Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2054

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
HLAR 47352/11
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is in beroep tegen last om in- en uitrit bij zijn perceel af te sluiten op straffe van bestuursdwang. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt, Hof bevestigt vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 47352/11

Datum uitspraak: 2 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant], wonend in Curaçao,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van

8 maart 2011 in zaak nr. Lar 2010/169 in het geding tussen:

appellant

en

de gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de gezaghebber), thans de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 20 mei 2010 heeft de gezaghebber een verzoek van appellant (hierna: [appellant]) om terug te komen van de hierna onder 2.2 vermelde beschikking van 10 augustus 2005 afgewezen en hem op straffe van bestuursdwang gelast de in- en uitrit, gelegen aan […] te Curaçao (hierna: het perceel), af te sluiten.

Bij uitspraak van 8 maart 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij het Hof ingekomen op

19 april 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.A. Knoppel, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. N.D.R. Romero, advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge de bij het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (hierna: het EOP) behorende plankaart rust op de gronden waarop de in- en uitrit is gelegen, de globale bestemming primaire hoofdweg.

2.2. Ingevolge artikel 14, tweede lid, onder d, van de voorschriften van het EOP, voor zover thans van belang, wordt bij de aanleg van nieuwe primaire hoofdwegen en bij het beheer en de reconstructie van bestaande hoofdwegen nagestreefd dat geen directe aansluitingen in de vorm van in- en uitritten op de weg worden gerealiseerd.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, is het verboden bouwwerken of onbebouwde gronden te gebruiken, doen gebruiken of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in de globale dan wel uitgewerkte voorschriften aan de grond gegeven bestemming, behoudens het bepaalde in het overgangsrecht.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, mag op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van deze voorschriften bestaand gebruik van bouwwerken en onbebouwde gronden dat niet bestaat uit bouwen en dat in strijd is met het bepaalde in hoofdstuk 2 ten aanzien van de globale bestemmingen, worden voortgezet, alsmede worden veranderd en in redelijke binnen de ruimtelijke situatie passende mate worden uitgebreid, mits de afwijking van de bestemmingsvoorschriften bij verandering en uitbreiding niet leidt tot een onevenredige schade aan de bestemmingen in verhouding met het belang dat bij die afwijking is gediend.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao is de gezaghebber bevoegd op kosten van de overtreders te doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorige toestand herstellen, wat in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze eilandsverordening is of wordt gehouden, gemaakt of gesteld, ondernomen, weggelaten, beschadigd of weggenomen.

2.3. Bij beschikking van 13 oktober 2006 heeft het bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao (hierna: het bestuurscollege) een beschikking van 10 augustus 2005, waarbij het [appellant] op straffe van bestuursdwang heeft gelast de in- en uitrit van het perceel af te sluiten, in bezwaar gehandhaafd.

Bij uitspraak van 4 juni 2007 heeft het Gerecht het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, de eerst vermelde beschikking vernietigd en het bestuurscollege opgedragen opnieuw op het door [appellant] tegen de last gemaakte bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij uitspraak van 29 november 2007 in zaak nr. 204 HLAR 32/07 heeft het Hof het door het bestuurscollege daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en, doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, het door [appellant] tegen de beschikking van 13 oktober 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft het overwogen dat – samengevat weergegeven – het gebruik van de in- en uitrit weliswaar geen bouwen in afwijking van de aan de bouwvergunning verbonden voorschriften is, maar wel in strijd is met artikel 14, tweede lid, onder d, gelezen in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de voorschriften van het EOP, nu de in- en uitrit aan een primaire hoofdweg is gesitueerd.

2.4. Bij brief van 29 december 2008 heeft [appellant] het bestuurscollege verzocht om van de hem bij de beschikking van 10 augustus 2005 opgelegde last terug te komen. Tegen het uitblijven van een beschikking op dat verzoek heeft [appellant] bij brief van 3 februari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij beschikking van 28 januari 2010 heeft het bestuurscollege het aldus gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het bezwaarschrift ter behandeling aan de gezaghebber doorgezonden.

De gezaghebber heeft daarop de beschikking van 20 mei 2010 gegeven.

2.5. Zoals het Hof eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 30 mei 2005 in zaak nr. 74 HLAR 44/04; www.rechtspraak.nl), kan, indien na een eerdere beschikking een beschikking van gelijke strekking wordt gegeven, door het instellen van beroep tegen die laatste beschikking niet worden bereikt dat de bestuursrechter die toetst, als was het de eerste. Slechts indien en voor zover aan het verzoek dat tot het geven van die beschikking aanleiding heeft gegeven, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, dan wel zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen die beschikking, de motivering ervan en de wijze waarop zij tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst, als betrof het een eerste beschikking.

2.6. [Appellant] betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat het verzoek van 29 december 2008 er niet toe strekt dat wordt teruggekomen van een in rechte onaantastbare beschikking, nu dat aan de gezaghebber is gedaan en de beschikking van 10 augustus 2005 door het bestuurscollege is gegeven.

2.6.1. Weliswaar is de beschikking van 20 mei 2010 door de gezaghebber gegeven en die van 10 augustus 2005 door het bestuurscollege, maar de beschikkingen betreffen dezelfde last. Gelet hierop, heeft het Gerecht het verzoek van 29 december 2008 terecht aangemerkt als een verzoek om van een in rechte onaantastbare beschikking terug te komen.

Het betoog faalt.

2.7. [Appellant] betoogt verder dat het Gerecht heeft miskend dat de gezaghebber met de beschikking van 20 mei 2010 het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Daartoe voert hij aan dat in andere, gelijke gevallen, onder meer dat van het nabijgelegen perceel waarop de onderneming Mementos is gevestigd, niet handhavend wordt opgetreden. Volgens hem had dat perceel ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het EOP (hierna: de peildatum) een woonbestemming, zodat het gebruik van de in- en uitrit op dat perceel niet onder het in artikel 20, eerste lid, onder a, van het EOP vervatte overgangsrecht valt en daartegen handhavend kan worden opgetreden, hetgeen echter niet wordt gedaan.

2.7.1. Ook dat betoog faalt. Het was aan [appellant] om tegenover het Gerecht aannemelijk te maken dat het perceel waarop Mementos is gevestigd, zoals hij stelt, op de peildatum een woonbestemming had. [appellant] heeft de stelling dat de in- en uitrit op dat perceel op de peildatum ten behoeve van een woonbestemming werd gebruikt, echter niet nader toegelicht.

Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht hem reeds om deze reden terecht niet gevolgd in het betoog dat de gezaghebber met de beschikking van 20 mei 2010 het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.P. de Haan, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. De Haan

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,