Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2012:6

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
HLAR 50389/12
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aannemelijkheid niet-aangetekende verzending. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

In geval van niet-aangetekende verzending van een beschikking is het aan het desbetreffend bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het desbetreffend schriftuur is verzonden. Dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het schriftuur op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending ervan naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan dat heft gedaan, is het aan de geadresseerde om, indien daartoe aanleiding bestaat, het vermoeden te weerleggen. Hiertoe dient deze feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

HLAR 50389/12

Datum uitspraak: 14 december 2012

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van
10 juli 2012 in zaak nr. Lar 2011/50389 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Justitie

1 Procesverloop

Bij beschikking van 24 maart 2011 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een verzoek van appellant (hierna: de vreemdeling) om hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.

Bij beschikking van 19 mei 2011 heeft de minister het door de vreemdeling daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2012 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het door de vreemdeling daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 10 augustus 2012, hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2012, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. W.E. Fortin, advocaat, en H. Meulens, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.J. Victorina, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.

2 Overwegingen

2.1.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) wordt het beroepschrift ingediend binnen zes weken na de dag, waarop de beschikking is gegeven, of geldt als geweigerd.
Ingevolge het tweede lid geldt als de dag, waarop de beschikking is gegeven, die waarop deze is verzonden of uitgereikt.
Ingevolge het derde lid blijft, wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.

2.2.

De vreemdeling betoogt dat het Gerecht, door het beroep
niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het beroepschrift niet binnen zes weken na 25 mei 2011 is ontvangen, heeft miskend dat de beschikking van
19 mei 2011 niet per post is verzonden, maar eerst op 8 juli 2011 aan zijn gemachtigde is uitgereikt. Nu het beroepschrift binnen zes weken na die dag is ingediend, is het beroep tijdig ingesteld, aldus de vreemdeling.

2.2.1.

In het geval van niet-aangetekende verzending van een beschikking is het aan het desbetreffend bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het desbetreffend schriftuur is verzonden. Dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het schriftuur op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending ervan naar het juiste adres.
Indien het bestuursorgaan dat heeft gedaan, is het aan de geadresseerde om, indien daartoe aanleiding bestaat, het vermoeden te weerleggen. Hiertoe dient deze feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

2.2.2.

Ter zitting van het Gerecht heeft de minister desgevraagd verklaard dat de beschikking van 19 mei 2011 op 25 mei 2011 aan de advocaat van de vreemdeling is verzonden en een bewijs van die verzending overgelegd. Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht terecht door de minister aannemelijk gemaakt geacht dat de beschikking van 19 mei 2011 op de juiste wijze aan de gemachtigde van de vreemdeling is verzonden.
Evenzeer terecht heeft het Gerecht overwogen dat de vreemdeling geen feiten heeft gesteld, op grond waarvan de ontvangst van de beschikking redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Gelet op het hiervoor onder 2.2.1 overwogene, is de enkele ontkenning door de vreemdeling dat de beschikking is ontvangen daarvoor onvoldoende. Dat een niet-aangetekend poststuk, als gesteld, niet in alle gevallen aankomt, is dat evenzeer.
Het Gerecht heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de beschikking van 19 mei 2011 op 25 mei 2011 is gegeven, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift op 26 mei 2011 is aangevangen en op 6 juli 2011 is geëindigd en het beroepschrift op 11 augustus 2011 niet tijdig is ingediend.
Het betoog faalt.

2.3.

De vreemdeling betoogt voorts dat het Gerecht heeft miskend dat in elk geval de eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu deze het gevolg is van hem niet toe te rekenen bijzondere omstandigheden en hij het beroep heeft ingesteld, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. Hij mocht erop vertrouwen dat de termijn aanving met het uitreiken van een kopie van de beschikking van 19 mei 2011 aan zijn gemachtigde op
8 juli 2011, nu in de rechtsmiddelenclausule bij die beschikking staat dat de termijn voor het instellen van beroep zes weken na de dag waarop de beschikking is gegeven, bedraagt, aldus de vreemdeling.

2.3.1.

Ook dit betoog faalt. Zoals hiervoor onder 2.2.2 is overwogen, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat de beschikking van
19 mei 2011 niet door zijn advocaat is ontvangen. Weliswaar heeft de minister op verzoek van de gemachtigde van de vreemdeling op 8 juli 2011 aan hem een afschrift van de beschikking van 19 mei 2011 uitgereikt, maar daarmee is geen nieuwe termijn voor het instellen van beroep aangevangen.

2.4.

Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,