Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2076

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
HLAR 47647/11 en 47648/11
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om vergunning voor tijdelijk verblijf van twee vreemdelingen wordt afgewezen. Zij komen niet in aanmerking voor de Brooks Tower regeling. Hof oordeelt dat verzoek terecht is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 47647/11 en 47648/11

Datum uitspraak: 2 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonend in Curaçao,

appellanten,

tegen de uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 25 januari 2011 in de zaken nrs. 2010/158 en 2010/159 in de gedingen tussen:

appellanten

en

de minister van Justitie van het land Curaçao.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden beschikkingen van 7 juni 2010 heeft de minister van Justitie van de Nederlandse Antillen (hierna: de minister) verzoeken van appellanten (hierna: de vreemdelingen) om hun een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.

Bij onderscheiden uitspraken van 25 januari 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) de door de vreemdelingen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraken hebben de vreemdelingen bij onderscheiden brieven, bij het Hof ingekomen op 8 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister van Justitie van het land Curaçao heeft verweerschriften ingediend.

Het Hof heeft de zaken wegens hun onderlinge samenhang gevoegd en ter zitting behandeld op 18 oktober 2011, waar de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.H. Römer, advocaat, en de minister van Justitie van het land Curaçao, vertegenwoordigd door mr. D.J. Victorina, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdelingen klagen dat het Gerecht heeft miskend dat de omstandigheden dat zij in Curaçao naar school gaan, geen gevaar voor de openbare orde vormen en hier te lande gezinsleven met hun moeder uitoefenen, klemmende redenen van humanitaire aard opleveren, die ertoe moeten leiden dat hun de verzochte vergunning tot tijdelijk verblijf op voet van de regeling Richtlijnen plan van aanpak Brooks Tower (hierna: de BT-regeling) wordt verleend, hoewel zij niet aan de daarin voor vergunningverlening gestelde eisen voldoen.

2.1.1. De vreemdelingen zijn Curaçao na 31 december 2005 binnengekomen.

2.1.2. Volgens artikel 1, onder a, van de ministeriele beschikking van 14 oktober 2009 (hierna: de Richtlijnenbeschikking "Brooks Tower"), gepubliceerd in de Curaçaosche Courant van 30 oktober 2009, nr. 5024/MJ, voor zover thans van belang, is er een regeling genaamd Richtlijnen plan van aanpak 'Brooks Tower".

Volgens dat artikel, onder b, is deze regeling van toepassing op 'ongedocumenteerde' vreemdelingen, zijnde vreemdelingen zonder legale status in de Nederlandse Antillen.

Volgens dat artikel, onder c, dienen deze 'ongedocumenteerde' vreemdelingen aan de voorwaarden, vereisten en voorschriften, vermeld in de regeling te voldoen.

Volgens dat artikel, onder d, geldt deze regeling van 3 november tot en met 15 december 2009.

In de BT-regeling is onder meer het volgende vermeld:

"Sinds vele jaren verblijft een toenemend aantal vreemdelingen in de Nederlandse Antillen. Van deze vreemdelingen verblijft een steeds groter aantal al jaren zonder toelating, en dus illegaal, op de eilanden. De overheid realiseert dat langdurig verblijf zonder verblijfstitel op zichzelf geen reden is om het verblijf te legaliseren. Er is echter vastgesteld dat het vreemdelingenproces niet naar behoren verloopt en dat de overheid niet adequaat is opgetreden. (…) De minister zal bij de behandeling van deze groep vreemdelingen zijn discretionaire bevoegdheid gebruiken omdat het gaat om een samenstel c.q. combinatie van bijzondere factoren, die er in hun onderlinge samenhang bezien, toe leiden dat de concrete toepassing van het reguliere beleid in het concrete geval getuigt van een onbedoelde bijzondere hardheid. Het gaat hierbij met name om factoren als zeer lange verblijfsduur in de respectievelijke eilandgebieden van de Nederlandse Antillen, het ongelijk behandelen van gelijksoortige aanvragen en het niet tijdig afhandelen van aanvragen. (…) Voor de toepassing van het Brooks Tower Akkoord is een onderverdeling gemaakt in drie categorieën. Deze categorieën zijn gebaseerd op de datum van binnenkomst in de Nederlandse Antillen en kennen ieder voor zich aparte vereisten en bepalingen. (…) Onder categorie III vallen die vreemdelingen die na 31 december 2005 zijn binnengekomen. Deze vreemdelingen komen niet in aanmerking voor een VTTV (BT)."

In de Rapportage "Optimaliseren Vreemdelingenproces op de Nederlandse Antillen, Brooks Tower Akkoord: een project" van de minister van 15 september 2010 (hierna: de rapportage) is het volgende vermeld:

"Categorie III – ongedocumenteerden kwamen namelijk niet in aanmerking voor een tijdelijke verblijfsvergunning. Dit had te maken met het beleid van de Minister van Justitie, die aan het einde van 2005 bekend had gemaakt dat alle vreemdelingen die na 31 december 2005 de Nederlandse Antillen binnen zijn gekomen zich moeten houden aan de geldende Landsverordening Toelating en Uitzetting."

2.1.3. Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de BT-regeling betrekking heeft op vreemdelingen die zeer langdurig in de Nederlandse Antillen verblijven en op wier verzoek om toelating het vóór 2006 gevoerde toelatingsbeleid van toepassing was. De BT-regeling kent voorts een beperkte geldigheidsduur en bevat strikte vereisten om voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf op voet ervan in aanmerking te kunnen komen. Voor vreemdelingen die buiten het bereik van de regeling vallen, zijn geen uitzonderingen gemaakt. Hieruit volgt dat de BT-regeling een beperkt bedoelde aanvulling op het regulier gevoerde toelatingsbeleid vormt. Zij strekt er niet toe om vreemdelingen die niet aan de vereisten voldoen of niet behoren tot de groep die onder het bereik van de regeling valt, niettemin in verband met individuele omstandigheden een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.

De door de vreemdelingen gestelde omstandigheden kunnen reeds om die reden niet tot het oordeel leiden dat het Gerecht heeft miskend dat de minister hun, hoewel zij niet behoren tot de categorie vreemdelingen waar de BT-regeling op ziet, de verzochte vergunning tot tijdelijk verblijf niet mocht weigeren. Het betoog faalt.

2.2. Ten aanzien van het betoog van de vreemdelingen dat het Gerecht heeft miskend dat zij ingevolge artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) aanspraak hebben op bescherming van hun gezinsleven en de minister om deze reden hun verzoeken ten onrechte heeft afgewezen, wordt overwogen dat, gelet op de aard van de regeling, zoals hiervoor onder in 2.1.3. weergegeven, de door de vreemdelingen gestelde gezinsomstandigheden geen aanleiding kunnen geven tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf op voet van de BT-regeling.

Voor zover de vreemdelingen betogen dat zij niettemin aanspraak op toelating hebben, omdat het recht op eerbiediging van hun gezinsleven voor de autoriteiten een positieve verplichting daartoe inhoudt, wordt overwogen dat het hun vrij staat om een daartoe strekkend verzoek in te dienen. Dat kan dan op zijn eigen merites worden beoordeeld.

2.3. De vreemdelingen klagen evenzeer tevergeefs dat het Gerecht heeft miskend dat in de beschikkingen van 7 juni 2010 ten onrechte geen rekening is gehouden met de redelijke termijn die in de BT-regeling wordt geboden om het land vrijwillig te verlaten, reeds omdat die regeling niet op hen van toepassing is.

2.4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigt.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,