Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX7036

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-05-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
HLAR 53597/11
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. In geschil is het verzoek om perceel aan appellant in erfpacht uit te geven. Het Gerecht heeft zich onbevoegd geacht. De Raad oordeelt dat het Gerecht wel bevoegd was om kennis te nemen van het beroep omdat het uitblijven van een beschikking op een bezwaarschrift gelijkgesteld wordt met een beschikking. De Raad oordeelt vervolgens dat de Minister de appellant niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat de weigering om een perceel in erfpacht uit te geven geen beschikking is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 53597/11

Datum uitspraak: 28 mei 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Aruba,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van

31 augustus 2011 in zaak nr. Lar 1229 van 2011 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu.

1. Procesverloop

Bij brief van 20 oktober 2010 heeft appellant (hierna: [appellant]) de minister verzocht om het perceel te Rooi Santo, nader omschreven in DLV veldwerknummer 20060311 kavel no. 1, (hierna: het perceel) aan hem in erfpacht uit te geven.

Bij brief van 2 februari 2011 heeft [appellant] de minister dat opnieuw verzocht.

Bij brief van 25 mei 2011 heeft [appellant] tegen het uitblijven van een beschikking op het tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek van 20 oktober 2010 door hem gemaakte bezwaar beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 31 augustus 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) zich onbevoegd verklaard om van het aldus ingestelde beroep kennis te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 12 oktober 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft het hoger beroep ter zitting behandeld op 4 april 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.B. Boyce, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.L. Ras Orman, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan: een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, zijn rechtshandelingen naar burgerlijk recht van het begrip beschikking uitgezonderd.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken om de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is gegeven.

Ingevolge het tweede lid wordt het uitblijven van een beschikking binnen de bij of krachtens landsverordening gestelde termijn, of, bij gebreke van zodanige termijn, het uitblijven van een beschikking binnen twaalf weken nadat daartoe door de belanghebbende een verzoek is ingediend, met een afwijzende beschikking gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, bedraagt de termijn, indien het bezwaarschrift betrekking heeft op het uitblijven van een beschikking, acht weken en gaat deze in op de dag, waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt tijdig een beschikking te geven.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, geeft het bestuursorgaan de beschikking op het bezwaarschrift binnen zes weken na dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van die termijn.

Ingevolge artikel 23, tweede lid, wordt het uitblijven van een beschikking op een bezwaarschrift binnen de in artikel 20, eerste lid, bedoelde termijn met een afwijzende beschikking gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, bedraagt de termijn, indien het beroepschrift betrekking heeft op het uitblijven van een beschikking op het bezwaarschrift, acht weken en gaat deze in op de dag waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt tijdig op het bezwaarschrift te beslissen.

2.2. [Aappellant] betoogt dat het Gerecht, door zich onbevoegd te achten om van het door hem ingestelde beroep kennis te nemen, heeft miskend dat het uitblijven van een beschikking op een bezwaarschrift binnen de in die verordening daarvoor gestelde termijn ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Lar met een afwijzende beschikking gelijk wordt gesteld.

2.2.1. Dit betoog slaagt. Nu het beroep was gericht tegen het uitblijven van een beschikking op een bezwaarschrift, hetgeen ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Lar met een afwijzende beschikking wordt gelijkgesteld, was het Gerecht bevoegd van dat beroep kennis te nemen.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar vernietigen en, zelf voorziend, het tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het verzoek van 20 oktober 2010 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.4. Een afwijzing van een verzoek om een perceel in erfpacht uit te geven is geen beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar, omdat zodanig verzoek ertoe strekt dat een daartoe strekkende overeenkomst wordt gesloten en uitgevoerd. Onder deze omstandigheden moet zodanige afwijzing geacht worden zich op te lossen in een rechtshandeling naar burgerlijk recht. Nu zodanige rechtshandelingen ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Lar geen beschikking zijn, is een weigering om een perceel in erfpacht uit te geven dat evenmin. Gelet hierop, kon de minister het door [appellant] tegen het met een afwijzing gelijk te stellen uitblijven van een beschikking op het verzoek van 20 oktober 2010 slechts niet-ontvankelijk verklaren.

2.5. Voor een veroordeling tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten biedt de Lar geen grondslag. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de bij [appellant] in beroep opgekomen proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij wordt een wegingfactor van 0,25 toegepast.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 31 augustus 2011 in zaak Lar nr. 1229 van 2011;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak tegen het met ongegrondverklaring daarvan gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door [appellant] tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek van 20 oktober 2010 gemaakte bezwaar ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de desbetreffende beschikking;

V. verklaart het door [appellant] tegen het met een afwijzing gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het verzoek van 20 oktober 2010 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking;

VII. veroordeelt de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 350,00 (zegge: driehonderdvijftig gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu aan

G.S.U. [appellant] te worden betaald;

VIII. gelast dat het Land Aruba aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,00 (zegge: honderd gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2012

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,