Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2091

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
HLAR 47128/11
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Partner van vreemdeling heeft geen rechtstreeks belang in de zin van art. 9 LAR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 47128/11

Datum uitspraak: 2 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Aruba,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 15 september 2010 in zaak nr. 1366 van 2010 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 13 augustus 2007 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken (hierna: de minister) een verzoek van appellant (hierna: [appellant]) om aan [de partner] (hierna: [de partner]) een vergunning tot verblijf te verlenen afgewezen.

Bij beschikking van 23 april 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 15 september 2010 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak is bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 26 oktober 2010, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

De minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2011, waar [appellant] en [de partner] in persoon en de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu, vertegenwoordigd door mr. J. Harewood, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [Appellant] klaagt dat het Gerecht, door te overwegen dat hij geen belang heeft bij het door hem ingestelde beroep, omdat bij de weigering [de partner] een vergunning tot verblijf te verlenen slechts haar belang rechtstreeks is betrokken, heeft miskend dat ook hij met het oog op de uitoefening van het recht op gezinsleven belang heeft bij verlening van een vergunning tot verblijf aan [de partner].

2.1.1. Zoals het Hof eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2008 in zaak nr. 269 HLAR 41/08, www.rechtspraak.nl), is bij de beschikking om een vergunning tot verblijf te weigeren slechts het belang van de desbetreffende vreemdeling rechtstreeks betrokken. Dat [appellant], zoals hij stelt, niet als haar werkgever optreedt, laat onverlet dat het Gerecht terecht heeft overwogen dat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak bij de weigering om [de partner] een vergunning tot verblijf te verlenen.

Voor zover [de partner] verblijf bij [appellant] hier te lande beoogt, staat het haar vrij om een daartoe strekkend verzoek in te dienen en eventueel tegen een afwijzende beschikking op dat verzoek op te komen, dan wel [appellant] te machtigen om dat namens haar te doen. In zoverre faalt het betoog.

2.1.2. Hoewel het Gerecht [appellant], gelet op het voorgaande, terecht geen belanghebbende heeft geacht bij de beschikking van 13 augustus 2007, heeft het miskend dat hij wel belanghebbende was bij de beschikking op het door hem gemaakte bezwaar. Dat dat bezwaar niet-ontvankelijk is, maakt dat niet anders. Het Gerecht heeft het door [appellant] tegen de beschikking van 23 april 2010 ingestelde beroep dan ook ten onrechte niet ontvankelijk verklaard bij gebrek aan belang. In zoverre slaagt het betoog.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren, nu de minister het door [appellant] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het gebrek aan belang.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 15 september 2010 in zaak nr. 1366 van 2010;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat het land aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 (zegge: vijfenzeventig gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,