Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2085

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
HLAR 47292/11
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil betreft afwijzing van verzoek van appellante om haar ontheffing te verlenen van verbod om zich als medische beroepsbeoefenaar te mogen vestigen en het medisch beroep uit te mogen oefenen. Het Hof oordeelt dat de beschikking dient te worden vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en dientengevolge rustend op een ontoereikende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 47292/11

Datum uitspraak: 2 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Curaçao,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 5 april 2011 in zaak nr. 2010/161 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 12 mei 2010 heeft het bestuurscollege van het eilandgebied Curaçao (hierna: het bestuurscollege) een verzoek van appellante (hierna: [appellante]) om haar ontheffing te verlenen van het verbod om zich als medische beroepsbeoefenaar te vestigen en het medische beroep uit te oefenen (hierna: een ontheffing) afgewezen.

Bij uitspraak van 5 april 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep

niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij het Hof ingekomen op

16 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister van Gezondheid, Milieu en Natuur (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2011, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.A. van den Berg, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mrs. R.D. Larmonie-Cecilia en J. Ignasia, beiden werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke landsverordening beperking vestiging medische beroepen (hierna: de Landsverordening) is het verboden zich als medische beroepsbeoefenaar te vestigen en het medische beroep uit te oefenen, dan wel medische beroepsbeoefenaren te vervangen of hun aantal uit te breiden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover thans van belang, kan het bestuurscollege op een daartoe strekkend verzoek van een in artikel 2 vervatte verbodsbepaling ontheffing verlenen.

2.2. Voor zover [appellante] beoogt te betogen dat het Gerecht, door te overwegen dat zij geen belang bij het door haar ingestelde beroep heeft, buiten het geschil is getreden, omdat dit door de minister niet is aangevoerd, faalt dat.

Het Gerecht had ambtshalve te onderzoeken of aan voorschriften van openbare orde is voldaan. Dat ten tijde van de beoordeling van het beroep belang daarbij moet bestaan, is zodanig voorschrift, omdat het mede de toegang tot de rechter regelt. Het Gerecht heeft dan ook terecht onderzocht of [appellante] belang heeft bij het door haar ingestelde beroep, hoewel de minister niet heeft aangevoerd dat dat niet het geval is.

2.3. [Appellante] betoogt verder dat het Gerecht, door te overwegen dat zij geen belang bij het door haar ingestelde beroep heeft, omdat zij niet met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat zij op korte termijn daadwerkelijk een medisch beroep zal uitoefenen en een onvoldoende geconcretiseerd verzoek om verlening van een ontheffing het voor het bestuurscollege onmogelijk maakt om dat te beoordelen, heeft miskend dat zij heeft gesteld dat zij zich als basisarts wenst te vestigen en de medische beroepen uit wil oefenen, waartoe zij bevoegd is en dat de Landsverordening haar er niet toe verplicht om haar verzoek om verlening van een ontheffing nader te concretiseren.

2.3.1. Aan de beschikking van 12 mei 2010, zoals door de minister nader toegelicht in het bij het Gerecht ingediende verweerschrift van 10 november 2010, heeft het bestuurscollege ten grondslag gelegd dat volgens het rapport Santu Remedi van de Werkgroep Ontwikkeling Vestiging- en Investeringsbeleid in de Gezondheidssector (hierna: het rapport) geen dringende behoefte bestaat aan huisartsen. Bovendien is [appellante] geen huisarts. Volgens de beleidslijn voor de op ontheffingsverzoeken te geven beschikkingen (hierna: de beleidslijn) geldt als uitgangspunt dat basisartsen niet als huisarts dan wel waarnemend huisarts mogen werken, zonder de huisartsenopleiding te hebben gevolgd en ruime ervaring als huisarts te hebben opgedaan, aldus het bestuurscollege en de minister.

2.3.2. [Appellante] heeft in beroep betoogd dat het bestuurscollege aldus heeft miskend dat zij basisarts is en een medisch beroep beoogt uit te oefenen, waartoe zij bevoegd is, zoals schoolarts, docent of keuringsarts.

2.3.3. Dat betoog slaagt. Het Gerecht heeft ten onrechte aangenomen dat [appellante] door gegrondbevinding van het door haar ingestelde beroep niet in een gunstiger positie kan geraken. [Appellante] stelt werkzaamheden uit te willen voeren, waartoe zij als basisarts bevoegd is en niet is gebleken van feiten of omstandigheden die bij voorbaat uitsluiten dat zij bij verlening van ontheffing één of meer van de door haar vermelde beroepen daadwerkelijk zal uitoefenen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het Hof zal de zaak evenwel niet naar het Gerecht terugverwijzen, nu het bij het Gerecht ingestelde beroep kennelijk gegrond is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.5. Bij eilandsbesluit van 2 september 2009, nr. 49, heeft het bestuurscollege de beleidslijn, neergelegd in de memo van de Geneeskundige- en Gezondheidsdienst (hierna: de GGD) van 25 augustus 2009, goedgekeurd.

In de beleidslijn is geregeld, onder welke omstandigheden medische beroepsbeoefenaren voor wie het verbod, neergelegd in artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening, geldt, met ingang van 1 oktober 2009 in aanmerking komen voor al dan niet tijdelijke ontheffing van dat verbod. In dit verband zijn verzoeken om verlening van zodanige ontheffing onderverdeeld in drie categorieën, namelijk verzoeken van arts-assistenten dan wel basisartsen die tijdelijk in het St. Elisabeth Hospital (hierna: SEHOS) werkzaam willen zijn, verzoeken van artsen die in dienstverband bij een in bijlage 1 van het rapport vermelde stichting of instelling werkzaam willen zijn en overige verzoeken. Ten aanzien van de laatste categorie geeft de GGD volgens de beleidslijn advies op basis van de behoefte, waaronder ook de behoefte voor vervanging binnen een ziekenhuis of een andere instelling, rekening houdend met kwaliteitsverbetering, een dreigend tekort, het advies van de vakgroep en wachttijden.

2.6. [Appellante] heeft gesteld dat zij als zelfstandige basisarts werkzaam wenst te zijn in Curaçao. Zij beoogt derhalve niet in loondienst in het SEHOS of bij een in bijlage 1 van het rapport vermelde instelling dan wel stichting werkzaam te zijn. Nu de beleidslijn er niet toe strekt dat dergelijke, tot de derde categorie behorende verzoeken zonder meer worden afgewezen, heeft het bestuurscollege ten onrechte niet onderzocht of [appellante] in aanmerking komt voor verlening van ontheffing voor vestiging als basisarts en de uitoefening van beroepen waartoe zij als zodanig bevoegd is. Voor zover de minister zich in dit verband op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] haar verzoek onvoldoende heeft toegelicht, leidt dit niet tot een ander oordeel, nu het in dat geval op de weg van het bestuurscollege lag om [appellante] om nadere toelichting te vragen. De beschikking van 12 mei 2010 dient dan ook wegens onzorgvuldige voorbereiding ervan en dientengevolge als rustend op een ontoereikende motivering te worden vernietigd.

2.7. De minister dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het door [appellante] ingediende verzoek van 29 september 2009 te beschikken.

2.8. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 5 april 2011 in zaak nr. 2010/161;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de beschikking van het bestuurscollege van 12 mei 2010, kenmerk 2009/53108;

V. bepaalt dat de minister opnieuw op het door [appellante] op 29 september 2009 gedane verzoek beschikt;

VI. veroordeelt de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur tot vergoeding van de bij N.H. [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 2.800,00 (zegge: tweeduizend achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het land Curaçao aan N.H. [appellante] het voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.P. de Haan, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. De Haan

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,