Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2060

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
HLAR 48871/11
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil betreft toekenning van ouderdomspensioen. SVB oordeelt dat verzekerde haar woonplaats had in Venezuela. Het betoog van appellanten slaagt, de SVB heeft miskend dat verzekerde vier jaar in Venezuela verbleef wegens haar slechte gezondheid en daardoor gedwongen was daar te verblijven hoewel zij dat niet wilde. Zij had steeds de wil om op Curaçao woonachtig te zijn. Hof verklaart het hoger beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 48871/11

Datum uitspraak: 2 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. (…), wonend in Curaçao,

2. (…), wonend in Venezuela,

3. (…), wonend te Appingedam, Nederland,

4. (…), wonend te Vlaardingen, Nederland,

5. (…), wonend te Bleiswijk, Nederland,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van

22 maart 2011 in zaak nr. 2009/299 in het geding tussen:

appellanten

en

de Sociale Verzekeringsbank.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 29 oktober 2009 (A.O.-20359) heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) het aan wijlen [verzekerde] (hierna: verzekerde) toegekende ouderdomspensioen achtereenvolgens met ingang van 1 maart 2005, 1 januari 2006, 1 januari 2007, 1 januari 2008 en 1 januari 2009 herzien en ingaande 1 september 2009 ingetrokken.

Bij uitspraak van 22 maart 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij het Hof ingekomen op 3 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2011, waar (…), bijgestaan door mr. S.N.E. Inderson, advocaat, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia, werkzaam in haar dienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Landverordening Algemene Ouderdomsverzekering (hierna: LvAO), zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, wordt, waar iemand woont, naar de omstandigheden beoordeeld, voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald.

Ingevolge het tweede lid worden degenen die de Nederlandse Antillen metterwoon verlaten, maar zich aldaar binnen een jaar weder metterwoon vestigen, geacht ook tijdens hun afwezigheid daar te hebben gewoond, tenzij zij tijdens hun afwezigheid op het grondgebied van Nederland of een vreemde staat hebben gewoond.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, wordt het ouderdomspensioen door de Bank ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde, daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.

Ingevolge artikel 34 zijn de gepensioneerde, aan wie, alsmede het orgaan, aan hetwelk het pensioen ingevolge het bepaalde in artikel 14 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald, verplicht van elke verandering van feiten en omstandigheden, welke tot intrekking of verlaging van het pensioen aanleiding kan geven, schriftelijk mededeling te doen aan de Bank, binnen veertien dagen, nadat die feiten en omstandigheden zich voordoen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (hierna: de ALL) gelden de bepalingen van deze landsverordening bij de heffing van inkomstenbelasting als bedoeld in de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, wordt waar iemand woont naar de omstandigheden beoordeeld.

2.2. Niet in geschil is dat verzekerde van februari 2005 tot haar overlijden in augustus 2009 in Venezuela heeft verbleven.

2.3. Appellanten betogen dat het Gerecht, door te overwegen dat de SVB zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verzekerde niet in de Nederlandse Antillen woonachtig was, reeds omdat zij gedurende vier jaren in Venezuela heeft verbleven, heeft miskend dat verzekerde in Venezuela verbleef omwille haar slechte gezondheid en daardoor gedwongen was daar te verblijven, hoewel zij dat niet wilde. Zij had steeds de wil om op Curaçao woonachtig te zijn, aldus appellanten.

2.3.1 In de memorie van toelichting bij de LvAO (Staten van de Nederlandse Antillen, zittingsjaar 1959-60, no. 5) is ten aanzien van artikel 2 vermeld dat dit artikel vrijwel geheel dezelfde regeling ten aanzien van de bepalingen van de woonplaats heeft, als voorkomt in artikel 1 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943.

In de memorie van toelichting bij de ALL (Staten van de Nederlandse Antillen, zittingsjaar 2001, no. 3) is vermeld dat de bepalingen van formeel recht van de ALL ook op de LvAO van toepassing zullen zijn.

Voorts is daar ten aanzien van artikel 4 aldus vermeld: "De subjectieve belastingplicht is afhankelijk gesteld van het hier te lande wonen of gevestigd zijn. De beoordeling daarvan moet naar omstandigheden worden bepaald. Bij de beoordeling moeten alle van belang zijnde omstandigheden in aanmerking worden genomen. In het algemeen zal er weinig twijfel bestaan in welke richting de omstandigheden dwingen. Maar in voorkomend geval zullen de van belang zijnde omstandigheden die verschillende richtingen uitgaan tegen elkaar moeten worden afgewogen. En men kan daarbij tot de slotsom komen dat een persoon of lichaam zowel binnen de Nederlandse Antillen als elders woont of gevestigd is. Het hier wonen of gevestigd zijn, veronderstelt een duurzame band met de Nederlandse Antillen. Factoren die van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of zodanige band bestaat, zijn onder meer de wil van betrokkene (indien deze in feitelijkheden naar buiten komt), het aanvaard hebben van een dienstbetrekking, de plaats waar het gezin verblijf, het onderhouden van economische banden, het in het bevolkingsregister zijn opgenomen en dergelijke."

Aldus volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de LvAO dat het hebben van woonplaats hier te lande een duurzame band met de Nederlandse Antillen veronderstelt, waarbij onder meer van belang is de wil van betrokkene.

2.3.2. Aan de beschikking van 29 oktober 2009 heeft de SVB ten grondslag gelegd dat verzekerde sinds februari 2005 in Venezuela woont en dat zij ten gevolge daarvan voor de periode vanaf haar 15-jarige leeftijd tot de datum van de inwerkingtreding van de LvAO, 1 september 1960, niet langer als verzekerde wordt aangemerkt, zodat per 1 maart 2005 een korting van 68% op haar ouderdomspensioen dient te worden toegepast.

2.3.3. Aldus heeft de SVB , waar het het in aanmerking nemen van het verblijf van verzekerde sinds februari 2005 betreft, haar oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat verzekerde steeds de wil had om naar Curaçao terug te keren en een duurzame band met de Nederlandse Antillen heeft behouden, zodanig dat zij geacht kan worden daar haar woonplaats te hebben gehad, ontoereikend gemotiveerd.

Ter zitting heeft de gemachtigde van de SVB - desgevraagd - verklaard dat de SVB voor de uitleg van de toepasselijke verordeningen aansluiting zoekt bij de Nederlandse wetgeving en jurisprudentie. Vooropgesteld zij dat de uitspraak van het Gerecht waartegen het hoger beroep zicht richt, en de bestreden beschikking dienen te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het geven van de bestreden beschikking toepasselijke Antilliaanse recht en de daarop eventueel betrekking hebbende jurisprudentie. Echter, ook de Nederlandse wetgeving en jurisprudentie bieden geen steun voor de aan de beschikking ten grondslag gelegde motivering. Zo moet bijvoorbeeld de vraag waar iemand woont, op grond van artikel 3, lid 1, van de Algemene Kinderbijslagwet naar het oordeel van de Hoge Raad worden beoordeeld met inachtneming van alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval, waarbij het er op aan komt of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland (zie bijvoorbeeld HR 20 december 1995, nr. 30452, BNB 1996/161). Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat het voor het hebben van een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich daar bevindt (zie HR 22 december 1971, nr. 16650, BNB 1973/120; zie ook HR 21 januari 2011, nr. 10-00563, LJN BP1466). Van een dergelijke beoordeling is in de bestreden beschikking geen sprake.

Dat het, zoals de SVB ter zitting bij het Gerecht te kennen heeft gegeven, van algemene bekendheid is dat de veiligheidssituatie in Venezuela te wensen overlaat en het derhalve van verzekerde, gezien haar leeftijd en gezondheidstoestand, onverantwoord was naar Venezuela af te reizen met het risico dat zij voor lange tijd niet naar Curaçao zou kunnen terugkeren, kan, wat daar van zij, niet als een relevante omstandigheid voor het bepalen van haar woonplaats gelden.

2.3.4. Het betoog slaagt reeds om deze reden. Hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 29 oktober 2009 vernietigen.

2.5. De SVB dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 22 maart 2011 in zaak nr. 2009/299;

III. verklaart het in die zaak door appellanten tegen de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank van 29 oktober 2009 (A.O.-20359) bij het Gerecht ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt die beschikking;

V. veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van de bij appellanten in hoger beroep en in beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 2800,00 (zegge: tweeduizend achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat het land Curaçao aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 150,- (zegge: honderdvijftig) teruggeeft, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,