Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BW0532

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
AR-52679 HAR 73/11 (AR 2001/171)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft vordering tot schorsing executie van vonnis. Hof oordeelt dat het gestelde restitutierisico niet voldoende is onderbouwd en evenmin slaagt de stelling dat er sprake is van een kennelijke juridische en/of feitelijke misslag. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR-52679 HAR 73/11 (AR 2001/171)

Uitspraak: 22 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

op vordering ex artikel 272 Rv in het incident in de zaak van:

[appellant],

wonende in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

thans appellant en eiser in het incident,

gemachtigde: mr. R.G.R. Bergman,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in Saint Martin (Frans Sint Maarten),

oorspronkelijk eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

thans geïntimeerde en verweerder in het incident,

gemachtigde: mr. J. Veen.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 9 augustus 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: GEA) tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, gedaagde in reconventie, en [appellant] en Skyward Management N.V. (hierna: Skyward) als gedaagden in conventie, eisers in reconventie, eindvonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis en naar het daaraan voorafgegane tussenvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 6 april 2006.

1.2 [appellant] en Skyward zijn van het vonnis van 9 augustus 2011 in hoger beroep gekomen door op 19 september 2011 een akte van appel in te dienen. Op 10 oktober 2011 heeft [appellant] een stuk met als opschrift ‘incidentele vordering ex. artikel 272 Rv’, met producties, ingediend. De vordering strekt ertoe dat het Hof de executie van het vonnis van 9 augustus 2011 schorst.

1.3 Op 13 december 2011 heeft [geïntimeerde] ter griffie van het GEA een verweerschrift, met producties, ingediend, welke hij bij e-mailbericht van 21 december 2011 aan het Hof heeft doen toekomen. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de vordering zal afwijzen met een veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad.

1.4 Op 20 december 2011 hebben [appellant] en [geïntimeerde] per e-mail pleitnotities overgelegd, [appellant] met op voorhand, te weten bij e-mailbericht van 19 december 2011, verzonden producties.

1.5 Vonnis is aangezegd en bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid

2.1 [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt, kort weergegeven, dat geen geldig appel is ingesteld en dat [appellant] daarom bij gebrek aan belang niet in het incident kan worden ontvangen. Het Hof deelt dit standpunt niet. Als productie 2 bij het stuk met als opschrift ‘incidentele vordering ex. artikel 272 Rv’ heeft [appellant] een kopie van een op 19 september 2011 gestempelde akte van appel overgelegd. Het Hof is niet gebleken dat deze kopie geen juiste weergave van het origineel is. Gelet daarop is het Hof van oordeel dat van het vonnis van 9 augustus 2011 tijdig en op de juiste wijze hoger beroep is ingesteld. Van niet-ontvankelijkheid van [appellant] in het incident is daarom geen sprake. Ook anderszins is daarvan niet gebleken.

3. De beoordeling in het incident

3.1 Bij de beoordeling van een vordering ex artikel 272 Rv moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist (vgl. o.a. Gemeenschappelijk Hof van Justitie 15 juli 2011, LJN BT1639).

3.2 Bij de belangenafweging tussen partijen stelt het Hof voorop dat [geïntimeerde] als degene die, voor zover van belang, voorwaardelijke veroordeling van [appellant] tot betaling van een geldsom verkreeg, wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Dit vermoeden wordt niet weerlegd door het betoog van [appellant] dat het belang van [geïntimeerde] niet als ‘niet uitstel duldend’ kan worden gekwalificeerd omdat [geïntimeerde] reeds vanaf 2001 over deze kwestie procedeert. [geïntimeerde] heeft terecht naarvoren gebracht dat niet valt in te zien dat hij langer moet wachten als hij al tien jaar heeft gewacht. Zijn oorspronkelijke stelling dat [geïntimeerde] zich in 2001 door middel van conservatoire beslaglegging op een aan [appellant] toebehorende onroerende zaak zekerheid heeft verschaft, heeft [appellant] bij zijn pleitnotities kennelijk prijsgegeven door te stellen dat juist is – zoals [geïntimeerde] bij verweerschrift heeft opgemerkt – dat het conservatoire beslag na een uitspraak van het Hof van 28 juni 2002 is opgeheven. Op de eerst door [appellant] bij pleitnotities betrokken stelling dat zeer onlangs executoriaal beslag op onroerende zaken van [appellant] is gelegd en dat de waarde van die zaken de vordering van [appellant] overtreft, heeft [geïntimeerde] niet kunnen reageren. Het Hof zal daarom aan die stelling voorbijgaan.

3.3 Het restitutierisico dat [appellant] gelet op twee audit-rapporten van de Inspectie der Belastingen stelt te lijden, is naar het oordeel van het Hof niet voldoende om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling te schorsen, aangezien de relevantie van deze rapporten voor de beoordeling van de onderhavige vordering niet valt in te zien nu het ene rapport van 2000 dateert en het andere een ongedateerd rapport betreft en die rapporten bovendien betrekking hebben op een geheel andersoortige rechtsbetrekking dan die tussen [geïntimeerde] en [appellant]. Ook de stelling dat [appellant] na betaling zijn geld niet meer terug zal zien omdat [geintimeerde] in Saint Martin woont, kan als zodanig niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging leiden.

3.4 [appellant] stelt dat het vonnis waarvan beroep een misslag inhoudt, te weten dat het GEA in r.o. 4.10 tot en met r.o. 4.26 heeft geoordeeld om welke redenen [appellant] persoonlijk aansprakelijk jegens [geïntimeerde] is als gevolg van de wanprestatie van Skyward. In hoger beroep zal echter moeten blijken of de grieven van [appellant] tegen het vonnis waarvan beroep in zoverre slagen. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij de in deze te verrichten belangenafweging in beginsel buiten beschouwing te blijven. [appellant] heeft in elk geval niet aangetoond dat het vonnis waarvan beroep op een kennelijke juridische en/of feitelijke misslag berust die schorsing van de tenuitvoerlegging rechtvaardigt.

3.5 Andere belangen van [appellant] die zwaarder zouden wegen dan het belang van [geïntimeerde] en daarom tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 9 augustus 2011 zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken.

3.6 Voor zover [appellant] eerst bij pleitnotities meer of anders aan zijn standpunt heeft ten grondslag gelegd dan hetgeen hiervoor is beoordeeld, is dat buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de eisen van de goede procesorde.

3.7 De vordering moet op grond van het voorgaande worden afgewezen. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het incident aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

wijst de vordering af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op nihil aan verschotten en NAF. 1.000,-- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, J.R. Sijmonsma en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 22 december 2011.