Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7691

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
HLAR 54978/11
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgeefster gaat in beroep tegen afwijzing van een verzoek om een werkvergunning. De vreemdeling was bij het indienen van de aanvraag nog geen 25 jaar en derhalve dient de vergunning te worden geweigerd. Het feit dat haar eerder wel een tewerkstellingsvergunning is verleend levert geen omstandigheid op dat opnieuw een vergunning verleend moet worden. Het vertrouwensbeginsel strekt niet zover dat op grond daarvan in strijd met de wet een vergunning dient te worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

HLAR 54978/11

Datum uitspraak: 14 december 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid (hierna: de minister),

appellant

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 21 november 2011 in zaak nr. Lar 051/2011 in het geding tussen

de naamloze vennnootschap Eagle Tours N.V., gevestigd te Sint Maarten (hierna: de werkgeefster),

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 11 november 2010 heeft de minister geweigerd de werkgeefster vergunning te verlenen om [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) te werk te stellen.

Bij beschikking van 5 april 2011 heeft de minister het daartegen door de werkgeefster en de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) het daartegen door de werkgeefster ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd, de beschikking van 11 november 2010 herroepen en bepaald dat verweerder aan de werkgeefster een tewerkstellingsvergunning verleent.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, ingekomen bij het Gerecht op 19 december 2011, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

De werkgeefster heeft een verweerschrift ingediend.

De werkgeefster heeft nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, werkzaam in dienst van het land, en de werkgeefster, vertegenwoordigd door mr. P.P. Soons, advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen (hierna: de Lav) wordt een tewerkstellingsvergunning geweigerd:

(…)

f. op andere bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen gronden.

Ingevolge artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit arbeid vreemdelingen (hierna: het Uitvoeringsbesluit), voor zover thans van belang, wordt een tewerkstellingsvergunning geweigerd, indien de desbetreffende vreemdeling op de dag van de indiening van de aanvraag de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt. Deze bepaling is niet van toepassing op vreemdelingen met een opleiding op hbo niveau of hoger.

2.2. De minister betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de werkgeefster aan de omstandigheid dat haar ten behoeve van de vreemdeling eerder op 1 juni 2009 een tewerkstellingsvergunning is verleend, geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat haar, nu de vreemdeling de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt, in strijd met artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit opnieuw zodanige vergunning zou worden verleend.

2.2.1. Dat betoog slaagt. De werking van het vertrouwensbeginsel strekt niet zover dat op grond daarvan in strijd met de wet vergunning verleend moet worden. Het Gerecht heeft daarom in de enkele omstandigheid dat eerder op 1 juni 2009 aan de werkgeefster een tewerkstellingsvergunning voor de vreemdeling is verleend, ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de werkgeefster opnieuw vergunning moest verlenen.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de minister voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Nu het Gerecht aan de overige door de werkgeefster in beroep aangevoerde beroepsgronden niet is toegekomen, zal het Hof deze, doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, beoordelen.

2.4. De werkgeefster betoogt dat, samengevat weergegeven, aan de weigering ten onrechte artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit ten grondslag is gelegd, omdat deze bepaling wegens verboden leeftijdsdiscriminatie in strijd is met artikel 1 van het Twaalfde protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 14 van het EVRM, alsmede de artikelen 2, eerste lid en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) en artikel 16 van de Staatsregeling van Sint Maarten (hierna: de Staatsregeling).

2.4.1. Het Hof onderzoekt eerst of artikel 8 van de Uitvoeringsregeling buiten toepassing moest worden gelaten, omdat die bepaling de minister tot verboden leeftijdsdiscriminatie noopte. Artikel 14 van het EVRM heeft geen eigenstandige betekenis. Daarom moet worden onderzocht of artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit in strijd is met de artikelen 1, eerste lid van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, de artikelen 2, eerste lid en 26 van het IVBPR en artikel 16 van de Staatsregeling.

2.4.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het EVRM moet het genot van elk in de wet neergelegd recht worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 26 van het IVBPR zijn allen gelijk voor de wet en hebben zij zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert deze een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status, aldus die verdragsbepaling.

Ingevolge artikel 16 van de Staatsregeling worden allen die zich in het land bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, huidskleur, geslacht, taal, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of op welke grond dan ook is niet toegestaan.

2.4.3. Verboden discriminatie, als bedoeld in de hiervoor onder 2.4.2. vermelde bepalingen, zou zich voordoen, indien toepassing van artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit de minister er toe zou nopen gelijke gevallen ongelijk te behandelen zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Op het terrein van economisch en sociaal beleid komt aan de regelgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of er een objectieve en redelijke grond bestaat om bepaalde categorieën van personen verschillend te behandelen (EHRM 18 februari 2009, Andrejeva tegen Letland, no. 55707/00, paragraaf 89). Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is (EHRM 12 april 2006, Stec, nr. 65731/01, paragraaf 52, en EHRM 4 november 2008, Carson, nr. 42184/05, paragraaf 73 en 80).

2.4.4. In de toelichting bij het Uitvoeringsbesluit (AB 2008, no. 37) wordt voor het in artikel 8 gemaakte onderscheid de volgende reden gegeven:

"Bekend is dat op Sint Maarten de bevolkingsgroep tussen de leeftijden van 16 en 24 jaar de groep constitueert die vereenzelvigd wordt met sociale problemen van uiteenlopende aard. Meer mensen uit deze kwetsbare leeftijdsgroep tot het eiland toelaten wordt, in dat opzicht, geacht niet verantwoord te zijn."

Voor zover de bepaling een ongelijke behandeling van gelijke gevallen regelt, kan, gelet op de in de toelichting weergegeven achtergrond daarvan, niet worden geoordeeld dat de keuze van de wetgever van redelijke grond is ontbloot, noch dat deze tot een ongelijke behandeling leidt die disproportioneel is aan dat doel. Het betoog faalt.

2.5. De werkgeefster betoogt verder dat artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit wegens strijd met de Lav buiten toepassing had moeten worden gelaten. Daartoe stelt zij dat de Lav tot doel heeft om de lokale arbeidsmarkt te beschermen en artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit een ander doel dient, te weten het bestrijden van een sociaal probleem. Zij wijst in dit verband op de hiervoor onder 2.4.4 vermelde toelichting op die bepaling. Door artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit aldus vast te stellen, is de eilandsraad buiten de grenzen die artikel 8, eerste lid, onder f van de Lav stelt, getreden, aldus de werkgeefster.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. Volgens de considerans van de Lav is het in verband met het ontwikkelen van een eigen beleid terzake de tewerkstelling van vreemdelingen, inzake de toelating tot verblijf, het daarbij toe te passen restrictief toelatingsbeleid, de bestrijding van illegale tewerkstelling en het waarborgen van een zo groot mogelijke vrijheid van arbeidskeuze, wenselijk regels te stellen met betrekking tot het doen verrichten van arbeid door vreemdelingen. Uit de door de werkgeefster aangehaalde toelichting op het Uitvoeringsbesluit volgt niet dat de in artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit gestelde minimum leeftijdsgrens is opgenomen om een sociaal probleem op te lossen, maar worden de sociale problemen van uiteenlopende aard bij inwoners in de leeftijdsgroep van 16 tot en met 24 jaar ten grondslag gelegd aan het in dat artikel voor de verlening van een tewerkstellingsvergunning gestelde leeftijdsvereiste. Dat dit leeftijdsvereiste is gesteld om de inwoners van Sint Maarten in de desbetreffende leeftijdsgroep zoveel mogelijk kansen op de arbeidsmarkt te geven, brengt niet mee dat daarmee de regelgevende bevoegdheid welke aan de besluitgever is toegekend bij voormeld artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lav, door deze is te buiten gegaan. In hetgeen de werkgeefster in beroep heeft aangevoerd, bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit wegens strijd met de Lav buiten toepassing moet worden gelaten.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 21 november 2011 in zaak nr. Lar 051/2011;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak tegen de beschikking van de Minister van Volksgezondheid, Sociale Zaken en Arbeid van 5 april 2011 ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,