Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7910

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
07-01-2013
Zaaknummer
HLAR 49135/11
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Gerecht heeft zich onbevoegd verklaard in deze zaak. Hof oordeelt dat het hoger beroep gegrond is, tegen de beschikking van de minister krachtens artikel 166 van de Lvti kan geen bezwaar worden gemaakt. Het Hof beoordeelt de aangevoerde beroepsgronden en oordeelt dat het beroep ongegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

HLAR 49135/11

Datum uitspraak: 14 december 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Meva Formworks Caribbean B.V., gevestigd in Curaçao, (hierna Meva),

appellante

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 22 november 2011 in zaak nr. Lar 2010/49135 op het door appellante tegen diens uitspraak van 28 oktober 2010 in zaak nr. Lar 2009/285 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Financiën (hierna: de minister)

gedane verzet.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 12 oktober 2009 heeft de minister een verzoek van Meva van 28 juli 2009 om de door haar verschuldigde invoerrechten en omzetbelasting kwijt te schelden afgewezen.

Bij uitspraak van 28 oktober 2010 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) zich, zonder de zaak ter zitting te behandelen, onbevoegd verklaard om van het door Meva daartegen ingestelde beroep kennis te nemen.

Bij uitspraak van 22 november 2011 heeft het het daartegen door Meva gedane verzet ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak heeft Meva bij brief, bij het Hof ingekomen op 30 december 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2012, waar Meva, vertegenwoordigd door mr. J. Gankema en mr. M. Peelen, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B. Braam, advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In verzet is uitsluitend aan de orde of het Gerecht zich ten onrechte, zonder de zaak ter zitting te behandelen, onbevoegd heeft verklaard om van het beroep kennis te nemen.

2.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, staat geen beroep open tegen een beschikking, waartegen beroep bij een andere administratieve rechter kan of kon worden ingesteld.

Ingevolge artikel 128b, eerste lid, van de Algemene verordening in- uit en doorvoer (hierna: Aviud) kan degene die bezwaar heeft tegen:

a. de toepassing van het tarief van invoerrechten op door hem ten invoer aangegeven goederen;

b. de berekening van accijnzen of bijzondere invoerrechten, of;

c. een beschikking te zijnen ingevolge deze verordening of de Landsverordening tarief van invoerrechten;

binnen zes weken na verzending van de beschikking een bezwaarschrift bij de douaneautoriteiten indienen.

Ingevolge het vijfde lid staat tegen de beslissing van de douaneautoriteiten binnen zes weken na bekendmaking aan de belanghebbende beroep open bij de Raad van Beroep voor belastingzaken. De Raad van Beroep beslist in hoogste instantie.

In gevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening tarief van invoerrechten (hierna: de Lvti) wordt onder douaneautoriteiten verstaan: de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen of de door hem aangewezen ambtenaren.

Ingevolge artikel 166, eerste lid, kan de minister, indien zich bij de toepassing van de landsverordening ten aanzien van gevallen of groepen van gevallen onbillijkheden van overwegende aard voordoen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de verschuldigde invoerrechten verlenen.

2.3. Meva betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de beschikking van de minister van 12 oktober 2009 krachtens artikel 166 van de Lvti is gegeven en daartegen geen bezwaar bij de douaneautoriteiten kon worden gemaakt.

2.3.1. Dat betoog slaagt. De beschikking van 12 oktober 2009 is door de minister gegeven krachtens artikel 166, eerste lid, van de Lvti. Die landsverordening voorziet niet in beroep tegen beschikkingen van de minister, gegeven krachtens die bepaling, bij een andere administratieve rechter, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Lar. Ook anderszins is daarin niet voorzien. Weliswaar voorziet artikel 128b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Aviud in de mogelijkheid bezwaar te maken tegen een krachtens de Lvti gegeven beschikking, maar dat betreft beschikkingen van de douaneautoriteiten, zijnde de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen of de door hem aangewezen ambtenaren, en niet door de minister krachtens artikel 166, eerste lid, van de Lvti gegeven beschikkingen. Tegen de beschikking van 12 oktober 2009 kon daarom ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Lar beroep bij het Gerecht worden ingesteld.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het door appellant gedane verzet gegrond verklaren. Nu het Gerecht aan beoordeling van de door Meva in beroep aangevoerde beroepsgronden niet is toegekomen, zal het Hof dat, doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, doen.

2.5. Meva betoogt dat de minister heeft miskend dat de door haar ingevoerde goederen zijn gefinancierd met ontwikkelingsgelden die zijn bestemd voor het creëren en ontwikkelen van arbeidsplaatsen in Curaçao en daarom in beginsel op de voet van artikel 75, eerste lid, aanhef en onder l, van de Lvti voor vrijstelling van invoerrechten en omzetbelasting in aanmerking komen. Doordat zij hierover invoerrechten en omzetbelasting moet betalen, worden ontwikkelingsgelden oneigenlijk gebuikt. De minister heeft onvoldoende stilgestaan bij de gevolgen die dit voor de ontwikkelingsprogramma's hier te lande heeft. Voorts was het voor haar moeilijk om informatie te verkrijgen over de wettelijke vereisten voor het verkrijgen van vrijstelling van invoerrechten en omzetbelasting en was zij daarom niet tijdig op de hoogte van het vergunningvereiste, aldus Meva.

2.5.1. Dat betoog faalt. Dat de Lvti, als gesteld, in vrijstelling van invoerrechten en omzetbelasting voor goederen die voor ontwikkelingshulp zijn bestemd, voorziet, maar het voor Meva moeilijk was om informatie te vergaren over de eisen die voor het verkrijgen ervan gesteld worden, maakt niet dat geoordeeld moet worden dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich hier geen zodanige onbillijkheden voordoen, dat die hem tot de gevraagde kwijtschelding aanleiding gaven. Hetzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat door de heffing van die rechten en belasting minder middelen ter beschikking komen voor ontwikkelingsprogramma’s.

2.6. Meva betoogt verder dat de beschikking van 12 oktober 2009 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe stelt zij dat van algemene bekendheid is dat de minister de in artikel 166, eerste lid, van de Lvti aan hem toegekende bevoegdheid eerder heeft aangewend om de invoer van goederen die bestemd waren voor armoedebestrijding en ontwikkeling en zelfontplooiing van de bevolking van Curaçao, van invoerheffing te vrijwaren. Volgens haar is krachtens die bepaling onder meer kwijtschelding verleend voor een container met daarin sportschoenen en honkballen, literatuur, bestemd voor een middelbare school en kantoormeubilair, bestemd voor ambtenaren.

2.6.1. Meva heeft dit betoog niet nader toegelicht. Reeds om die reden faalt het.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 22 november 2011 in zaak nr. Lar 2010/49135;

III. verklaart het verzet gegrond;

IV. verklaart het bij het Gerecht in zaak nr. Lar 2009/285 ingestelde beroep ongegrond;

V. gelast dat het land Curaçao aan Meva Formworks Caribbean B.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 300,00 (zegge: driehonderd gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,