Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7652

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
HLAR 56019/12
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. In geschil is de afwijzing van een verzoek om een huwelijk in het bevolkingsregister in te schrijven. Het HBBSB heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat het huwelijk waarvan de inschrijving is verzocht naar zijn oordeel strijdig is met de openbare orde al zijnde gericht op het verkrijgen van toelating van de echtgenote hier ten lande. Hof bevestigt de aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

HLAR 56019/12

Datum uitspraak: 14 december 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant], wonend in Aruba,

appellant

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 29 februari 2012 in zaak nr. Lar 2596 van 2011 in het geding tussen

appellant

en

het Hoofd Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van Aruba (hierna: HBBSB).

1. Procesverloop

Bij beschikking van 1 augustus 2011 heeft HBBSB een verzoek van [appellant] om zijn huwelijk met [naam echtgenote] in het bevolkingsregister in te schrijven afgewezen.

Bij ongedateerde beschikking heeft HBBSB het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 februari 2012 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 11 april 2012, hoger beroep bij het Hof ingesteld.

HBBSB heeft een verweerschrift ingediend.

[Appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2012, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door drs. M.L. Hassell, en HBBSB, vertegenwoordigd door mrs. J.M.A.M. Ponsioen en E.A. Wever, beiden werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Landsverordening op het aanleggen en bijhouden van het bevolkingsregister worden de voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden van de bevolkingsregisters en het doen der daartoe vereiste opgaven aan hen, die met het aanhouden van de bevolkingsregisters zijn belast bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen vastgesteld.

Ingevolge artikel 22, negende lid, van het krachtens die bepaling vastgestelde Landsbesluit bevolkingsregister wordt een gegeven omtrent een persoon niet ingeschreven, indien het hoofd van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van oordeel is dat dat gegeven in strijd is met de goede zeden of de openbare orde.

2.2. Aan de afwijzing heeft HBBSB ten grondslag gelegd dat het huwelijk waarvan de inschrijving is verzocht, naar zijn oordeel strijdig is met de openbare orde, als niet gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, maar op het verkrijgen van toelating van de echtgenote hier te lande. Daartoe heeft HBBSB onder meer in aanmerking genomen dat de echtelieden elkaar niet of nauwelijks lijken te kennen en [appellant] de naam van de moeder en zuster van zijn echtgenote niet kent en weinig nadere informatie over zijn echtgenote kan verstrekken, hoewel hij verklaard heeft dat hij wekelijks een uur of meer met haar telefoneert. Ook kent hij de getuigen die bij het huwelijk aanwezig waren niet en kent hij zelfs hun namen niet. De echtelieden hebben elkaar vóór het huwelijk slechts één keer ontmoet. [Appellant] wist zich bij het invullen van de zogenoemde model D79 verklaring de juiste huwelijksdatum en –plaats niet te herinneren en heeft in die verklaring vermeld dat hij zijn echtgenote in februari 2010 heeft ontmoet, terwijl hij in het gesprek met ambtenaren van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister heeft verklaard dat hij haar voor het eerst in 2007 heeft ontmoet, aldus HBBSB.

2.3. [Appellant] betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat bij het gesprek met ambtenaren van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister ten onrechte geen beëdigde tolk aanwezig is geweest en hem niet de mogelijkheid is geboden het zogenoemde D 79 formulier met behulp van iemand die de Nederlandse taal machtig is in alle rust in te vullen, waardoor niet uit te sluiten is dat tussen hem en HBBSB communicatieproblemen en misverstanden zijn ontstaan. Voorts heeft het miskend dat, nu HBBSB heeft nagelaten zijn echtgenote te horen, die misverstanden niet konden worden gecorrigeerd, aldus [appellant].

2.3.1. Dat betoog faalt. Het was aan HBBSB om te beoordelen of het huwelijk, waarvan de inschrijving werd verzocht, in strijd is met de goede zeden of de openbare orde. [Appellant] heeft het door HBBSB aan zijn oordeel ten grondslag gelegde gebrek aan kennis van zijn echtgenote en haar familie, het zich niet kunnen herinneren van de huwelijksdatum en de tegenstrijdigheid inzake de datum waarop hij zijn echtgenote heeft leren kennen, met dat betoog niet gemotiveerd weersproken. Het Gerecht heeft in het in beroep aangevoerde onder die omstandigheden terecht geen grond gevonden voor de conclusie dat HBBSB niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het huwelijk waarvan [appellant] inschrijving vraagt een schijnhuwelijk is.

2.4. [Appellant] betoogt verder dat het Gerecht heeft miskend dat de afwijzing van het verzoek in strijd is met de Staatsregeling van Aruba en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.4.1. Ook dat betoog faalt. [Appellant] heeft het desbetreffende betoog in beroep niet nader met feiten en omstandigheden toegelicht. Het in beroep gestelde heeft het Gerecht onder die omstandigheden terecht geen aanleiding gegeven hem daarin te volgen. De aangehaalde regeling en verdragsbepaling beogen in elk geval geen bescherming te bieden aan een schijnhuwelijk dat louter gesloten wordt om toelating van een vreemdeling te bewerkstelligen die voor die toelating niet in aanmerking komt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,