Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX0418

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-05-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
HLAR 47489/11
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is intrekking van verblijfsvergunning. De Minister betoogt dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van de Brooks-Tower regeling omdat zijn verwijdering is gelast op 17 juni 2003. Het verlenen van vergunning zou ingaan tegen de verwijderingsbeschikking van de gezaghebber en aldus wordt afbreuk gedaan aan de rechtsorde. Hof oordeelt dat dit betoog slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 47489/11

Datum uitspraak: 28 mei 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 14 juni 2011 in zaak nr. Lar 2011/47489 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister van Justitie

1. Procesverloop

Bij beschikking, verzonden op 9 februari 2011, heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de bij beschikking van 23 februari 2010 aan [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) verleende vergunning tot tijdelijk verblijf ingetrokken.

Bij uitspraak van 14 juni 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het door de vreemdeling daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en die beschikking vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij het Hof ingekomen op

26 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 september 2011.

Feng heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2012 waar de minister, vertegenwoordigd door mr. D.J. Victorina, werkzaam in dienst van het land, en [de vreemdeling], bijgestaan door mr. E. Cheri en A.J. Henriquez LL.M., beiden advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting (hierna: de Ltu), voor zover thans van belang, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf en tot verblijf door of namens de minister van Justitie bij een met redenen omklede beslissing worden ingetrokken:

a. t/m b. (…);

c. met het oog op de goede zeden;

d. indien dit in het algemeen belang wenselijk is;

d. t/m e. (…).

2.2. Volgens artikel 1, onder a, van de ministeriele beschikking van

14 oktober 2009 (hierna: de Richtlijnenbeschikking BT), gepubliceerd in de Curaçaosche Courant van 30 oktober 2009, nr. 5024/MJ, voor zover thans van belang, is er een regeling genaamd Richtlijnen plan van aanpak Brooks Tower (hierna: de BT-regeling).

Volgens dat artikel, onder b, is deze regeling van toepassing op "ongedocumenteerde" vreemdelingen, zijnde vreemdelingen zonder legale status in de Nederlandse Antillen.

Volgens dat artikel, onder c, dienen deze "ongedocumenteerde" vreemdelingen aan de voorwaarden, vereisten en voorschriften, vermeld in de BT-regeling te voldoen.

Volgens dat artikel, onder d, geldt de BT-regeling van 3 november tot en met 15 december 2009.

In de BT-regeling is onder meer het volgende vermeld:

"Sinds vele jaren verblijft een toenemend aantal vreemdelingen in de Nederlandse Antillen. Van deze vreemdelingen verblijft een steeds groter aantal al jaren zonder toelating, en dus illegaal, op de eilanden. De overheid realiseert [zich] dat langdurig verblijf zonder verblijfstitel op zichzelf geen reden is om het verblijf te legaliseren. Er is echter vastgesteld dat het vreemdelingenproces niet naar behoren verloopt en dat de overheid niet adequaat is opgetreden. (…) De minister zal bij de behandeling van deze groep vreemdelingen zijn discretionaire bevoegdheid gebruiken omdat het gaat om een samenstel c.q. combinatie van bijzondere factoren, die er in hun onderlinge samenhang bezien, toe leiden dat de concrete toepassing van het reguliere beleid in het concrete geval getuigt van een onbedoelde bijzondere hardheid. Het gaat hierbij met name om factoren als zeer lange verblijfsduur in de respectievelijke eilandgebieden van de Nederlandse Antillen, het ongelijk behandelen van gelijksoortige aanvragen en het niet tijdig afhandelen van aanvragen. (…) Voor de toepassing van het Brooks Tower Akkoord is een onderverdeling gemaakt in drie categorieën. Deze categorieën zijn gebaseerd op de datum van binnenkomst in de Nederlandse Antillen en kennen ieder voor zich aparte vereisten en bepalingen. (…) Onder categorie I vallen alle vreemdelingen die kunnen aantonen dat zij reeds voor 31 december 2001 op de Nederlandse Antillen aanwezig waren en sedertdien woonplaats hebben gehad op de respectievelijke eilandgebieden van de Nederlandse Antillen. Deze vreemdelingen komen in aanmerking voor een VTTV (BT).

(…) Gegeven de aard van de toelating onder de BT-regeling, zal het niet voorkomen dat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Het is uiteraard wel mogelijk dat de VTTV (BT) ingetrokken wordt op basis van het verstrekken van onjuiste gegevens en vervalste documenten die hebben geleid tot de verlening van de VTTV (BT). Ook voor het overige zijn de normale intrekkingsgronden zoals openbare orde aspecten (waaronder criminele antecedenten) van toepassing."

2.3. Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de BT-regeling betrekking heeft op vreemdelingen die zeer langdurig in de Nederlandse Antillen verbleven en op wier verzoek om toelating het vóór 2006 gevoerde toelatingsbeleid van toepassing was. De BT-regeling kent voorts een beperkte geldigheidsduur en bevat strikte vereisten om voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf op voet ervan in aanmerking te kunnen komen. Voor vreemdelingen die buiten het bereik van de BT-regeling vallen, zijn geen uitzonderingen gemaakt. Hieruit volgt dat de BT-regeling een beperkt bedoelde aanvulling op het gevoerde reguliere toelatingsbeleid vormt. Zij strekt er niet toe om vreemdelingen die niet aan de gestelde vereisten voldoen of niet behoren tot de groep die onder het bereik van de BT-regeling valt, niettemin in verband met individuele omstandigheden voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf in aanmerking te brengen.

2.4. Bij beschikking van 23 februari 2010 heeft de minister de vreemdeling op de voet van de BT-regeling een vergunning tot tijdelijk verblijf verleend. Aan deze beschikking heeft de minister ten grondslag gelegd dat de vreemdeling onder categorie 1 van de BT-regeling valt.

2.5. Aan de op 9 februari 2011 verzonden beschikking heeft de minister ten grondslag gelegd dat de gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de gezaghebber) bij beschikking van 17 juni 2003 de verwijdering en inbewaringstelling van de vreemdeling heeft gelast en hem voor drie jaar de binnenkomst tot de Nederlandse Antillen heeft ontzegd. Aldus voldoet de vreemdeling volgens de minister niet aan de in BT-regeling voor toelating gestelde eisen en valt hij derhalve niet onder categorie I, nu hij niet sinds 1 december 2001 onafgebroken in de Nederlandse Antillen heeft verbleven.

Voorts heeft de vreemdeling onjuiste inlichtingen verschaft die tot zijn toelating hebben geleid, nu hij bij de aanvraag om verlening van een vergunning in het kader van de BT-regeling niet heeft vermeld dat bij beschikking van 17 juni 2003 zijn verwijdering is gelast, aldus de beschikking.

2.6. Het Gerecht heeft die beschikking aldus onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd geacht, omdat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling daadwerkelijk uit Curaçao verwijderd is. Onder deze omstandigheden heeft de minister volgens het Gerecht aan die beschikking niet ten grondslag mogen leggen dat de vreemdeling tot het verkrijgen van de verblijfsvergunning in het kader van de BT-regeling onjuiste informatie heeft verstrekt.

Voorts ziet de BT-regeling op ongedocumenteerde vreemdelingen die langdurig en onafgebroken in Curaçao hebben verbleven, zodat niet valt in te zien dat de vreemdeling, hoewel hij aan de daarvoor gestelde eisen voldoet, niet voor vergunningverlening in het kader van de BT-regeling in aanmerking zou komen, omdat in het verleden zijn verwijdering is gelast, aldus het Gerecht.

2.7. De minister betoogt dat het Gerecht aldus heeft miskend dat de vreemdeling niet voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf in het kader van de BT-regeling in aanmerking kwam, omdat bij beschikking van 17 juni 2003 zijn verwijdering is gelast. Volgens de minister gaat het verlenen van een vergunning tot tijdelijk verblijf in het kader van de BT-regeling in tegen de verwijderingsbeschikking van de gezaghebber en wordt aldus afbreuk gedaan aan de rechtsorde.

2.7.1. Dit betoog slaagt. Zoals hiervoor is vermeld, is volgens de Richtlijnenbeschikking BT de BT-regeling van toepassing op ongedocumenteerde vreemdelingen die zonder te zijn toegelaten in de Nederlandse Antillen verbleven, en is de kennelijke bedoeling van de BT-regeling te voorzien in beleid in gevallen van ongedocumenteerde vreemdelingen, waarbij de overheid niet adequaat heeft opgetreden. Nu bij beschikking van 17 juni 2003 diens verwijdering is gelast, kan de vreemdeling niet worden aangemerkt als een ongedocumenteerde vreemdeling, waarbij de overheid niet adequaat heeft opgetreden. Dat hij, naar gesteld, niet feitelijk is uitgezet, is daarvoor niet voldoende.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 14 juni 2011 in zaak nr. Lar 2011/47489;

III. verklaart het in die zaak door [de vreemdeling] bij het Gerecht ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2012

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,