Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BW8377

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
Ghis 48927-AR 24/07-H-119/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de beschikkingsbevoegdheid van [P]. [P] stelt door verkrijgende verjaring beschikkingsbevoegd te zijn geworden. De toepasselijke wettelijke regels zijn echter niet opgevolgd. Derhalve dient Aldi te bewijzen dat [P] door verjaring perceel heeft verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ZAAKNRS: Ghis 48927-AR 24/07-H-119/11

UITSPRAAK: 13 april 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Vonnis in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap Aldi Properties N.V.,

gevestigd op Sint Maarten,

gemachtigde: mr. J.G. Snow,

en

2. [D.P.],

wonend in de Verenigde Staten van Amerika,

3. [R.P.],

wonend in Nederland,

4. [H.P.],

wonend in Nederland,

thans procederende in persoon,

oorspronkelijk gedaagden in conventie, eisers in reconventie en verweerders in het incident, thans appellanten in het principaal appel en geïntimeerden in het incidenteel appel,

tegen

1. [A.P],

wonend in Sint Maarten,

2. [L.C.],

wonend in de Verenigde Staten van Amerika,

3. [M.C.],

wonend in Nederland,

4. [E.C.],

wonend in Nederland,

5. [W.C.],

wonend in Nederland,

6. [C.C.],

wonend in Aruba,

7. [J.C.],

wonend in Aruba,

oorspronkelijk eisers in conventie, gedaagden in reconventie,

thans geïntimeerden in het principaal appel en appellanten in het incidenteel appel,

en

8. [S.C.],

wonend in Aruba,

9. [T.C.],

wonend in Aruba,

10. [A.C.],

wonend in Aruba,

oorspronkelijk eisers in het incident, thans appellanten in het incidenteel appel,

gemachtigden: mr. C.H.J. Merx en de heer Edwin I. Maduro.

Partijen worden hierna aangeduid als Aldi (appellant onder 1), [P] (appellanten onder 2-4), [X] (geïntimeerden 1-7 in het principaal appel) en [C] (appellanten in het incidenteel appel 8-10). De geïntimeerden samen worden ook aangeduid als de [X en C]. Onder ‘[P]’ zijn medebegrepen zijn voorgangers.

1. Verder verloop van de procedure

1.1 Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenvonnis van 29 november 2011.

1.2 Bij brief van 7 december 2011 hebben de [X en C] producties ingezonden.

1.3 Bij brief van 8 december 2011 heeft Aldi producties ingezonden.

1.4 Op 14 december 2011 heeft een comparitie van partijen ter plaatse van het litigieuze perceel plaatsgevonden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Door de [X en C] is een akte tot verschaffing van inlichtingen ter descente-comparitie, met producties, en een ‘power of attorney’ overgelegd.

1.5 Aldi heeft op 27 januari 2012 een akte houdende uitlating, met producties, genomen.

1.6 De [X en C] hebben op 2 maart 2012 een conclusie na decente/comparitie, met producties, genomen.

1.7 Vonnis is bepaald op heden.

2. Beoordeling

<i>Voegingsincident</i>

2.1. Het Hof begrijpt dat [C] opnieuw voeging, maar nu in appel, hebben gevraagd. Het Hof ziet geen reden dit af te wijzen, mede in aanmerking genomen dat [X] geacht wordt te procederen ten behoeve van de gemeenschap. Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis (rov. 4.1 onder V-VI). Bij deze stand van zaken heeft [X] geen belang meer bij haar incidenteel appel tegen het voegingsvonnis van het GEA van 26 augustus 2008.

<i>Hoofdzaak</i>

2.2. Aan Aldi is door [P] bij transportakte van 15 juli 2002 (productie 11 bij inleidend verzoekschrift) een perceel met meetbrief 478/1989, groot 6.279 m2 (productie 4 inleidend verzoekschrift) geleverd. Volgens de [X en C] was [P] slechts ten aanzien van een deel van het perceel (het noordelijke) beschikkingsbevoegd. Het andere deel (het zuidelijke) behoort aan hen toe.

2.3. Vóór de levering, te weten bij akte van 28 juni 2002 (productie 6 bij inleidend verzoekschrift) had [P] met betrekking tot het perceel 478/1989 een verkrijgende verjaring ingeschreven. Daarbij zijn echter de toepasselijke wettelijke regels niet opgevolgd (artikel 34 jo artikel 37 <i>Landsverordening openbare registers jo artikel 3:20 Burgerlijk Wetboek</i>). Wat daarvan zij, aan deze inschrijving kan Aldi tegenover de [X en C] geen bescherming ontlenen, aangezien niet kan worden gezegd dat de [X en C] ‘redelijkerwijs voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid had[den] kunnen zorgdragen’ (artikel 3:26 BW).

2.4. Kennelijk heeft [P], blijkens de akte van 28 juni 2002, een advertentie in twee kranten gezet, maar de weg van artikel 3:27 BW (zgn. ‘eigendomsuitwijzing’), waaraan Aldi als opvolger onder bijzondere titel wel bescherming had kunnen ontlenen (lid 3, tweede volzin), is door [P] niet gevolgd.

2.5. Onder deze omstandigheden dienen Aldi en [P] te bewijzen dat [P] inderdaad het perceel, althans het betwiste (zuidelijke) deel van het perceel, door verjaring heeft verkregen. Daartoe zal voldoende zijn dat [P] (of iemand anders dan de [X en C]) sedert 1 januari 1982 het bezit had. De rechtsvordering van de [X en C] zal dan, aangenomen dat voor het jaar 2001 ingevolge artikel 8 <i>Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek</i> nog een dertigjarige termijn gold, twintig jaren later (artikel 3:306) zijn verjaard. [P], die op dat moment bezitter was, zal dan eigenaar zijn geworden, ook al was hij niet te goeder trouw (artikel 3:105 lid 1 BW).

2.6. Het Hof acht bewezen dat [P] sedert 1 januari 1982 bezitter was van het gehele perceel. De desbetreffende meetbrief 478/1989 (productie 4 inleidend verzoekschrift) is op 5 december 1989 op instigatie van [P] opgemaakt. Kennelijk is door hem hiervoor reeds op 27 augustus 1987 het verschuldigde bedrag (NAF. 3.160,=) betaald. Dit zijn bezitsdaden.

2.7. Dat [P] ook reeds eerder geruime tijd bezitter was volgt met voldoende zekerheid uit de getuigenverklaringen, overgelegd door Aldi als producties bij haar conclusie van antwoord van 18 november 2008 alsmede uit de hierna aan te duiden kaarten. Getuige [V.A.M.] verklaart: ‘De grens van het terrein ten zuiden wordt gevormd door het huisje van een vrouw mij bekend als “Nini”. Op de kaart die u mij toont woont Nini aan de Well Road in het pand dat is ingetekend vlak bij het woord “road” op perceel [nummer]van 1996’ [zie de kaart overgelegd door Aldi bij brief van 8 december 2011 (productie 6)] en ‘Er is een duidelijke afbakening … die wordt gevormd door de aanwezige gumbomen waartussen prikkeldraad is aangebracht’. Getuige [R.P]: ‘Het terrein was helemaal afgezet in verband met vee’ en: ‘Gezien vanaf de Union Road was aan de achterzijde van de grote huis redelijk wat ruimte. Er stonden meerdere grote bomen’. Getuige [H.P.]: ‘In die tijd was het perceel helemaal afgezet (…). De afzetting met wat nu op de kaart is ingetekend als meetbrieven 220 en 221 van 1986 [het Hof leest: 1996] was wired fence’ en ‘U vraagt mij wat de afstand was van de achterzijde van het grote huis in de richting van Cole bay. Dat was een grote afstand.’

2.8. Uit de kaart van het kadaster en hypotheekwezen, overgelegd door de [X en C] op 5 juni 2007 (productie 7-7A) en opnieuw ter gelegenheid van de comparitie/descente op 13 december 2011 en door Aldi en [P] bij Memorie van Grieven (producties 2 en 7 ad grieven VII-VIII) en de (latere) kaart overgelegd door Aldi bij brief van 8 december 2011 (productie 6) blijkt dat er bouwwerken staan op de grens van het onomstreden noordelijk en het omstreden zuidelijk gedeelte van perceel 478/1989. In verbinding met de getuigenverklaringen ten aanzien van de bewoning der huizen door [P] (van [D.P.], [R.P.] en [H.P.]) duidt dit op het bezit door [P] van beide gedeelten.

2.9. Van een door de [X en C] tussen 1 januari 1982 en 1 januari 2002 ingestelde rechtsvordering tot beëindiging van het bezit of van een stuiting van de verjaring door de [X en C] is niet gebleken.

<i>Besluit</i>

2.10. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en de vordering van [X] moet worden afgewezen. Aan het incidenteel appel wordt niet toegekomen.

2.11. In het tussenvonnis van het Hof (rov. 4.1 onder V) is reeds overwogen dat [C] te laat zijn wat betreft hun appel tegen het voegingsvonnis van het GEA van 26 augustus 2008 omdat dit jegens hen een eindvonnis was. Zij zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.12. De [X en C] dienen de kosten van deze procedure aan de zijde van Aldi en [P] gevallen te dragen.

BESLISSING

Het Hof:

- verklaart [C] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het voegingsvonnis van het GEA van 26 augustus 2008;

- staat [C] toe zich in hoger beroep te voegen aan de zijde van [X];

- vernietigt het bestreden vonnis; en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen van [X] af;

- veroordeelt de [X en C] hoofdelijk in de kosten van deze procedure aan de zijde van Aldi en [P] gevallen en tot op heden begroot wat betreft de eerste aanleg op NAF. 3.000,= aan gemachtigdensalaris voor Aldi en NAF. 3.000,= aan gemachtigdensalaris voor [P] en wat betreft het hoger beroep op NAF. 23.598,50 aan verschotten voor Aldi, NAF. 8.500,= aan gemachtigdensalaris voor Aldi en NAF. 5.100,= aan gemachtigdensalaris voor [P].

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, P.E. de Kort en J.P.C. van Dam van Isselt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 13 april 2012.