Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2064

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
HLAR 50768/11
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. In geschil is de weigering om taxivergunningen toe te kennen na toezegging door de vorige minister. Hof oordeelt dat de minister niet gehouden is aan de toezegging omdat de vorige minister niet voorafgaand aan deze toezegging advies had gevraagd aan Commissie zoals vereist door de Lpv. Het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel slaagt wel, de minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom 12 anderen wel een vergunning is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 50768/11

Datum uitspraak: 2 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. (…),

2. (…),

3. (…),

4. (…),

5. (…),

6. (…),

7. (…),

8. (…),

9. (…),

10. (…),

11. (…),

12. (…),

13. (…),

14. (…),

15. (…),

16. (…),

17. (…),

18. (…),

19. (…),

20. (…),

21. (…),

22. (…),

23. (…), allen wonend in Aruba,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van

23 maart 2011 in zaak Lar nr. 2474 van 2010 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Toerisme, Transport en Arbeid (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij onderscheiden beschikkingen van 11 november 2009 heeft de minister verzoeken van appellanten om hun een taxivergunning te verlenen afgewezen.

Bij beschikking van 16 augustus 2010 heeft de minister de door appellanten daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 maart 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 4 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2011 waar

appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.A. Ruiz, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.L. Ras-Orman, werkzaam in dienst van het Land, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening Personenvervoer (hierna: de Lpv) is het verboden om zonder vergunning tegen vergoeding als beroep, nevenberoep, bedrijf of nevenbedrijf met een motorrijtuig personen te vervoeren of te doen vervoeren.

Ingevolge het tweede lid kan de in het eerste lid bedoelde vergunning een taxivergunning zijn.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, is er een Commissie van advies voor de uitvoering van deze landsverordening (hierna: de Commissie).

Ingevolge het vierde lid wint de minister het advies van de Commissie in ten aanzien van de verlening, wijziging, overschrijving, vernieuwing of intrekking van vergunningen, alsmede in andere aangelegenheden, het personenvervoer met motorrijtuigen betreffende, waarin de Commissie dat wenselijk acht.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, wordt de aanvraag van een vergunning gedurende veertien dagen op het correspondentieadres van de Commissie voor een ieder ter inzage gelegd.

Ingevolge artikel 12, onder a, wordt de vergunning bij met redenen omkleed besluit van de minister geweigerd, indien naar zijn oordeel voldoende in de behoefte aan vervoer van de soort, waarvoor vergunning is gevraagd, is voorzien.

2.2. De voorganger van de minister heeft appellanten bij onderscheiden brieven van 27 oktober 2009 als volgt medegedeeld: "Gelet op de uitbreiding van het aantal hotelkamers hier te lande met ongeveer 35%, de toename in het aantal 'stayovers' toeristen van ongeveer 33% en cruisetoeristen met circa 76% en de totstandkoming van een nieuw toeristische corridor te Seru Colorado en mede gezien het feit dat gedurende een periode van meer dan tien jaren – het alom bekende moratorium – geen taxi- en autobusvergunningen werden verleend, wordt het dezerzijds verantwoord geacht dat de taxivergunningen bestand uitgebreid wordt. Derhalve wordt u, vooruitlopend op de formalisering hiervan bij ministeriele beschikking, bericht, dat u in aanmerking komt voor een taxivergunning, mits u aan de bij de wet gestelde eisen/voorwaarden voldoet".

2.3. Aan de in beroep bestreden beschikking heeft de minister ten grondslag gelegd dat de Directie Openbaar Personenvervoer (hierna: de DOPV) heeft geadviseerd geen nieuwe taxivergunningen te verlenen, maar het zogenoemde moratorium te handhaven.

2.5 Appellanten betogen dat het Gerecht, door niet aan te nemen dat het moratorium is opgeheven, heeft miskend dat de voorganger van de minister dat in het parlement heeft verklaard en in de toezeggingen van 27 oktober 2009 heeft bevestigd en de minister gehouden was om de door zijn voorganger gedane toezeggingen gestand te doen, nu die zorgvuldig waren voorbereid.

2.5.1. Het Gerecht heeft met juistheid de minister niet gehouden geacht om de gestelde door zijn voorganger gedane toezeggingen gestand te doen. Bij het verlenen van een taxivergunning dient de minister ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Lpv, de Commissie om advies te vragen. Nu niet in geschil is dat dat voorafgaand aan de toezeggingen niet is gebeurd, hebben die toezeggingen het Gerecht reeds om die reden terecht niet tot het oordeel geleid dat de verzochte taxivergunningen niet mochten worden geweigerd.

Het betoog faalt reeds om deze reden. Hetgeen appellanten in dit verband voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

2.6 Appellanten betogen verder dat het Gerecht heeft miskend dat de beschikking van 16 augustus 2010 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Appellanten verwijzen in dit verband naar 12 gevallen waarin volgens hen aan anderen wel een nieuwe taxivergunning is verleend.

2.6.1 Ter zitting heeft de minister uiteengezet dat de strekking van het zogenoemd moratorium is dat geen taxivergunningen verleend worden boven het aantal van de op dat moment verleende vergunningen. Het houdt volgens de minister niet in dat geen taxivergunningen verleend worden in geval een verleende vergunning wordt ingetrokken of verzocht wordt om veranderde tenaamstelling van een zodanige vergunning. Dat hebben appellanten niet gemotiveerd weersproken.

De minister heeft voorts een lijst overgelegd van ingetrokken taxivergunningen die ten tijde thans van belang opnieuw zijn verleend. Niet is echter gebleken dat de minister daarbij een objectief criterium, aan de hand waarvan ingetrokken taxivergunningen opnieuw worden verleend, heeft toegepast. Uit de afwijzing blijkt niet van de toepassing van zodanig criterium en ter zitting bleef een antwoord op de vraag, welk criterium is toegepast, uit. Aldus heeft de minister onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd, waarom appellanten, voor zover zij aan de daarvoor gestelde eisen voldoen, niet in aanmerking zijn gekomen voor verlening van de verzochte taxivergunningen.

Het betoog slaagt in zoverre.

2.7 Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 16 augustus 2010 vernietigen. De minister dient opnieuw op de bezwaren te beslissen.

2.8 De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 23 maart 2011 in zaak Lar nr. 2474 van 2010;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak door appellanten tegen de beschikking van de minister van Toerisme, Transport en Arbeid van 16 augustus 2010 (LAR/I-28/10) ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt die beschikking;

V. draagt de minister van Toerisme, Transport en Arbeid op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuwe beschikking op het gemaakte bezwaar te geven en die op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. veroordeelt de minister van Toerisme, Transport en Arbeid tot vergoeding van de bij appellanten in beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 1400,00 (zegge: veertienhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat het land Aruba aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,00 (zegge: honderd gulden) teruggeeft, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,