Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:BW4762

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
03-05-2012
Zaaknummer
H-4/2012
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder bedreiging van vuurwapen man en vrouw gemaand om geld en spullen af te geven. De man weigerde en is doodgeschoten. Het verweer van de verdediging dat de herkenning van verdachte door de vrouw niet betrouwbaar is, faalt. Hoewel zij niet bij het eerste verhoor verklaard heeft de schutter te hebben herkend hoeft dat niet aan de betrouwbaarheid van de tweede verklaring af te doen. Kenmerken van articulatie, manier van rennen en lichaamsbouw heeft de vrouw niet van horen zeggen, maar zijn bij aangeefster zelf naar boven gekomen. Verdachte wordt eveneens veroordeeld wegens het feit dat hij is ingereden op een ander voertuig waarin een man met zijn twee kinderen zaten. Hij krijgt 17 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 5 april 2012

Zaaknummer: H-4/2012

Parketnummer: 500.00282/11

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

S T R A F V O N N I S

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 22 december 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [datum] 1975 in Barranquilla, Colombia,

wonende in Curaçao,

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

<u>Procesgang en onderzoek van de zaak </u>

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 2 september 2011, 4 november 2011 en 2 december 2011, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzittingen, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2012 in Curaçao.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw, mr. M.C. Vaders, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de straf en, in zoverre opnieuw recht doende, de verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

<u>Tenlastelegging</u>

Aan de verdachte is, met inachtneming van de in eerste aanleg gevorderde en toegewezen wijziging, ten laste gelegd:…

<u>Vonnis waarvan beroep</u>

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof deels tot andere beslissingen komt.

<u>Vrijspraak </u>

Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op het overlijden van de inzittenden van de auto, zodat hij van hetgeen aan hem onder 3 primair is ten laste gelegd, zal worden vrijgesproken.

<u>Bewezenverklaring</u>

Het Hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 is ten laste gelegd, met dien verstande:

1. primair

dat hij, op 8 maart 2011 in Curaçao, opzettelijk een man, [slachtoffer man], van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk:

• met een vuurwapen eenmaal op die [slachtoffer man] geschoten, waardoor die [slachtoffer man] in de borst werd geraakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer man] is overleden

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten, een poging tot diefstal, oftewel het, ter uitvoering van het door <i>hem</i>, verdachte, voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen:

• geld en telefoons, van zijn, verdachte’s, gading, toebehorende aan die [slachtoffer man] en/of [slachtoffer vrouw];

<i>hebbende hij</i> met voormeld oogmerk:

• de auto van die [slachtoffer man] waarin die [slachtoffer vrouw] was doorzocht;

terwijl de uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf, dus die diefstal, niet is voltooid;

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

2. primair

dat hij, op 8 maart 2011 <i>in</i> Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen:

• geld en telefoons, van zijn, verdachte’s, gading, toebehorende aan [slachtoffer vrouw] en/of [slachtoffer man],

en die diefstal te doen voorafgaan en vergezellen van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer vrouw], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken met voormeld oogmerk opzettelijk:

• een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer vrouw] en

• tegen die [slachtoffer vrouw] heeft gezegd om stil te blijven anders zal hij, verdachte, gaan doodschieten en alles, geld en telefoon, aan hem, verdachte, af te geven en

• met dat vuurwapen, in haar, [slachtoffer vrouw]’s, bijzijn, die [slachtoffer man] in de borst heeft geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer man] is overleden,

terwijl de (verdere) uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. subsidiair

dat hij, op 12 maart 2011 <i>in</i> Curacao, ter uitvoering van het <i>voorgenomen</i> misdrijf om aan personen, te weten [vader] en [kind] en [tweede kind], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (van het merk Toyota Yaris en gekentekend [ ]), met relatief hoge snelheid, zonder te remmen, van achteren, tegen een zich langzamer voortbewegende) auto (van het merk Kia Sportage en gekentekend [ ]), waarin die [vader] en[kind] en [tweede kind] zaten is gebotst, terwijl de uitvoering van dat, door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

dat hij, op 12 maart 2011 in Curaçao, als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, te weten een personenauto van het merk Toyota Yaris en gekentekend […], daarmee op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de kruising van wegen gevormd door de kaminda Johan M. Statius van Eps,de kaminda Serapio Pinedo, de kaminda Vikto Bartholomeus, op zodanige onvoorzichtige en onoordeelkundige wijze heeft gereden, dat hij buiten enige verkeersnoodzaak met het door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen een ander rijdend vierwielig motorrijtuig, te weten een personenauto van het merk <i>Kia Sportage</i> en gekentekend […], immers heeft hij, verdachte, nagelaten de, relatief hoge, snelheid, waarmede hij reed zodanig te regelen en voldoende afstand te houden, dat hij, verdachte, tijdig het door hem bestuurde motorrijtuig achter dat andere vierwielig motorrijtuig tot stilstand kon brengen, door welke gedraging van hem, verdachte, de veiligheid op die weg in gevaar werd gebracht en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd (<i>cursief</i>). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

<u>Bewijsmiddelen</u>

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Voor zover bij de hieronder opgenomen bewijsmiddelen paginanummers worden vermeld, betreft het bij het proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 1 juni 2011 gesloten en ondertekend door [ ], brigadier Korps Politie Curaçao, onderzoek “Groot Santa Martha”, met nummer 236538.20110601.0945.

<u>Met betrekking tot feit 1 en 2:</u>

1. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 10 maart 2011 gesloten en getekend door [ ] en [ ], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, <u>pv. nummer: 236358.20110310.1155 (pagina 20 e.v.)</u>, voor zover inhoudende, als <u>verklaring van de aangeefster [slachtoffer vrouw]</u>, -zakelijk weergegeven-:

<small>Op 8 maart 2011 zat ik in de auto met [slachtoffer man], die ik “[x]” noem. [x] parkeerde zijn auto achter het Landhuis Groot Santa Martha. Wij zijn daar enige tijd gebleven. [x] liep richting de achterkant van zijn auto. Ineens hoorde ik een harde mannenstem die zei: “Para ketu tur hende, sino mi ta tira mata.” (“Iedereen stil blijven, anders zal ik doodschieten”; vrije vertaling Hof). Ik zag dat een man met een vuurwapen in zijn hand stond. Ik bekeek deze man goed en zag dat hij van lichtbruine huidskleur was. Hij sprak gebroken Papiaments met een Spaans accent. Ik zag dat deze man de hele tijd het vuurwapen op ons gericht hield. De man zei: “Dame todo, dunami tur kos, plaka i telefon.” (“Geef me alles (tweemaal: in het Spaans en in het Papiaments), geld en telefoon.”; vrije vertaling Hof)).

Ik zag dat deze man zijn vuurwapen in de richting van [x] richtte. Ik hoorde een schot. Ik zag dat [x] van de pijn kreunde en naar voren trachtte te vallen. Ik greep hem vast. Ik zag dat deze man de portier aan de bestuurderszijde open maakte en die portier doorzocht. Ik zag dat hij de middenconsole onderzocht maar niks wegnam. Ik schreeuwde. De man zei dat ik mijn mond moest houden. Hij had het vuurwapen nog steeds in zijn hand. Ik zag dat hij met versnelde pas in de richting van het weggedeelte wegrende.

Ik ben er zeker van dat ik deze man ken. Ik besefte dit aan de hand van diverse handelingen die ik eerder had gezien, onder andere zijn articulatie, zijn lichaamsbouw en zijn manier van wegrennen. Ik ken deze man als de voor mij van aanzien bekende man bijgenaamd: “[verdachte]”. </small>

2. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 20 maart 2011 gesloten en getekend door [ ] en [ ], respectievelijk agent en brigadier bij het Korps Politie Curaçao, <u>pv. nummer: 236358.20110320.16:00 (pagina 46 e.v.)</u>, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

als <u>relaas van de verbalisant</u>:

<small>Op zondag 20 maart toonden wij [slachtoffer vrouw] een fotokaart met tien genummerde foto’s. Foto nummer tien is de afbeelding van [verdachte], geboren op [datum] 1975 in Colombia. </small>

als <u>verklaring van [slachtoffer vrouw]</u>:

<small>De man staande onder nummer tien van de aan mij getoonde fotokaart, herken ik als de [verdachte] van mijn verklaringen. Hij had ons beroofd en heeft [x] doodgeschoten. </small>

3. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 9 maart 2011 gesloten en getekend door [ ], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, <u>pv. nummer: 236358.20110309.0030 (pagina 28)</u>, voor zover inhoudende, als <u>verklaring van de verbalisant</u>, -zakelijk weergegeven-:

<small>Op 8 maart 2011 omstreeks 23:13 uur vond er een beroving met dodelijke afloop plaats nabij Groot Santa Martha. Een man en een vrouw werden in hun auto langs de kant van de weg beroofd. De dader schoot de man in zijn borst. De politiearts dr. [ ] werd verzocht ter plaatse te komen. Op 9 maart 2011 om 00:30 uur constateerde dr. [politiearts] de dood van het slachtoffer. </small>

4. Een geschrift, te weten <u>een verslag van de op 10 maart 2011 door de anatoom patholoog[ ]i verrichte sectie op het lichaam van [slachtoffer man]</u>, deel uitmakende van het proces-verbaal van de technische recherche, (<u>nummer 117/2011)</u>, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

<small>Inwendige schouw: perforatie 3de/4de rib overgang borstbeen en traject kogel in de borst. Doodsoorzaak: perforatie lichaamslagader. </small>

5. Een proces-verbaal (in kopie), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 november 2011 gesloten en getekend door [ ], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, <u>pv. nummer: 236358.20111125.1100</u>, voor zover inhoudende, als <u>verklaring van de verbalisant</u>, -zakelijk weergegeven-:

<small>Op 9 maart 2011 werd bij Groot Santa Martha lijkherkenning verricht met [slachtoffer vrouw], [zus] en [broer], respectievelijk vriendin, zus en broer van de overledene. Het lijk werd door hen herkend als [slachtoffer man]. </small>

<u>Met betrekking tot feit 3 en 4</u>:

6. Een proces-verbaal van aangifte, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 maart 2011 gesloten en getekend door [ ], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, <u>pv. nummer: 2011.03.13.11.30 (pagina 66 e.v.)</u>, voor zover inhoudende, als <u>verklaring van de aangever [vader]</u>, -zakelijk weergegeven-:

<small>Op 12 maart 2011 reed ik in een dienstwagen met mijn dochtertjes. Ik zag dat de man bijgenaamd “[verdachte]” in een goud gelakte Toyota Yaris reed. Ik zag dat hij zijn snelheid verhoogde en rechtstreeks op de door mij bestuurde dienstwagen afreed. Hierdoor moest ik mijn snelheid meteen verhogen om een aanrijding te voorkomen. Het lukte mij op bij de Kaminda Johan M. Statius van Eps te komen. Ik keek in mijn achteruitkijkspiegel en constateerde dat de Yaris met hoge snelheid achter mij kwam rijden. Ter hoogte van de “Juliana boom” te Soto wilde ik linksaf slaan. Vervolgens weet ik niet meer wat er gebeurde. </small>

7. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 13 juni 2011 gesloten en getekend door [ ], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende, als <u>relaas van de verbalisant</u>, -zakelijk weergegeven-:

<small>Op 12 maart 2011 bevond ik mij op de Kaminda Johan M. Statius van Eps. Ik zag een goud gelakte Toyota Yaris, voorzien van het kenteken [ ] met zeer hoge snelheid komen aanrijden. De bestuurder werd door mij herkend als de man genaamd [verdachte].

Ik zag mijn collega [vader] in een bruine Kia Sportage, gekentekend [ ] de Kaminda Johan M. Statius van Eps oprijden. De [kenteken] met [verdachte] als bestuurder, sloeg ook rechtaf achter [vader] aan. Ter hoogte van de “Julianaboom” zag ik dat de [kenteken] bestuurd door [vader] voornemens was linksaf te slaan. Nagenoeg op datzelfde moment zag ik hoe de [kenteken] op de linkerzijde van de weg, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, ging rijden en met volle vaart de [kenteken] naderde. Ik zag dat de [kenteken] met hoge snelheid tegen de [kenteken] bestuurd door collega [vader] aanreed en hoorde een harde klap. Er was op geen enkel moment sprake van snelheidsvermindering van de [kenteken]. Nimmer was er sprake van brandende stoplampjes van de [kenteken] of andere manoeuvres om een aanrijding te voorkomen. </small>

8. Een proces-verbaal van bevinding, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 4 april 2011 gesloten en getekend door [ ], agent bij het Korps Politie Curaçao, (<u>pagina 72 e.v.</u>), voor zover inhoudende, als <u>relaas van de verbalisant</u>, -zakelijk weergegeven-:

<small>Op 12 maart 2011 werd ik gedirigeerd naar de kruising van wegen gevormd door de Kaminda Vikto Bartholomeus, de Kaminda Johan M. Statius van Eps, de Kaminda Serapio Pinedo en een naamloze weg voor een aanrijding met gewonden. Op de opgegeven plaats trof ik een bruine Kia Sportage, gekentekend[ ] (voertuig 2) en een Toyota Yarius gekentekend [ ] (voertuig 1). De inzittenden in voertuig 2 waren: [vader en twee kinderen]. Ik zag dat er geen rem- en of uitwijksporen aanwezig waren op de rijbaan van de Kaminda Johan M. Statius van Eps, noch op de kruising, noch voor de kruising, die afkomstig waren van voertuig 1. </small>

9. Een geschrift, te weten <u>een technisch rapport d.d. 4 april 2011</u>, opgemaakt door K.E. Martha (<u>pagina 97 en 98</u>), voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

<small>Op 4 april 2011 werd door mij een onderzoek op de eisen van inrichting, verlichting en bedrading ingesteld van een Toyota Yaris met kenteken [ ] in beslag genomen door agent [ ]. Het resultaat van dit onderzoek was:

Rem met de hand te bedienen: deugdelijk

Bedrijfsrem met bekrachtiging: deugdelijk </small>

10. De <u>verklaring van de verdachte</u>, op 15 maart 2012 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

<small>Ik reed in de gouden Yaris. [vader] reed in een Kia. Ik reed heel hard.</small>

<u>Bewijsoverwegingen</u>

<i>Met betrekking tot feit 1 en 2</i>

Door de verdediging is ten aanzien van feit 1 en 2 aangevoerd dat de herkenning van de verdachte door [slachtoffer vrouw] niet betrouwbaar dient te worden geacht. Het Hof verwerpt het verweer. [slachtoffer vrouw] heeft, bij haar eerste verhoor direct na het schietincident in dezelfde nacht, weliswaar niet verklaard dat zij de schutter had herkend. Bij haar tweede verhoor, anderhalve dag na het gebeurde, heeft zij echter verklaard dat zij er zeker van was en zelfs overtuigd, dat zij de schutter kende. Dit hoeft niet zonder meer aan de betrouwbaarheid van de tweede verklaring af te doen. De eerste verklaring, die summier is, heeft [slachtoffer vrouw] afgelegd zeer kort nadat het feit was gepleegd en toen zij erg overstuur was, hetgeen ook later is bevestigd door de verhorende verbalisant.<sup>1</sup> Tussen het eerste en het tweede verhoor heeft aangeefster contact gehad met buurtgenoten, die haar verteld hebben dat de verdachte de volgende ochtend werd gezien in kleding die qua beschrijving overeen kwam met de door haar beschreven kleding van de dader, en dat hij naar haar had gevraagd. Dat zou aan de betrouwbaarheid van haar belastende verklaring kunnen afdoen, omdat het erop lijkt dat aangeefster “op het spoor gezet” is van de verdachte. De kenmerken waaraan zij stelt de verdachte te hebben herkend zijn overeenkomende articulatie, lichaamsbouw en manier van wegrennen. Deze kenmerken heeft zij echter niet van buurtbewoners kunnen horen en zijn dus bij aangeefster zelf naar boven gekomen. Zij heeft gedetailleerd onderbouwd waar en wanneer die kenmerken van de verdachte haar eerder waren opgevallen. Haar tweede verklaring is bovendien niet in strijd met de eerste. Op grond van het voorgaande acht het Hof de herkenning van de verdachte betrouwbaar. Daar komt bij dat de betrokkenheid van de verdachte steun vindt in de verklaring van [V]<sup>2</sup> die verklaard heeft dat de verdachte de avond van het gebeurde aan zijn neef heeft gevraagd of deze mee wilde gaan om een beroving te gaan plegen.

Hier tegenover staat dat het door de verdachte gestelde alibi dat hij die nacht bezig was met het controleren, en zonodig lichten, van zijn visnetten in de buurt van het plaats delict, zijn betrokkenheid niet uitsluit. De verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij niet continu bij de zee is geweest, maar tussendoor op en neer naar zijn huis is gegaan. Het Hof acht de verklaringen van de verdachte overigens in het algemeen niet geloofwaardig. Zo betwist hij onder meer dat hij de betreffende avond met[F] heeft gesproken. Dit terwijl [F] heeft verklaard dat de verdachte weg ging om zijn visnetten te gaan controleren<sup>3</sup>, hetgeen overeenkomt met verdachte’s eigen verklaring daarover. Voorts is de verklaring van de verdachte dat hij in Curaçao nooit een vuurwapen in zijn bezit heeft gehad eveneens ongeloofwaardig, gezien de verklaringen daarover van [F], [M]<sup>4</sup>, [V] en [P]<sup>5</sup>. Daar komt nog bij dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de verbranding van zijn kleding en telefoon.

<i>Met betrekking tot feit 3:</i>

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte met zeer hoge snelheid tegen de andere auto is gebotst. De verdachte heeft de andere auto niet geprobeerd te ontwijken of geprobeerd te remmen. Het Hof heeft uit de bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte de andere auto met hoge snelheid heeft achtervolgd om een aanrijding te veroorzaken. De verdachte heeft daarbij in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat -behalve hijzelf- de inzittenden van de andere auto zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

<u>Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</u>

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair en 2 primair:

de voortgezette handeling van:

doodslag, gevolgd van een strafbaar feit, gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken,

strafbaar gesteld bij artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht

en

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld door bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken,

strafbaar gesteld bij artikel 325 jis artikel 323 en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

3 subsidiair en 4:

de eendaadse samenloop van:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 316 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht,

en

overtreding van het verbod van artikel 21 van de Wegenverkeersverordening Curaçao, strafbaar gesteld in artikel 119 van die Landsverordening.

Het bewezenverklaarde is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

<u>Strafbaarheid van de verdachte</u>

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

<u>Oplegging van straf</u>

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, met de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en met de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder heeft het Hof daarbij het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in de nachtelijke uren een man en een vrouw die met hun auto op een afgelegen plaats stonden met een vuurwapen benaderd. Onder bedreiging van een vuurwapen heeft hij hen gemaand om geld en telefoons af te geven. Toen de man weigerde, heeft de verdachte de man in zijn borst geschoten als gevolg waarvan de man is overleden. Daarna heeft de verdachte de vrouw gemaand om stil te blijven en heeft de auto doorzocht, waarna hij zonder iets mee te nemen is weggerend.

De verdachte heeft aldus op niets ontziende, brute wijze is het leven ontnomen aan een man. Naar moet worden aangenomen heeft deze dramatische gebeurtenis het leven van degenen die hem na stonden diepgaand en blijvend beïnvloed. Voor wat betreft de vrouw geldt dat de ervaring leert, dat slachtoffers van dergelijke misdrijven veelal een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden. Daarbij komt dat misdrijven als de onderhavige gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij oproepen.

De verdachte heeft voorts met hoge snelheid een auto waarin een man en zijn twee kinderen zaten achtervolgd. Toen de auto af wilde slaan is de verdachte met hoge snelheid zonder te remmen op het voertuig ingereden. Aldus heeft de verdachte het risico op zwaar lichamelijk letsel bij de inzittenden op de koop toegenomen. Daarbij heeft hij de veiligheid van het verkeer in gevaar gebracht.

In het voordeel van de verdachte wordt rekening gehouden met het feit dat hij in Curaçao niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Op grond van het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden. Bij de strafoplegging heeft het Hof voor wat betreft het onder 2 primair en 3 subsidiair bewezenverklaarde de artikelen van het nieuwe Wetboek van Strafrecht toegepast, nu de strafbepaling daarvan moet worden beschouwd als de voor de verdachte gunstigste bepaling.

<u>Toepasselijke wettelijke voorschriften</u>

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 31, 57, 58, en 59 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2:276 en 2:291 (nieuw) van het Wetboek van Strafrecht.

<b>BESLISSING</b>

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 22 december 2012 en doet opnieuw recht als volgt;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen verklaard, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (ZEVENTIEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.E. de Kort, E.M. van der Bunt en M.C.B. Hubben, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 5 april 2012.

[noten:]

<sup>1</sup> Proces-verbaal betreffende de toestand van aangeefster [slachtoffer vrouw], in de wettelijke vorm opgemaakt op 24 augustus 2011 door [ ] (aanvullend proces-verbaal zaak Klein Santa Martha)

<sup>2</sup> Proces verbaal van verhoor getuig[V], in de wettelijke vorm opgemaakt op 9 maart 2011 door [ ] en [ ] (nummer: 236358.20111125.1100)

<sup>3</sup> Proces-verbaal van verhoor getuige [F], in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 maart 2011 door [ ] (nummer: 236358.201110.1445, aanvullend proces-verbaal bij 236358.201110311400)

<sup>4</sup> Proces-verbaal van verhoor getuige[M], in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 maart 2011 door [ ] en [ ] (nummer: 236358.20110313.1400, pagina 121 e.v.)

<sup>5</sup> Proces-verbaal van verhoor getuige [P], in de wettelijke vorm opgemaakt op 6 oktober 2011 door [ ] en [ ] (nummer: 236358.10.03.2011.08.05, pagina 36 en 37)