Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2218

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
HLAR 48672/11
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. In geschil is de weigering om verklaring af te geven dat er geen bezwaar bestaat tegen vervullen van vertrouwensfunctie door appellante. Hof oordeelt dat het beroep ongegrond is, de VDA werkt niet samen met de veiligheidsdienst van Venezuela waardoor er bezwaarlijk gegevens kunnen worden uitgewisseld omdat niet zeker is of de eventueel verkregen gegevens van de voor de beoordeling vereiste kwaliteit zijn. Het onderscheid levert geen verboden discriminatie op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 48672/11

Datum uitspraak: 2 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Aruba,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 12 januari 2011 in zaak nr. 2083 van 2010 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Algemene Zaken.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 8 januari 2010 heeft het hoofd van de Veiligheidsdienst Aruba (hierna: het hoofd van de VDA) namens de minister van Algemene Zaken (hierna: de minister) geweigerd om te verklaren dat er geen bezwaar tegen bestaat dat appellante (hierna: [appellante]) een vertrouwensfunctie vervult.

Bij beschikking van 5 juli 2010 heeft het hoofd van de VDA het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar namens de minister ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 22 februari 2011, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2011, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.O. Lopez, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mrs. V.M. Emerencia, M. van der Linden en

A. Lumenier, allen werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Landsverordening Veiligheidsdienst Aruba (hierna: de Landsverordening) is het verboden een persoon met een vertrouwensfunctie te belasten, tenzij de minister tevoren heeft verklaard dat tegen vervulling van die functie door betrokkene uit het oogpunt van het voortbestaan van de democratische rechtsorde, de integriteit van het openbaar bestuur of de veiligheid of andere vitale belangen van Aruba geen bezwaar bestaat.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Landsbesluit aanwijzing vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken (hierna: het Landsbesluit) meldt een werkgever een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie schriftelijk aan bij het hoofd van de VDA.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, stelt de VDA, na de aanmelding, een veiligheidsonderzoek in.

Ingevolge het tweede lid bestaat het veiligheidsonderzoek uit een onderzoek naar gegevens en inlichtingen die van belang zijn voor de vervulling door de betrokken persoon van de bij de aanmelding aangegeven vertrouwensfunctie.

Ingevolge artikel 7 wordt een verklaring van geen bezwaar slechts geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

2.2. Varu Air N.V. heeft [appellante] op 10 september 2009 bij de VDA aangemeld in verband met de door haar te vervullen functie van directiesecretaresse. Niet in geding is dat deze functie een vertrouwensfunctie is, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Landsbesluit, gelezen in verbinding met de bijlage bij dat landsbesluit. Voorts is in hoger beroep onbestreden dat het hoofd van de VDA in het kader van het veiligheidsonderzoek mocht verlangen dat inzicht wordt verkregen in het doen en laten van [appellante] in de periode van acht jaar, voorafgaand aan de aanmelding.

2.3. [Appellante] betoogt dat het Gerecht, door te overwegen dat het hoofd van de VDA zich op het standpunt mocht stellen dat het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft opgeleverd om te kunnen vaststellen dat voldoende waarborgen aanwezig zijn dat zij onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen, heeft miskend dat het hoofd van de VDA niet aan de uit artikel 7 van het Landsbesluit voortvloeiende onderzoeksverplichting heeft voldaan en ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de periode waarin zij in Venezuela verbleef.

2.3.1. Het Gerecht heeft overwogen dat de VDA niet met de veiligheidsdienst van Venezuela, in welk land [appellante] tot 26 juni 2006 heeft verbleven, samenwerkt en bezwaarlijk gegevens kunnen worden uitgewisseld met een land, waarmee Aruba op veiligheidsgebied niet samenwerkt, mede omdat niet zeker is of de van een dergelijk land mogelijk te verkrijgen gegevens van de voor de beoordeling vereiste kwaliteit zijn.

[appellante] heeft dat in hoger beroep niet weersproken. Het door haar in hoger beroep aangevoerde geeft onder die omstandigheden geen grond voor het oordeel dat het Gerecht haar ten onrechte niet heeft gevolgd in het betoog dat het hoofd van de VDA niet aan de uit artikel 7 van het Landsbesluit voortvloeiende verplichting heeft voldaan, door geen onderzoek naar haar verblijf in Venezuela in te stellen. Het betoog faalt.

2.4. [Appellante] betoogt voorts dat het Gerecht heeft miskend dat het hoofd van de VDA de discriminatieverboden, neergelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden, heeft geschonden door aan haar plaats van verblijf doorslaggevende betekenis toe te kennen. Haar mocht niet worden tegengeworpen dat zij in een land heeft verbleven, waarmee Aruba geen samenwerkingsrelatie heeft, aldus [appellante].

2.4.1. Het maken van onderscheid levert geen verboden discriminatie op, indien daarvoor in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling, het beleid of de gedragslijn redelijke en objectieve gronden bestaan. Zoals hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, worden in het kader van veiligheidsonderzoeken geen gegevens uitgewisseld met landen waarmee Aruba op veiligheidsgebied geen samenwerkingsrelatie heeft, ook omdat de onzekerheid omtrent de kwaliteit van gegevens die van dat land worden verkregen meebrengt dat op basis van die gegevens niet op verantwoorde wijze antwoord kan worden gegeven op de vraag of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat een betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Het aldus gemaakte onderscheid tussen betrokkenen die in de periode waarop het veiligheidsonderzoek ziet, in Aruba hebben verbleven, dan wel in een land waarmee Aruba op veiligheidsgebied een samenwerkingsrelatie heeft en anderen die in die periode, of een deel daarvan, in een land hebben verbleven waarmee Aruba die relatie niet heeft, berust daarmee op redelijke en objectieve gronden en levert dan ook geen verboden discriminatie op. Het betoog faalt.

2.5. [Appellante] betoogt verder dat het Gerecht heeft miskend dat haar persoonlijk belang om werkzaam te zijn in de door haar geambieerde functie, gelet op haar goede gedrag, zwaarder moet wegen dan de met afwijzing gediende belangen. In dit verband heeft zij gewezen op een door de Venezolaanse autoriteiten afgegeven verklaring omtrent haar gedrag, alsmede een verklaring dat zij in dat land geen criminele antecedenten heeft.

2.5.1. Uit het bepaalde in artikel 7 van het Landsbesluit, gelezen in verbinding met artikel 16, eerste lid, van de Landsverordening, moet worden afgeleid dat de afgifte van een verklaring van geen bezwaar moet worden geweigerd in het geval een veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft opgeleverd om te kunnen oordelen dat voldoende waarborgen aanwezig zijn dat betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Dat maakt dat het het hoofd van de VDA niet vrijstond aan de gestelde belangen van [appellante] groter gewicht toe te kennen dan aan de met de afwijzing te dienen belangen. Gelet hierop, heeft het Gerecht aan hetgeen [appellante] ten aanzien van haar belangen heeft aangevoerd, terecht niet de betekenis gehecht die zij daaraan toegekend wilde zien. Het betoog faalt.

2.6. [Appellante] betoogt ten slotte dat het Gerecht er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de weigering willekeurig is, nu zij in verband met haar verblijf in Venezuela geen vertrouwensfunctie op de luchthaven mag vervullen, terwijl Venezolanen wel als toerist op de luchthaven worden toegelaten en, zonder dat daarvoor een vereiste verklaring van geen bezwaar is afgegeven, in dienst zijn van olieraffinaderij Valero.

Voorts betoogt [appellante] dat het Gerecht, door haar niet te volgen in het betoog dat het hoofd van de VDA het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, heeft miskend dat voor haar, hoewel zij de Nederlandse nationaliteit heeft, geen verklaring van geen bezwaar is afgegeven, maar voor een voormalige collega, die ook de Nederlandse nationaliteit heeft, wel.

2.6.1. Die klachten kunnen evenmin leiden tot het ermee beoogde resultaat, reeds omdat de gestelde strijd met het verbod van willekeur of het gelijkheidsbeginsel er niet toe kan leiden dat ten behoeve van [appellante] in strijd met het bepaalde in artikel 7 van het Landsbesluit een verklaring van geen bezwaar wordt afgegeven, hoewel niet valt vast te stellen dat voldoende waarborgen aanwezig zijn dat zij onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,