Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX8354

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
EJ 1668/11 - Ghis 54673 - HAR 12/12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit arbeidsovereenkomst blijkt dat werknemer heeft ingestemd met het ondergaan van steekproefsgewijze drugstesten. Het strenge antidrugsbeleid van de werkgever heeft als doel het garanderen van de veiligheid op de werkvloer. Werknemers verrichten zware werkzaamheden op het terrein van de olieraffinaderij. Hof oordeelt dat de weigering van de drugstest een ontslag op staande voet rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2013/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienrs. EJ 1668/11 - Ghis 54673 - HAR 12/12

Uitspraak: 18 september 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN ERASMUS

Beschikking in de zaak van:

de naamloze vennootschap STORK WESCAR ARUBA N.V.,

gevestigd in Aruba,

hierna te noemen: werkgeefster,

oorspronkelijk verweerster, thans appellante,

gemachtigden: mr. C.A. Francis en mr. M.S. Cabenda,

tegen

[werknemer],

wonende in Aruba,

hierna te noemen: werknemer,

oorspronkelijk verzoeker, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.M.R.F. Scheper.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 1668 van 2011 gegeven en op 7 februari 2012 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2. Werkgeefster heeft in een beroepschrift, ingekomen op 7 maart 2012, met producties, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. Hierin heeft zij het beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van werknemer alsnog zal afwijzen, met veroordeling van werknemer in de proceskosten.

1.3. Op 7 augustus 2012 heeft werknemer een verweerschrift ingediend. Hierin heeft hij het hoger beroep bestreden en geconcludeerd dat het Hof het beroep van werkgeefster zal afwijzen en de bestreden beschikking zal bevestigen, en werkgeefster zal veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

1.4. Op 14 augustus 2012 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, welke – met toepassing van artikel 429q lid 5 tweede zin Rv – is geschied door de voorzitter van het Hof. Verschenen zijn aan de zijde van werkgeefster haar gemachtigde mr. Cabenda, [ ], directeur, [ ], ‘personnel coordinator’, en [ ], ‘safety coordinator’ van werkgeefster. Werknemer is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Gepleit is aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

1.5. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van het Hof medegedeeld dat een beschikking wordt uitgesproken waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3. Ontvankelijkheid

Werkgeefster heeft tijdig en op de juiste wijze hoger beroep ingesteld, zodat zij daarin kan worden ontvangen.

4. Waarvan in hoger beroep moet worden uitgegaan

Het GEA heeft onder 2 van de bestreden beschikking feiten vastgesteld. Deze vaststelling is voor wat betreft rov. 2.1, 2.2, 2.3 en 2.6 niet in geschil en ook het Hof zal er in zoverre van uitgaan.

5. Beoordeling

5.1. Het hoger beroep is gegrond. Uit de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst vloeit voort dat werknemer heeft ingestemd met het ondergaan van een drugstest op het moment dat werkgever een steekproefsgewijze drugstest opdraagt. Vast staat dat werknemer op 21 januari 2011 is opgedragen om een drugstest te ondergaan en dat hij heeft geweigerd om mee te gaan om deze drugstest te ondergaan toen hij daarvoor werd opgehaald door de ‘safety coordinator’ van werkgeefster. Werknemer wist of behoorde te begrijpen dat zulks zwaar weegt voor werkgeefster, mede gelet op de door hem ondertekende ‘Alcohol & Drugs policy’ (productie 2, verweerschrift in eerste aanleg). Overigens is bij de mondelinge behandeling naar voren gekomen dat onder andere de ‘safety coordinator’ werknemer hierop nog uitdrukkelijk heeft gewezen toen hij weigerde mee te gaan. De niet-naleving van deze contractuele verplichting rechtvaardigt gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Hof een ontslag op staande voet.

5.2. Daarbij heeft het Hof ook in aanmerking genomen dat werkgeefster onbetwist heeft gesteld dat haar werknemers op het terrein van de olieraffinaderij Valero zware werkzaamheden verrichten die een hoge concentratie vereisen en die naar hun aard hoge risico’s met zich meebrengen. Het niet houden aan de (veiligheids)richtlijnen kan leiden tot grote schade en het leven van de werknemer zelf en van anderen op het spel zetten, aldus werkgeefster. Aldus dient het strenge antidrugsbeleid van werkgeefster een legitiem doel (het garanderen van de veiligheid op de werkvloer). Voorts acht het Hof het testen op drugs en het aan een positieve uitslag of de weigering van een drugstest verbinden van arbeidsrechtelijke sancties daartoe een geschikt middel. Werkgeefster heeft zich in dit verband beroepen op het feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs in de vrije tijd van invloed kan zijn op het werk (vgl. HR 14 september 2007, LJN: BA5802).

5.3. De door werknemer gegeven redenen waarom hij de drugstest heeft geweigerd, maken het voorgaande niet anders. Werknemer heeft aangevoerd dat toen hem werd verzocht om mee te gaan om de test te doen hij doodmoe was, omdat hij een ‘continuous service shift’ met ‘fresh air’ en ‘hot oil’ procedures achter de rug had en de dag daarvoor niet had kunnen rusten omdat hij de hele dag bij zijn moeder in het ziekenhuis had doorgebracht. Voorts werd hem niet tijdig verzocht om mee te gaan om de test te doen, nu zijn dienst eindigde op 7:00 uur en het op het moment dat hij verzocht werd om mee te gaan duidelijk was dat hij veel later dan 7:00 uur beschikbaar zou moeten blijven, aldus werknemer.

5.4. Van doorslaggevend belang is dat werknemer onder werktijd is opgehaald door de ‘safety coordinator’ van werkgeefster. Uit de gang van zaken bij het afnemen van drugstesten door werkgeefster, beschreven door de ‘safety coordinator’ bij de mondelinge behandeling, welke door werknemer niet is weersproken, leidt het Hof af dat het niet onmogelijk zou zijn geweest dat de werknemer nog vóór 7:00 uur de test had gedaan. Hij zou immers met de auto naar het nabijgelegen laboratorium worden gebracht om een urinetest te doen. Indien hij niet meteen zou hebben kunnen urineren, zou het mogelijk later dan 7:00 uur zijn geworden. Met die mogelijkheid hoefde werkgeefster echter geen rekening te houden.

5.5. Gelet op het doel van het strenge antidrugsbeleid is het van groot belang, zoals werkgeefster onbestreden naar voren heeft gebracht, dat op de verplichting om een drugstest te ondergaan niet licht uitzonderingen worden toegestaan.

5.6. Tot slot hoefde werkgeefster gelet op de contractuele verplichting niet te aanvaarden dat werknemer op een later moment op de dag de test zou doen zoals hij stelt te hebben aangeboden, hetgeen werkgeefster overigens heeft weersproken.

5.7. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd. De verzoeken van werknemer moeten worden afgewezen.

5.8. Werknemer dient de kosten van deze procedure te dragen.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden beschikking; en opnieuw rechtdoende:

- wijst de verzoeken van werknemer af;

- veroordeelt werknemer in de kosten van deze procedure aan de zijde van werkgeefster gevallen en tot op heden begroot voor de eerste aanleg op Afl. 1.800,=, aan gemachtigdensalaris en voor het hoger beroep op Afl. 5.100,= aan gemachtigdensalaris en Afl. 900,= aan verschotten.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.P. de Haan, G.E.M. Polkamp en J.P.C. van Dam van Isselt, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2012 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.