Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2088

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
HLAR 47288/11
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante is op haar werkplek blootgesteld aan insecticide. De SVB heeft haar een tegemoetkoming toegekend. Na rapport dat deze stoffen na ongeveer 30 dagen niet meer werkzaam zijn, waardoor niet aannemelijk is dat appellante nog klachten ten gevolge van de insecticide ervaart, is deze tegemoetkoming stopgezet. De beschikking van de SVB is niet aan appellante toegezonden zoals de Lar vereist. Hof oordeelt dat het hoger beroep gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 47288/11

Datum uitspraak: 2 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellante], wonend in Curaçao,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 22 maart 2011 in zaak nr. 2010/160 in het geding tussen:

appellante

en

de Sociale Verzekeringsbank.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 11 juni 2009 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) de tegemoetkoming aan appellante (hierna: [appellante]) krachtens de Landsverordening Ongevallenverzekering (hierna: de LvOV) beëindigd.

Bij beschikking van 11 mei 2010 heeft de SVB het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 maart 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij het Hof ingekomen op 3 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2011 waar [appellante], bijgestaan door mr. E. Kleist, advocaat, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia en A. Wilson, beiden werkzaam bij de SVB, en N.J.M. Huizing, verzekeringsarts, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de LvOV heeft de werknemer, aan wie een ongeval is overkomen, krachtens de bepalingen van deze landsverordening en ongeacht het voortduren van het dienstverband tegenover de bank recht op tegemoetkoming, bestaande uit geneeskundige behandeling en verpleging, en uitkeringen in geld.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, voor zover thans van belang, deelt de bank zo spoedig mogelijk, mede aan de hand van de bevindingen en voorschriften van de behandelend geneeskundige, aan de rechthebbende schriftelijk mede welke tegemoetkoming zal worden verstrekt en eventueel dat en op welke gronden de bank zich niet of niet langer tot tegemoetkoming gehouden acht.

Ingevolge artikel 1 wordt onder ongeval, voor zover thans van belang, verstaan: een ongeval dat de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking is overkomen.

2.2. Op 22 september 2007 is [appellante] op haar werkplek blootgesteld aan insecticide. De SVB heeft haar in verband daarmee met ingang van 25 september 2007 tegemoetkoming toegekend.

2.3. De SVB heeft aan de beschikking van 11 mei 2010 een rapport van een verzekeringsarts van 5 januari 2010 (hierna: het rapport) ten grondslag gelegd. Volgens het rapport is bij de totstandkoming daarvan een advies van Arbo Consult van 16 november 2007 betrokken, inhoudende dat door minder deskundig gebruik in de uitvoering, vluchtige stoffen afkomstig van residu van de insecticiden zijn vrijgekomen in de werkruimte, welke een negatieve invloed kunnen hebben gehad op de gezondheid van medewerkers. Desgevraagd heeft G. Smith, werkzaam bij Arbo Consult, in aanvulling op dit advies te kennen gegeven dat deze stoffen na omstreeks 25 tot 30 dagen niet meer aanwezig zijn, aldus het rapport.

Voorts heeft de verzekeringsarts volgens het rapport het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (hierna: het NCvB) terzake om advies verzocht. Dat heeft als volgt bericht: "Er zijn sporadische waarnemingen (case-reports) die een verband suggereren tussen het optreden van astma en gebruik van synthetische pyrethroiden. Daar staan wat meer grootschalige waarnemingen tegenover waarbij men op populatieniveau dit verband niet kon leggen. Er zijn in ieder geval onvoldoende aanwijzingen dat deze categorie stoffen tot allergie kan leiden of er zou sprake moeten zijn van onzuiverheden in het preparaat. (…)" In dit advies wordt aldus geconcludeerd: "Het lijkt mij bij deze patiënte, die al astma had heel lastig om te bewijzen dat er nu sprake is van blijvende versterkte gevoeligheid door/voor deze bestrijdingsmiddelen. In de ruimte die behandeld is, zullen de stoffen inmiddels al lang niet meer aanwezig zijn. Zo er al een allergie zou zijn, dan wordt zij in die ruimte nu niet meer blootgesteld en kan haar dus rustig betreden. Wanneer haar astma goed behandeld wordt, er op dit moment geen uitgesproken bronchiale hyperreactiviteit aanwezig is en haar longfunctie niet sterk afwijkend is, dan moet ze vanuit het astma perspectief als arbeidsgeschikt worden gezien."

Ten slotte heeft de behandelend specialist van [appellante], dr. Ignacio, volgens het rapport desgevraagd te kennen gegeven dat [appellante] sinds 2003 bij hem bekend is met asthma bronchiale. Bij deze aandoening doet zich in alle gevallen ook een hyperreactiviteit van de luchtwegen voor, aldus dr. Ignacio.

De conclusie van het rapport is dat niet aannemelijk is dat [appellante] nog klachten ten gevolge van voormelde stoffen ervaart, nu deze stoffen ten tijde thans van belang niet meer in de ruimte waarin zij werkt, aanwezig waren en van deze stoffen geen lange termijn effecten zijn bewezen.

2.4. Het betoog van [appellante] dat het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen dat zij na 26 september 2007 niet aan de insecticiden is blootgesteld, de conclusie uit het rapport van Arbo Consult van 16 november 2007 onjuist heeft weergegeven en niet heeft vermeld, op welk deskundigenrapport het de stelling dat "de stoffen geen nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid op de langere termijn van de hieraan blootgestelde personen voor wat betreft carcinogene, mutagene of teratogene effecten" heeft gebaseerd, begrijpt het Hof aldus, dat het Gerecht volgens haar heeft miskend dat de SVB de beschikking van 11 mei 2010 niet op het rapport mocht baseren. Daartoe voert [appellante] verder aan dat het rapport van Arbo Consult en het advies van het NCvB onvolledig zijn. Voorts betoogt zij dat het Gerecht ten onrechte betekenis heeft gehecht aan een tussen de verzekeringsarts en de behandelend specialist, dr. Ignacio, gevoerd telefoongesprek, in plaats van aan een eerdere schriftelijke verklaring van laatstgenoemde. In dit verband voert zij aan dat zij naar aanleiding van voormeld telefoongesprek ten onrechte niet is gehoord.

2.4.1. Dit betoog faalt. Nu [appellante] geen deskundigenrapport ten betoge van het tegendeel heeft overgelegd, mocht de SVB aan het rapport doorslaggevende betekenis toekennen, tenzij dit naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont.

Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat het rapport voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij heeft het terecht belang gehecht aan het van het NCvB gekregen advies en de van de behandelend arts, dr. Ignacio, verkregen informatie. Dat in het advies van het NCvB is vermeld dat onder bepaalde omstandigheden, te weten indien er onzuiverheden in het preparaat zijn, aanwijzingen zouden kunnen zijn dat deze stoffen tot allergie kunnen leiden, geeft geen grond voor een ander oordeel, nu [appellante] niet door middel van een deskundigenrapport aannemelijk heeft gemaakt dat deze uitzonderingssituatie zich in dit geval voordoet. Overigens kan in het geval dat het preparaat onzuiverheden bevat, enkel allergie optreden, zoals de SVB in het hogerberoepschrift heeft gesteld en [appellante] niet heeft betwist.

Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de SVB de beschikking van 11 mei 2010 op het rapport heeft mogen baseren.

2.5. [Appellante] betoogt verder dat het Gerecht haar betoog dat de SVB in strijd met artikel 70, vierde lid, van de Landsverordening administratief recht (hierna: de Lar) heeft beschikt, ten onrechte onbesproken heeft gelaten.

2.5.1. Ingevolge artikel 70, derde lid, geeft het bestuursorgaan, indien het afwijkt van het advies van de adviescommissie, in zijn beschikkingen de redenen daarvoor aan.

Ingevolge het vierde lid, zendt het bestuursorgaan, indien het derde lid van toepassing is, het advies van de adviescommissie met de beschikking aan de bezwaarde en de andere partijen.

2.5.2. [Appellante] heeft in beroep terecht aangevoerd dat de beschikking van 11 mei 2010 in strijd met artikel 70, vierde lid, van de Lar is gegeven, nu het advies van de SVB-adviescommissie niet aan haar is toegezonden. Het Gerecht heeft haar ten onrechte niet in dat betoog gevolgd.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 11 mei 2010 vernietigen.

Het Hof ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking in stand te laten. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.6.1. Weliswaar heeft de SVB het advies van de SVB-adviescommissie niet aan [appellante] gezonden, maar de inhoud van dat advies is in de beschikking van 11 mei 2010 genoegzaam weergegeven. Voorts heeft het Gerecht, zoals hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, terecht geoordeeld dat de SVB bij het geven van de beschikking van 11 mei 2010 doorslaggevende betekenis mocht toekennen aan het rapport.

2.7. De SVB dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 22 maart 2011 in zaak nr. 2010/160;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak door appellanten tegen de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank van 11 mei 2010 ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt die beschikking;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van die beschikking in stand blijven;

VI. veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van de bij [appellante] in hoger beroep en in beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 2800,00 (zegge: tweeduizend achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI!. gelast dat het land Curaçao aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 150,- (zegge: honderdvijftig gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,