de Gouverneur zou verzoeken een persoon aan te wijzen om het geschil te beslechten.
Ten slotte deelde verzoeker mee dat hij dus niet ter zitting zou verschijnen.
Nadat vervolgens aan verzoeker was meegedeeld dat het wrakingsverzoek zou worden behandeld door mrs. A.J. Beukenhorst, J. de Boer en S. Verheijen, heeft hij bij brief van 13 juni 2013 een verzoek ingediend tot wraking van deze drie rechters.

1.3

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van 10 juni 2013 heeft plaatsgevonden op 13 juni 2013. Verzoeker is niet verschenen. Wel is verschenen
mr. Polkamp, die te kennen heeft gegeven dat een verzoek tot wraking van alle leden van het Gemeenschappelijk Hof zijns inziens niet-ontvankelijk is en dat zijn onpartijdigheid geen schade heeft geleden door zijn weigering om mr. [x] toe te laten als gemachtigde van verzoeker.

2.

Beoordeling

2.1

In het wrakingsverzoek van 13 juni 2013 is als grond voor wraking van de leden van de wrakingskamer dezelfde grond aangevoerd als in het wrakingsverzoek van 10 juni 2013, namelijk dat het verzoeker is geweigerd zich bij de behandeling van de tegen hem ingestelde ontbindingsprocedure in rechte te laten vertegenwoordigen door de processueel vertegenwoordiger van zijn keuze mr. [x].

Dit is een bezwaar dat geldt voor elke wrakingskamer, in welke samenstelling ook. Gegrondbevinding ervan kan dan ook niet ertoe leiden dat op het wrakingsverzoek van 10 juni 2013 zal worden beslist door een wrakingskamer waarvoor dit bezwaar niet geldt. Dit tweede wrakingsverzoek, dat misbruik van recht oplevert, zal dan ook niet worden behandeld. Artikel 39 Rv, waarin is bepaald dat de Gouverneur één of meer personen kan aanwijzen om een geschil te beslechten, indien er geen of onvoldoende rechters zijn die van dat geschil mogen of kunnen kennis nemen, is niet geschreven voor het geval van misbruik van recht. De wrakingskamer ziet dan ook geen beletsel om het wrakingsverzoek van 10 juni 2013 te behandelen.

2.2

Een wrakingsverzoek kan slechts de rechters betreffen die de zaak van de betrokken partij behandelen. Dat staat niet met zoveel woorden in de wet, maar volgt uit het daaraan ten grondslag liggende beginsel dat een ieder recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter. In de voorbeelden die in artikel 31 Rv worden genoemd, is dan ook sprake van “het geschil”, “de zaak” en “het rechtsgeding” en volgens artikel 32 lid 5 Rv wordt aanstonds na een verzoek tot wraking de behandeling geschorst. Voor zover het wrakingsverzoek betrekking heeft op andere personen dan de behandelend rechter is het derhalve niet ontvankelijk.

2.3

Als grond voor de wraking van mr. Polkamp voert verzoeker aan dat deze hem heeft geweigerd zich bij de behandeling van de tegen hem ingestelde ontbindingsprocedure in rechte te laten vertegenwoordigen door de processueel vertegenwoordiger van zijn keuze mr. [x].

2.3.1

Met die weigering gaf mr. Polkamp uitvoering aan het bepaalde in de artikelen 48 en 52 van de Advocatenlandsverordening 1959, dat erop neerkomt dat als beroepsmatig optredend procesvertegenwoordiger alleen advocaten en zaakwaarnemers worden toegelaten. Hij deed dit in het licht van de brief van 6 december 2011 van de president aan mr. [x], waarin werd aangekondigd dat aan een jarenlang gedoogbeleid op dit punt een einde zou komen en waarin mr. [x] werd aangemerkt als één van de personen die er hun beroep van maken om in rechtszaken personen te vertegenwoordigen of bij te staan, terwijl zij geen advocaat of toegelaten zaakwaarnemer zijn, op welke brief mr. [x] niet heeft gereageerd. De weigering volgde op een e-mail van mr. [x] aan de behandelend rechter en de advocaat van de tegenpartij, waarin hij, zonder zich als zodanig te presenteren, maar klaarblijkelijk optredend als vertegenwoordiger van verzoeker, met het oog op het bepalen van een tijdstip voor de mondelinge behandeling doorgaf wanneer verzoeker niet op het eiland zou zijn.

2.3.2

Het aldus weigeren van mr. [x] als processueel vertegenwoordiger levert geen aanwijzing op dat mr. Polkamp ten opzichte van verzoeker dan wel het voorliggende geschil enige vooringenomenheid koestert, noch dat de bij verzoeker bestaande vrees dat mr. Polkamp ten opzichte van hem dan wel het voorliggende geschil een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.
Het verzoek is dan ook ongegrond.

2.4

Het Hof is van oordeel dat verzoeker de bevoegdheid om wrakingsverzoeken in te dienen misbruikt. Op de voet van artikel 34 lid 4 Rv zal dan ook worden bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in de onderhavige zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Beslissing

Het Hof

verklaart het op 10 juni 2013 ontvangen verzoek om wraking niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op andere leden van het Hof dan mr. G.E.M. Polkamp;

wijst dat verzoek voor het overige af;

bepaalt dat het verzoek om wraking gedaan bij brief van 13 juni 2013 en verdere verzoeken om wraking in de onderhavige zaak niet in behandeling worden genomen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J. Beukenhorst, J. de Boer en S. Verheijen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 25 juni 2013.