Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BW8390

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-05-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
HLAR 47467/11
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de weigering van een verblijfsvergunning op voet van de Brooks Tower regeling. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de eis tot betalen van waarborgsom in dit geval niet mocht worden gesteld en derhalve de weigering vernietigd. Minister betoogt dat vreemdeling evenmin heeft voldaan aan de eis van het overleggen van een nationaal paspoort. Dit betoog slaagt en het Hof verklaart het hoger beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 47467/11

Datum uitspraak: 28 mei 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Justitie van Curaçao,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 19 april 2011 in zaak nr. 2010/204 in het geding tussen:

[de wettelijk vertegenwoordiger], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 21 juli 2010 heeft de minister van Justitie van de Nederlandse Antillen een verzoek van [de wettelijk vertegenwoordiger] (hierna: de wettelijk vertegenwoordiger) om aan [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 19 april 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het door de wettelijk vertegenwoordiger daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd en bepaald dat appellant (hierna: de minister) binnen vier weken een nieuwe beschikking op het verzoek geeft.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij het Hof ingekomen op 31 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De wettelijk vertegenwoordiger heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. O.G. Plate, en de wettelijk vertegenwoordiger, bijgestaan door mr. E.R. Cheri en A.J. Henriquez LL.M., beiden advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Hierna wordt onder de minister tevens diens rechtsvoorganger verstaan.

2.2. De minister klaagt dat het Gerecht hem, door hem op te dragen om binnen vier weken na de aangevallen uitspraak een nieuwe beschikking op het verzoek te geven, ten onrechte heeft beperkt in zijn recht om binnen zes weken tegen een uitspraak hoger beroep in te stellen.

2.2.1. Ingevolge artikel 50, vierde lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), voor zover thans van belang, kan het Gerecht, indien het het beroep gegrond verklaart, het bestuursorgaan opdragen een nieuwe beschikking te geven. Het kan in dat geval voor het geven van die beschikking een termijn stellen.

Ingevolge artikel 76, voor zover thans van belang, wordt het hoger beroep binnen zes weken na de dag waarop van de uitspraak van het Gerecht kennis is gegeven, op de wijze, bedoeld in de artikelen 51, tweede lid, en 52, derde lid, aanhangig gemaakt middels een aan het Hof gericht beroepschrift.

2.2.2. Uit voormelde bepalingen, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming ervan, kan worden afgeleid dat de termijn die het Gerecht voor het geven van een nieuwe beschikking kan stellen, niet korter mag zijn dan die, waarbinnen hoger beroep tegen de uitspraak, waarbij die wordt gesteld, kan worden ingesteld. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat het geven van een nieuwe beschikking ter uitvoering van de uitspraak van het Gerecht afbreuk doet aan de bevoegdheid van het desbetreffende bestuursorgaan om hoger beroep in te stellen, dan wel tot gevolg heeft dat diens belang daarbij komt te ontvallen. Het betoog faalt.

2.3. Het Gerecht heeft de weigering om de vreemdeling een vergunning tot tijdelijk verblijf op voet van de regeling Richtlijnen plan van aanpak 'Brooks Tower' te verlenen vernietigd, omdat daaraan volgens het Gerecht ten onrechte ten grondslag is gelegd dat de vreemdeling geen waarborgsom heeft betaald, nu die eis in dit geval niet mocht worden gesteld.

2.4. De minister klaagt dat het Gerecht, door de rechtsgevolgen van de door hem vernietigde beschikking niet in stand te laten, heeft miskend dat de vreemdeling evenmin heeft voldaan aan de voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf gestelde eis van het overleggen van een nationaal paspoort. Het voldoen aan deze eis is van belang om de nationaliteit van de vreemdeling en de datum van diens laatste binnenkomst in de Nederlandse Antillen vast te kunnen stellen, zodat niet met het overleggen van een sedula (hierna: een identiteitsdocument) kon worden volstaan, aldus de minister.

2.4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Toelatingsbesluit zijn aan vergunningen tot tijdelijk verblijf de volgende voorwaarden verbonden:

1º Betrokkene dient in het bezit te zijn van:

a. een bij ministeriële beschikking toegelaten reisdocument;

b. t/m e. (…)

2º t/m 4º (…)

Ingevolge artikel 1 van de ministeriële beschikking van 7 december 2004 (P.B. 1985, no. 57) worden alleen geldige documenten voor grensoverschrijding als reisdocument, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder 1, sub a, van het Toelatingsbesluit toegelaten.

Ingevolge het tweede lid zijn documenten voor grensoverschrijding:

a. paspoorten,

b. t/m h. (…).

2.4.2. Volgens artikel 1, onder a, van de ministeriële beschikking van 14 oktober 2009 (hierna: de Richtlijnenbeschikking "Brooks Tower"), gepubliceerd in de Curaçaosche Courant van 30 oktober 2009, nr. 5024/MJ, is er een regeling, genaamd Richtlijnen plan van aanpak Brooks Tower (hierna: de BT-regeling).

Volgens dat artikel, onder b, is zij van toepassing op 'ongedocumenteerde' vreemdelingen, zijnde vreemdelingen zonder legale status in de Nederlandse Antillen.

Volgens dat artikel, onder c, dienen deze 'ongedocumenteerde' vreemdelingen aan de voorwaarden, vereisten en voorschriften, vermeld in de regeling te voldoen.

Volgens de BT-regeling, voor zover thans van belang, dient de vreemdeling, om voor vergunningverlening op de voet van die regeling in aanmerking te kunnen komen, over een authentiek paspoort, verlopen of geldig, te beschikken, waaruit de voor de toepassing van de BT- regeling relevante reishistorie valt af te leiden. Dit dient te zijn voorzien van een inreisstempel om aan te tonen dat de vreemdeling reeds vóór 31 december 2001 de Nederlandse Antillen is binnengekomen of een uitreisstempel land van herkomst en/of daarbij behorend vliegticket. Mocht dit niet realiseerbaar zijn, dan dient hij zich op een andere wijze te kunnen identificeren en dient hij middels documenten en bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat hij vóór 31 december 2001 op het eilandgebied van de Nederlandse Antillen zijn woonplaats heeft gehad en nog heeft.

Bij afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf op voet van de BT-regeling (hierna: de BT-vergunning) dient de vreemdeling, voor zover thans van belang, een geldig paspoort over te leggen.

Indien het verzoek wordt ingewilligd, volgt een oproepbrief met daarin de voorschriften waaraan de vreemdeling moet voldoen. De BT-vergunning dient binnen twee maanden na datum van de oproepingsbrief te zijn opgehaald, anders zal deze alsnog worden geweigerd, aldus de BT-regeling.

2.4.3. Het Gerecht heeft overwogen dat het stellen van de eis van het overleggen van een paspoort bij afgifte van een BT-vergunning bedoeld is om de identiteit van de desbetreffende vreemdeling vast te kunnen stellen ter verzekering dat de vergunning aan de rechthebbende wordt uitgereikt, maar de identiteit van de vreemdeling ook aan de hand van andere documenten kan worden vastgesteld. Omdat de vreemdeling ter zitting alsnog een identiteitsdocument heeft overgelegd, komt hij voor vergunningverlening op de voet van de BT-regeling in aanmerking, aldus het Gerecht.

2.4.4. Dat de identiteit van een vreemdeling, naar het Gerecht heeft aangenomen, aan de hand van andere documenten dan een paspoort, zoals een identiteitsdocument, kan worden vastgesteld, leidt er niet toe dat de minister de eis van het overleggen van een nationaal paspoort voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf op voet van de BT-regeling niet mocht stellen. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder 1, sub a, van het Toelatingsbesluit bepaalt dat betrokkene voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf, al dan niet op voet van de BT-regeling, over een bij de ministeriële beschikking van 7 december 2004 toegelaten reisdocument, zoals een paspoort, dient te beschikken. Een identiteitsdocument is ingevolge die beschikking geen zodanig document. Daar komt bij dat in de BT-regeling is vermeld dat op het moment van afgifte van een BT-vergunningbewijs een geldig paspoort dient te worden overlegd en deze eis, zoals de minister heeft toegelicht, is gesteld om vast te kunnen stellen of het verblijf in de periode tussen het moment van de beoordeling van het verzoek en de afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf niet onderbroken is geweest en de desbetreffende vreemdeling derhalve op dat moment nog steeds aan het volgens de BT-regeling geldende vereiste van onafgebroken verblijf in de Nederlandse Antillen voldoet. Uit een identiteitsdocument valt dat niet af te leiden.

Dat de vreemdeling ter zitting van het Gerecht een identiteitsdocument heeft overgelegd, heeft het Gerecht reeds om die reden ten onrechte grond gegeven voor het oordeel dat aan de eis van het overleggen van een paspoort bij afgifte van een BT-vergunningbewijs is voldaan. Het Gerecht heeft dan ook ten onrechte de rechtsgevolgen van de door hem vernietigde beschikking niet in stand gelaten, nu niet in geschil is dat de vreemdeling bij het afhalen van het BT-vergunningbewijs geen nationaal paspoort heeft overgelegd en hij aldus niet aan alle voor verlening van de BT-vergunning gestelde eisen voldeed. Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof de rechtsgevolgen van de door het Gerecht vernietigde beschikking van 21 juli 2010 in stand laten.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 19 april 2011 in zaak nr. 2010/204, voor zover aangevallen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking van de minister van Justitie van de Nederlandse Antillen van 21 juli 2010, kenmerk FMSCRV20101988/1 geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2012

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,