Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BW4830

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
GHIS 2011/49685 – H – 174/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Contractuele bepaling in arbeidscontract kan niet de dwingendrechtelijke bepaling opzij zetten van de Arbeidsverordening die uitsluitend strekt ter bescherming van de werknemer van de arbeidsverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0444

Uitspraak

Registratienummer: GHIS 2011/49685 – H – 174/11

Uitspraak: 22 november 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap INTERNATIONAL SECURITY GROUP (ISA) N.V.,

gevestigd te Aruba,

oorspronkelijk verweerster, thans appellante,

gemachtigde: mr. A.M.C.C. Verblackt,

tegen

[geïntimeerde],

wonend te Aruba,

oorspronkelijk verzoeker, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. C.R. Foy.

Partijen worden hierna Isa en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Bij op 21 februari 2011 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) ingediend beroepschrift heeft Isa hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gegeven beschikking van het GEA van 11 januari 2011. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar die beschikking.

[geïntimeerde] heeft op 21 september 2011 een verweerschrift ingediend.

Het hoger beroep is ter zitting van het Hof te Aruba behandeld op 18 oktober 2011. Op die zitting hebben de gemachtigden de zaak bepleit, die van Isa onder overlegging van een pleitnota.

Beschikking is bepaald op heden.

2. Het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking

Bij het verzoek van Isa om de werking van de bestreden beschikking op de voet van arti-kel 429p lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba te schorsen heeft Isa thans, nu deze beschikking wordt gegeven, geen belang meer.

3. De beoordeling

3.1 [geïntimeerde] is met ingang van 13 mei 2009 krachtens een arbeidsovereenkomst bij Isa in dienst getreden als bewaker. Op 13 januari 2010 heeft [geïntimeerde] voor het laatst voor Isa gewerkt. Zijn uurloon bedroeg Afl. 7,60. De arbeidsovereenkomst bepaalt dat Isa niet extra betaalt voor overwerk en dat overwerk wordt gecompenseerd met vrije tijd. In genoemde periode heeft [geïntimeerde] in totaal 1.072 overuren gewerkt. Die overuren zijn door Isa vergoed op basis van zijn reguliere uurloon.

3.2 Bij de bestreden beschikking heeft het GEA, na te hebben overwogen dat op grond van artikel 22 lid 2 aanhef en onder a Arbeidsverordening voor het overwerk een vergoe-ding van 150% gold, aan [geïntimeerde] een bedrag van Afl. 4.073,60 bruto toegewezen terzake overwerkvergoeding, vermeerderd met vertragingsrente en wettelijke rente. Voor het overige werden de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.

3.3 In hoger beroep gaat het nog slechts om hetgeen door het GEA aan [geïntimeerde] is toegewezen. Terzake de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen waarop [geïnti-meerde] ook in zijn verweerschrift in hoger beroep nog aanspraak maakte, is blijkens de verklaring van de gemachtigden ter zitting inmiddels een regeling getroffen.

3.4 Isa heeft de stelling betrokken dat de Arbeidsverordening in het onderhavige geval niet van toepassing is en [geïntimeerde] derhalve geen aanspraak kan maken op een extra vergoeding voor overwerk. Isa stelt hiertoe dat [geïntimeerde]s inkomen hoger was dan het voor de toepasselijkheid van de Arbeidsverordening geldende normbedrag van Afl. 32.214,-. Volgens Isa moet bij [geïntimeerde] worden uitgegaan van een gemiddeld jaar-inkomen van Afl. 33.764,70, waartoe zij zijn gemiddelde maandinkomen (inclusief het reguliere loon over de 1.072 overuren) met twaalf heeft vermenigvuldigd. Bovendien hebben partijen volgens Isa met de hiervoor onder 3.1 bedoelde contractuele bepaling de regeling over overwerk in de Arbeidsverordening opzijgezet.

3.5 Isa kan niet in haar stellingen worden gevolgd. Artikel 22 lid 2 van de Arbeidsveror-dening bevat een dwingendrechtelijke bepaling, uitsluitend strekkende ter bescherming van de arbeider. Op grond van artikel 3:40 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek Aruba is de hiermee strijdige contractuele bepaling als hiervoor onder 3.1 bedoeld vernietigbaar. In met name het verweerschrift van [geïntimeerde] zijn aanknopingspunten te vinden voor zijn beroep op de vernietigbaarheid. Dat beroep wordt door het Hof gehonoreerd. Voor het overige sluit het Hof zich aan bij hetgeen het GEA in rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.6 heeft overwogen. Of het overwerk door Isa werd opgedragen of door [geïnti-meerde] werd verzocht, is voor de wettelijke aanspraak op een extra vergoeding voor overwerk niet van belang, evenmin als de vraag of het werk van een bewaker als licht of zwaar kan worden gekenschetst of de vraag wat Isa haar klanten voor haar bewakings-diensten in rekening brengt.

3.6 Het Hof zal de toe te wijzen wettelijke verhoging matigen tot 10%, te rekenen vanaf 3 augustus 2010, daar meer rente het Hof gelet op de omstandigheden van het geval bo-venmatig voorkomt. Voor het overige zal de bestreden beschikking worden bevestigd.

3.7 Isa zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

Beslissing:

Het Hof:

verstaat dat niet meer behoeft te worden beslist op het verzoek van Isa tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking;

bevestigt de bestreden beschikking, met dien verstande dat de daarbij toegewezen wette-lijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW wordt gematigd tot 10%, met als ingangsdatum 3 augustus 2010;

veroordeelt Isa in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gere-zen, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.E. de Kort, E.M. van der Bunt en H.J. van Kooten, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terecht-zitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 22 november 2011.