Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX7040

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
H-63/12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen poging tot moord door op de openbare weg met een machinegeweer een groot aantal schoten te lossen. Een slachtoffer raakte daardoor ernstig verwond. De woonwijk waar dit plaats vond is van oktober 2010 tot en met februari 2011 geteisterd door een tiental schietincidenten die verband houden met vetes tussen twee concurrerende groepen. Verdachte is reeds eerder wegens doodslag ter beschikking aan de regering is gesteld. Hof oordeelt dat verdachte tot een zwaardere straf dient te worden veroordeeld dan in eerste aanleg en veroordeelt hem tot 9 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 juli 2012

Zaaknummer: H-63/12

Parketnummer: 500.00787/11

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 april 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op Curaçao op [datum] 1990,

wonende in Nederland,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring in Curaçao.

<u>De procesgang en het onderzoek van de zaak </u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 15 februari 2012, 24 februari 2012, 9 maart 2012, 21 maart 2012 en 28 maart 2012, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzittingen, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2012 in Curaçao.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw, mr. X.C.G. Bakhuis, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, aan de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

<u>De omvang van het hoger beroep</u>

Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde.

<u>De tenlastelegging</u>

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd:…

<u>Het vonnis waarvan beroep</u>

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot deels andere beslissingen komt.

<u>De bewezenverklaring</u>

Het Hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande:

Feit 1.

dat hij omstreeks 2 juli 2011 te Curaçao ter uitvoering van het door hem, verdachte, en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven te beroven, welk voornemen van verdachte en zijn mededaders zich in een begin van uitvoering heeft geopenbaard, immers heeft verdachte na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk met een vuurwapen meermalen op die [slachtoffer] geschoten, terwijl de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3.

dat hij omstreeks 2 juli 2011 te Curaçao, voorhanden heeft gehad een vuurwapen en munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

<u>De bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring, waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

<i>Tapdossier</i>

Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 oktober 2011 gesloten en getekend door [ ], hoofdagent bij het Korps Politie Curaçao, met bijlagen, voor zover inhoudende als relaas van die verbalisant, zakelijk weergegeven:

Dit proces verbaal relateert afgetapte gesprekken die via de mobiele nummeraansluiting 521-6612 van verdachte [ ] zijn afgeluisterd en opgenomen.

<i>Tapgesprek op 30 juni 2011 om 21.04.14 uur (p. 92)</i>

[verdachte] belt uit met [x] en zegt dat zij in het weekeinde bij de man moeten langsgaan doordat hij gezegd heeft dat de mensen in het weekeinde zullen incasseren. [verdachte] zegt dat het misschien morgen of zaterdag wordt.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 18.53.59 uur (p. 84)</i>

[y] belt in bij [verdachte]. [verdachte] zegt tegen [y] om te komen zodat zij naar [z] kunnen gaan. [y] zegt dat hij het aan hem moet vragen omdat de man de bal speelt en [y] vraagt aan [verdachte] of hij weet wie hij bedoelt. [y] zegt degene die bal speelt die wij gisteren erover hadden. [verdachte] zegt ja, ja, ja. [y] zegt hij is hier in de buurt, daarom. [verdachte] zegt zodat wij op die ‘road’ (weg) kunnen gaan. [y] zegt ja en dat hij ook [c] al had opgebeld en dat hij zei dat welke vogels dan ook, dat zij vinden dat zij eten aan hen moeten geven.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 18.14.27 uur (p. 84)</i>

[verdachte] belt uit met NN man en zegt tegen hem om de andere ding bij de man te nemen. NN man zegt dat de man even weg is. [verdachte] zegt de NN man om de ding bij hem te nemen als hij terug is en om dat ding naar boven te nemen zodat hij [verdachte] dat ding kan vullen.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 18.55.27 uur (p. 84)</i>

[verdachte] belt uit met [y] en zegt tegen hem om nu langs te komen. [verdachte] zegt tegen [y] dat ze bij die man zullen gaan en dat zij zeker twee, drie dingen kunnen krijgen.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 19.02.54 uur (p. 84)</i>

[verdachte] belt uit met [y] en zegt tegen hem om te komen.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 21.20.49 uur (p. 85)</i>

[t] belt uit met NN man. [y] spreekt met NN-man en zegt tegen hem dat hij hem nu nodig heeft. NN-man zegt dat hij nu zal komen.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 21.23.16 uur (p. 85)</i>

[t] belt [x] en vraagt [x] of hij met de gai kora [Hof, vertaling uit Papiaments: rode man] kan praten zodoende dat zij de Mte kunnen krijgen zodat ze naar een feest kunnen gaan. [x] zegt dat hij niet met die mannen kan praten. [t] zegt laat maar. [x] zegt om [k] te bellen.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 21.27.22 uur (p. 85)</i>

[verdachte] belt in bij [k]/[l]. [verdachte] vraagt hoeveel van die dingen [k] heeft. [verdachte] zegt dat hij de ‘koi mang’ bedoelt. [k] zegt dat hij er maar een heeft. [verdachte] vraagt aan [k] of hij de dinges kan ophalen bij de man. [verdachte] zegt dat hij bedoelt de zwarte ding. [k] vraagt bij de ‘rode man’. [verdachte] zegt ja. [k] zegt ‘figo’ zeker dan. Hij zegt dat hij het nu gaat doen. [verdachte] zegt nu en geen ander moment, broer. [k] zegt ja.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 22.22.51 uur (p. 85)</i>

[verdachte] belt uit met [l] ([k]/[r]) en vraagt aan hem hoe ver hij is. [l] zegt dat hij bijna bij de man is.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 22.31.51 uur (p. 85)</i>

[y] belt in met [verdachte] en vraagt aan hem of de man er al is. [verdachte] zegt dat hij onderweg is en dat hij zojuist de ding bij de man heeft opgehaald. [y] zegt dat hij ook bijna boven is en vraagt of de kleine mannen er al zijn. [verdachte] zegt dat er nog niemand aanwezig is.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 23.05.32 uur (p. 85)</i>

[verdachte] belt uit met [y] en vraagt aan hem hoe ver hij is. [y] zegt dat zij nu gaan vertrekken om te komen.

<i>Tapgesprek op 1 juli 2011 om 23.35.39 uur (p. 86)</i>

NN man belt in met [verdachte] en vraagt hem waar hij is. [verdachte] zegt dat hij bij [z] is. De NN man zegt tegen [verdachte] om naar hen buiten uit te kijken.

De verklaring van de verdachte, op 21 juni 2012 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik word [t] genoemd. Ik ben een zoon van [naam moeder], die [x] wordt genoemd. Hij zit momenteel ook in de gevangenis. Ik heb een broer, [broer], die [c] wordt genoemd. Op 1 juli 2011 was ik vanaf ongeveer 21.00 uur bij mijn oom [z] die woont aan de [adres] in Koraalspecht, te Curaçao. U houdt mij het tapgesprek van 1 juli 2011 om 18.14 uur voor. In dit gesprek sprak ik met een vriend van mijn vader. Met ‘de ding’ om ‘te vullen’ bedoelde ik een vuurwapen. U houdt mij het tapgesprek van 1 juli 2011 om 18.55 uur voor. Ik belde toen met [y] of [t], een neef van mij. Met die ‘twee of drie dingen’ bedoelde ik ook vuurwapens. U houdt mij het tapgesprek van 1 juli 2011 om 21.23 uur voor. Een ‘Mte’ is ook een schietding. U houdt mij het tapgesprek van 1 juli 2011 om 21.27 uur voor. Met een ‘koi mang’ bedoelde ik ook een vuurwapen.

Een proces-verbaal in de wettelijke vorm en op 1 maart 2012 gesloten en getekend door B.V. Petrona, brigadier bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als relaas van die verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit het registratiesysteem bij de Centrale Meldkamer van Politie blijkt dat er in de periode van 1 juli 2011 om 23.59.57 uur tot 2 juli 2011 om 00.02.35 uur vijf telefonische meldingen zijn binnengekomen met betrekking tot het schietincident op de [adres]. De derde melding betrof een telefonische melding geregistreerd op 2 juli 2011 omstreeks 00:00:16 uur. Een vrouw belde de centrale meldkamer en verklaarde het volgende:

‘Bonochi meneer, meneer [adres] banda di skol, bashamentu di bala pisa akinan. Awor aki mi ta mira un mucha homber ta huppelt, mi no sa si ta bala a kue, [adres] banda di skol’ (goedenavond meneer, bij [adres] bij de school worden er kogels tot en met afgevuurd. Nu zie ik een jongen die huppelt. Ik weet niet of hij door kogels geraakt is, [adres] bij de school).

<i>Zaakdossier Z.2 ( p. 16 e.v.)</i>

Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 3 juli 2011 gesloten en getekend door [ ], hoofdagent bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als relaas van die verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 2 juli 2011 omstreeks 00.20 uur deelde de centralist van de Centrale Meldkamer van de politie mij mede dat er een schietpartij op de [adres] ter hoogte van de Schotborgschool had plaatsgevonden waarbij een persoon gewond zou zijn geraakt. Ik begaf mij naar de polikliniek van het SEHOS (Sint Elisabeth Hospitaal) waar ik te woord werd gestaan door de dienstdoende arts dr. Reyes. Zij gaf mij te kennen dat het slachtoffer genaamd [slachtoffer] verschillende schotwonden had opgelopen, waaronder 2 schotwonden ter hoogte van zijn buikstreek, 1 schotwond ter hoogte van zijn rechter bovenachterbeen en 1 schotwond ter hoogte van zijn rechterheup.

<i>Zaakdossier Z.2 ( p. 24 e.v.)</i>

Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt en op 2 juli 2011 gesloten en getekend door [ ] en [ ], hoofdagenten bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de op 2 juli 2011, omstreeks 12.00 uur, in het Sint Elizabeth Hospitaal, afgelegde verklaring van de aangever [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Gisteren avond liep ik op de [adres] ter hoogte van de Schotborg-school. Op de [adres] zag ik een voertuig van het merk Kia Rio die langs reed. Vervolgens zag ik dat genoemde Kia op diezelfde weg terugkeerde. Hierna zag ik dat die auto bij mij ons stopte. De ruiten gingen naar beneden. Op dat moment zag ik dat de bestuurder de voor mij bekende man genaamd [M] was. Eveneens zag ik dat de voor mij bekende mannen bijgenaamd ‘[c]’ en ‘[t]’ in genoemde auto zaten. ‘[c]’ zat voorin als bijrijder en ‘[t]’ zat achter [M], dus aan de bestuurder zijde. Vervolgens zag ik een voor mij onbekend gebleven man die ook achter in genoemde auto zat. Op dat moment zag ik dat ‘[t]’ een zwartkleurig machinegeweer te voorschijn haalde. Hij richtte deze op mij en zei ‘mariku bota, hasi mariku awor no!’ [Hof, vertaling uit Papiaments: ‘je bent een flikker, doe als een flikker!’] en hierna begon hij op mij te schieten. Ik viel opzettelijk op de grond om te doen net als of ik geraakt werd, doch bleef ‘[t]’ op mij schieten. Ik voelde dat ik geraakt werd. Vervolgens reden zij weg. Ik stond op en merkte dat ik niet goed kon lopen naar aanleiding van schotwonden die ik had opgelopen. Ik huppelde in westelijke richting op zoek naar hulp. Verder moet ik verklaren dat in het verleden ik heel goed bevriend was met ‘[c]’, ‘[t]’ en ‘[M]’, vandaar dat ik hen meteen had herkend.

<i>Zaakdossier Z.2 (p. 48 e.v.)</i>

Een proces-verbaal van fotoconfrontatie in de wettelijke vorm opgemaakt en op 28 juli 2011 gesloten en getekend door [ ] en [ ], brigadier respectievelijk agent bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van die verbalisanten dat de aangever [slachtoffer], na aanwijzing van foto nummer 7 op een kaart van 10 foto’s, heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

Dit is de man die ik ken als ‘[t]’. Hij zat achterin de Kia Rio. Hij heeft met de machine geweer op mij geschoten, waardoor ik gewond raakte.

<i>Zaakdossier Z.2 (p. 51 e.v.)</i>

Een proces-verbaal van bevinding bij fotoconfrontatie in de wettelijke vorm opgemaakt en op 28 juli 2011 gesloten en getekend door [ ] en [ ], brigadier respectievelijk agent bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van die verbalisanten, zakelijk weergegeven:

De door [slachtoffer] aangewezen foto nummer 7 betreft een foto van [verdachte], geboren op [datum]1990 te Curaçao.

<i>Zaakdossier Z.2 (p. 6 e.v.)</i>

Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt en op 17 augustus 2011 gesloten en getekend door [ ], [ ] en [ ], brigadiers en technisch rechercheurs bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van die verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op grond van het technisch onderzoek naar de schietpartij op de [adres], ter hoogte van de Schotborgschool, in Koraalspecht, te Curaçao, in de nacht van vrijdag 1 juli op zaterdag 2 juli 2011, kan geconcludeerd worden dat:

- op de plaats delict negentien hulzen van het kaliber 9 mm Luger zijn aangetroffen;

- gezien de concentratie van de op elkaar aangetroffen hulzen niet kan worden uitgesloten dat ter plaatse een automatisch vuurwapen werd gebruikt dat bestemd is voor het afschieten van patronen van het kaliber 9 mm Luger;

- gezien de hoogte van de inslagen op de spijlen en muur, de schoten vermoedelijk vanuit een personenauto werden afgevuurd.

<u>Bewijsoverweging</u>

De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt. De als bewijsmiddel gebezigde verklaring van [slachtoffer] is afgelegd op 2 juli 2011, omstreeks 12.00 uur, derhalve betrekkelijk kort na het bewezenverklaarde, hetgeen bijdraagt aan de betrouwbaarheid daarvan. De nadien door [slachtoffer] afgelegde verklaringen komen bovendien op essentiële punten overeen met zijn verklaring van 2 juli 2011, terwijl die verklaring voorts voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het verweer wordt daarom verworpen.

<u>De strafbaarheid van het bewezenverklaarde</u>

Het bewezenverklaarde levert op:

<i>feit 1</i>

medeplegen van poging tot moord,

strafbaar gesteld bij artikel 302 jo. artikel 47 en artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht (oud);

<i>feit 2</i>

overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening 1930,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening.

Het bewezenverklaarde is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

<u>De strafbaarheid van de verdachte</u>

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>De oplegging van straf</u>

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen- en strafbaar verklaarde, met de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en met de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder heeft het Hof daarbij het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord door op de openbare weg met een machinegeweer een groot aantal schoten te lossen op [slachtoffer], die daardoor ernstig gewond is geraakt. Dat [slachtoffer] niet dodelijk is getroffen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken. Voor [slachtoffer], die destijds negentien jaar oud was, moet dit een zeer schokkende ervaring zijn geweest. Ook de rechtsorde meer in het algemeen wordt door dit soort feiten ernstig geschokt. Dit geldt voor de bewoners van Koraalspecht in het bijzonder nu hun wijk in de periode van oktober 2010 tot en met februari 2011 werd geteisterd door een tiental schietincidenten die verband houden met vetes tussen de groep van [K] en de groep van [N] (zie het (aanvullend) proces-verbaal op 28 januari (het Hof leest:) 2012 gesloten en getekend door verbalisant [ ]). Uit de verklaring van [slachtoffer] van 2 juli 2011 en de verklaring van de verdachte (persoonsdossier V02, p. 35 e.v., proces-verbaal op 20 juli 2011 gesloten en getekend door verbalisanten [ ] en [ ]) valt af te leiden dat het bewezenverklaarde schietincident in het kader van deze vetes kan worden geplaatst. Het Hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Ten nadele van de verdachte laat het Hof voorts meewegen dat hij in 2003 wegens doodslag ter beschikking aan de regering is gesteld.

Op grond van het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden. Het Hof is met eenparigheid van stemmen van oordeel dat aan de ernst van het feit, de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder voor een soortgelijk feit strafrechtelijk is veroordeeld en het belang om de verdachte en anderen ervan te weerhouden feiten als de onderhavige te plegen onvoldoende recht is gedaan door de strafoplegging in eerste aanleg en dat de verdachte tot een zwaardere straf dient te worden veroordeeld.

<u>De toepasselijke wettelijke voorschriften</u>

De op te leggen straf is, behalve op het reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 59 en 96 van het Wetboek van Strafrecht (oud).

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 april 2012 voor zover aan hoger beroep onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht, als volgt;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot <b>een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren</b>;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, P.E. de Kort en M.T. Boerlage, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 12 juli 2012.

Mr. P.E. de Kort is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.