Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2080

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
HLAR 47487/11
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil betreft weigering voor tewerkstellingsvergunning. Hof oordeelt dat de vreemdeling ten tijde van het verzoek rechtmatig hier ten lande verbleef en de minister heeft het verzoek derhalve ten onrechte op die grond afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 47487/11

Datum uitspraak: 2 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Curaçao, handelend onder de naam De Moda,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 5 april 2011 in zaak nr. 2010/219 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 20 oktober 2009 heeft het bestuurscollege van het eilandgebied Curaçao (hierna: het bestuurscollege) geweigerd appellant (hierna: de werkgever) vergunning te verlenen om [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) te werk te stellen.

Bij beschikking van 21 juni 2010 is het door de werkgever daartegen gemaakte bezwaar namens het bestuurscollege ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het door de werkgever daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak heeft de werkgever bij brief, bij het Hof ingekomen op 10 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2011, waar de werkgever, vertegenwoordigd door mr. B.W. Scheperboer, advocaat, en mr. G.C.A. Scheperboer-Parris, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Ricardo, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Landverordening arbeid vreemdelingen (hierna: de Lav) wordt een tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) geweigerd, indien deze een vreemdeling betreft die in strijd met de bij of krachtens de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) gegeven regels heeft gehandeld.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Ltu, voor zover thans van belang, wordt niemand in de Nederlandse Antillen toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

2.1.1. De werkgever betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling ten tijde van het verzoek hier te lande niet op voet van een verblijfstitel verbleef en het bestuurscollege dat verzoek om die reden terecht met toepassing van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Lav heeft afgewezen.

2.1.2. Ter zitting is namens de minister verklaard dat de beschikking van 21 juni 2010 niet deugdelijk is gemotiveerd, nu de vreemdeling ten tijde van het verzoek rechtmatig hier te lande verbleef en dat verzoek derhalve ten onrechte op voet van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Lav is afgewezen. Onder die omstandigheden slaagt het betoog.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen in hoger beroep verder is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het door de werkgever ingestelde beroep gegrond verklaren en de beschikking van 21 juni 2010 vernietigen. De minister dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het door de werkgever tegen de beschikking van 20 oktober 2009 gemaakte bezwaar te beschikken.

2.3. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, van 5 april 2011 in zaak nr. 2010/219;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de namens het bestuurscollege gegeven beschikking van 21 juni 2010, kenmerk 2009/64517;

V. bepaalt dat de minister opnieuw op het door de werkgever tegen de beschikking van 20 oktober 2009 gemaakte bezwaar beschikt;

VI. veroordeelt de minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn tot vergoeding van de bij [appellant], in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 2800,00 (zegge: tweeduizend achthonderd gulden) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn aan [appellant] te worden betaald;

VII. gelast dat de minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,