Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX8567

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
HAR 19/2011 - 47754
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Betreft verzoek op vaststelling van Nederlandse nationaliteit. Verzoeker is geboren in 1957 en heeft Venezolaanse vader en Nederlandse moeder. De WNI(oud) kende Nederlandse nationaliteit toe als vader de Nederlandse nationaliteit bezat. Het betoog van gemachtigde dat met 'vader' in de wet ook op moeder gedoeld wordt vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienr.: HAR 19/2011 - 47754

Uitspraak: 18 september 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Beschikking in de zaak van:

[verzoeker],

wonende in Aruba,

verzoeker,

gemachtigde: mr. Marcolino Croes.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij op 15 februari 2011 ingekomen verzoekschrift ex artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN), met producties, heeft verzoeker het Hof verzocht vast te stellen dat verzoeker met ingang van de datum van zijn geboorte uit het wettig gezin van zijn ouders de Nederlandse nationaliteit bezit.

1.2 De behandeling van het verzoekschrift is aangevangen op 21 juni 2011 en voortgezet op 20 september 2011, 22 november 2011, 17 januari 2012 en 24 april 2012.

1.3 Laatselijk heeft op 14 augustus 2012 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn verzoeker vergezeld van zijn gemachtigde voornoemd en de (waarnemend) procureur-generaal, mr. E. Baars. Bij die gelegenheid heeft de procureur-generaal geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

1.4 De beschikking is aangezegd op heden.

2. De beoordeling

2.1 Verzoeker is op 17 mei 1957 in Venezuela geboren tijdens het huwelijk van zijn Nederlandse moeder en zijn destijds Venezolaanse vader.

2.2 Ten tijde van de geboorte van verzoeker was van toepassing de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (hierna: WNI).

Artikel 1 lid 1 WNI luidde – voor zover hier van belang – als volgt: “Nederlanders door geboorte zijn: a. het wettig, gewettigd of door de vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader de staat van Nederlander bezit”.

Artikel 2 lid 1 WNI luidde – voor zover hier van belang – als volgt: “Nederlanders zijn ook: a. het kind van een tijdens de geboorte in Nederland of in de Nederlandse Antillen wonende vader of moeder, naar de in artikel 1, eerste lid, onder a en c, gemaakte onderscheidingen, die zelf geboren is uit een in een van deze landen wonende moeder”

2.3 Verzoeker is geen Nederlander door geboorte op grond van artikel 1 lid 1 sub a WNI, nu zijn vader destijds de Venezolaanse nationaliteit bezat. Het Hof verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 21 december 1999, LJN AD3121, NJ 2000, 247. Evenmin is verzoeker Nederlander op grond van artikel 2 lid 1 sub a WNI, nu zijn moeder tijdens zijn geboorte in Venezuela woonde. Het beroep op onderdeel sub a van de artikelen 1 en 2 WNI, zoals gedaan in de pleitnotitie van de gemachtigde van verzoeker, faalt derhalve. Het betoog van de gemachtigde, dat met “vader” in de wet ook gedoeld wordt op de moeder, vindt geen steun in het recht. Ook overigens is er geen wettelijke grondslag om vast te stellen dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit bezit.

2.4 Ingevolge de overgangsbepaling artikel 27 lid 1 RWN is artikel 3 RWN, dat onder meer bepaalt dat Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder (cursivering Hof) Nederlander is, alleen van toepassing op kinderen geboren na de inwerkingtreding van deze Rijkswet per 1 januari 1985.

2.5 Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker dient derhalve te worden afgewezen.

BESLISSING:

Het Hof:

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Hoefdraad, President, en mrs. J.P. de Haan en J.P.C. van Dam van Isselt, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2012 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.