Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BW4865

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
52058 AR 30/10 – H – 154/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de verkoop van echtelijke woning. Appellant doet een beroep op de vernietigingsgrond wegens het ontbreken harer toestemming. Hof overweegt dat het zich elders inschrijven voorafgaand de overdracht nog niet meebrengt dat zij de woning als woonstede heeft prijsgegeven. Daarnaast beantwoordt het Hof voorshands bevestigend dat de overdracht tevens had te doen gelden als een gift. Hof gelast comparitie en houdt iedere verdere beslissing aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Registratienummer: 52058 AR 30/10 – H – 154/11

Uitspraak: 20 april 2012 (bij vervroeging)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2],

3. [appellant sub 3],

4. [appellant sub 4],

domicilie gekozen hebbende te Aruba,

oorspronkelijk eisers, thans appellanten,

gemachtigden voor appellante sub 1: mrs. E. Duijneveld en M.M.A. Domingo-Van Lieshout;

gemachtigde voor appellanten sub 2, 3 en 4: mr. E. Duijneveld,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Bonaire,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E.Th. Wesselius.

Appellante sub 1 wordt hierna ook [appellant sub 1] genoemd.

1. Het verdere verloop van de procedure

Na het vonnis van 21 februari 2012 heeft geïntimeerde “een akte van uitlating vermeerdering van eis na pleidooi” genomen.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Gelet op het bezwaar van geïntimeerde tegen de eiswijziging van [appellant sub 1] na pleidooi en gelet op hetgeen is overwogen onder 4.3 van het vonnis van 21 februari 2012, zal de eiswijziging buiten beschouwing worden gelaten.

2.2 Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op basis van de niet of onvoldoende weersproken inhoud van de overgelegde stukken, het volgende vast:

a) [appellant sub 1] is de weduwe van de in 2009 overleden [overleden echtgenoot]r, hierna “[overleden echtgenoot]”, met wie zij in 1977 in het huwelijk is getreden;

b) Appellanten sub 2, 3 en 4 en geïntimeerde zijn kinderen van [overleden echtgenoot];

c) Bij notariële akte van 5 februari 2008 heeft [overleden echtgenoot] als verkoper aan geïntimeerde als koper overgedragen het perceel grond te Entrejol, Bonaire, kadastraal bekend afdeling 4, sectie E, nummer 10, groot 432 m2, plaatselijk bekend als [adres], hierna “de woning”;

d) Deze notariële akte bevat de onjuiste vermelding dat [overleden echtgenoot] ongehuwd is;

e) Ten aanzien van de koopprijs bepaalt de akte: “De koopprijs bedraagt TACHTIG DUIZEND ANTILLIAANSE GULDENS (NAf. 80.000,--), welk bedrag rechtstreeks door koper aan de verkoper is voldaan”;

f) [appellant sub 1] heeft geen toestemming gegeven voor verkoop of overdracht van de woning.

g) Door [appellant sub 1] is conservatoir beslag gelegd op de woning.

2.4 Het GEA heeft de vordering, die ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat de woning deel uitmaakt van de nalatenschap van [overleden echtgenoot], afgewezen. Daartoe heeft het GEA zakelijk weergegeven overwogen dat thans appellanten onrechtmatig handelen van thans geïntimeerde aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd, maar dat een eventueel onrechtmatig handelen van thans geïntimeerde nog niet meebrengt dat hij geen eigenaar van de woning is geworden, noch dat de woning moet worden geacht deel uit te maken van de nalatenschap van [overleden echtgenoot]

2.5 De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het Hof voor.

2.6 Ingevolge artikel 1:88 lid 1 onder a en b BW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor onder meer overeenkomsten strekkende tot vervreemding van de echtelijke woning en voor (anders dan gebruikelijke en niet bovenmatige) giften. Artikel 1:89 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met artikel 1:88 BW heeft verricht vernietigbaar is en dat slechts de andere echtgenoot een beroep op de vernietigingsgrond kan doen.

2.7 Evenals in eerste aanleg doet [appellant sub 1] een beroep op de vernietigingsgrond van het ontbreken harer toestemming. Zij stelt daartoe dat de woning de echtelijke woning betrof en dat de overdracht van de woning daarnaast (deels) had te gelden als een gift. In verband met dat laatste verwijst zij naar een taxatierapport van 2006 waarin de marktwaarde van de woning is gewaardeerd op NAF. 130.000,-. Voorts heeft zij bestreden dat de in de notariële akte opgenomen verklaring over de betaling van de koopsom juist is en dat geïntimeerde [overleden echtgenoot] daadwerkelijk voor de woning heeft betaald.

2.8 Het Hof overweegt dat indien de woning ten tijde van de overdracht (nog immer) had te gelden als de echtelijke woning of indien sprake was van een gift als hiervoor bedoeld, het beroep van [appellant sub 1] op de vernietigingsgrond moet worden aanvaard, nu tussen partijen immers vaststaat dat [overleden echtgenoot] en [appellant sub 1] (ook) ten tijde van de koop en overdracht gehuwd waren en [appellant sub 1] daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Ingevolge artikel 3:51 lid 1 BW vernietigt de rechterlijke uitspraak met een dergelijke aanvaarding de betreffende rechtshandeling. Dat zou meebrengen dat de woning niet tot het vermogen van geïntimeerde is gaan behoren.

2.9 Wat betreft de vraag of de woning ten tijde van de verkoop (nog immer) de echtelijke woning betrof verschillen partijen van mening. Het Hof overweegt reeds thans dat de enkele omstandigheid dat [appellant sub 1] zich 36 dagen voorafgaand aan de overdracht elders op Bonaire, naar het Hof begrijpt op het adres van haar zoon, heeft laten inschrijven, nog niet meebrengt dat zij de woning als woonstede heeft prijsgegeven (vergelijk HR 28 november 1975, NJ 1976, 466).

2.10 De vraag of de overdracht van de woning tevens had te gelden als een gift waarvoor [appellant sub 1]’ toestemming vereist was, beantwoordt het Hof voorshands bevestigend. In de eerste plaats heeft geïntimeerde onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een economische rechtvaardiging was voor de aanzienlijke afwijking tussen de getaxeerde marktwaarde van de woning van NAF. 130.000,- en de in de transportakte genoemde koopprijs van NAF. 80.000,-. Daarbij komt dat uit de eigen stellingen van geïntimeerde volgt dat hetgeen in de transportakte is opgenomen over de voldoening van de koopprijs niet juist is. In reactie op de betwisting door [appellant sub 1] dat de koopprijs daadwerkelijk is betaald heeft geïntimeerde immers kopieën van cheques en kwitanties overgelegd die dateren van na de transportakte, terwijl in de akte wordt verklaard dat de koopprijs is voldaan. Dat die cheques (uitgeschreven “aan toonder” en “cash”) geïnd zijn door [overleden echtgenoot], hetgeen [appellant sub 1] heeft betwist, heeft geïntimeerde niet aannemelijk gemaakt.

2.11 Het Hof ziet aanleiding een comparitie van partijen te gelasten om in het bijzonder de onder 2.9 en 2.10 besproken kwesties te bespreken, alsmede de bewijsmogelijkheden van partijen. Voorts zal aan de orde worden gesteld hoe de verklaring voor recht zoals [appellant sub 1] die vraagt moet worden verstaan tegen de achtergrond van de omstandigheid dat, naar het Hof begrijpt, [appellant sub 1] en [overleden echtgenoot] in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Zeker ook gelet op de mogelijke geschillen die nog kunnen rijzen bij de afwikkeling van de nalatenschap van [overleden echtgenoot] ([appellant sub 1] heeft zich al op het standpunt gesteld dat inbreng van schenkingen dient plaats te vinden), zal ter comparitie tevens de mogelijkheid van een minnelijke regeling worden beproefd.

2.12 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

Het Hof:

gelast een comparitie van partijen voor het verkrijgen van nadere inlichtingen en het beproeven van een regeling;

beveelt hiertoe de persoonlijke verschijning van partijen, desgewenst bijgestaan door hun gemachtigden;

bepaalt dat de comparitie zal plaatsvinden ten overstaan van mr. P.E. de Kort of een nader te noemen ander lid van dit Hof, in het gerechtsgebouw te Bonaire op donderdag 3 mei 2012, 14:00 uur;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, P.E. de Kort en J.P. de Haan, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 20 april 2012.