Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BV2052

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
Ghis 50273/11 - H 255/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Hof oordeelt dat gezien de omstandigheden van het geval het GEA terecht heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet in dit geval als een te zwaar middel heeft te gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: Ghis 50273/11 - H 255/11

Uitspraak: 13 december 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

vonnis in kort geding in de zaak van:

de naamloze vennootschap BOULEVARD HOTEL N.V. h.o.d.n. Renaissance Aruba Resort & Casino (hierna: Renaissance),

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellante,

gemachtigde: mr. M.D. Tromp,

- tegen -

[werknemer],

wonend in Aruba,

oorspronkelijk eiser, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.M. Malmberg.

1. Het verloop van de procedure

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis in kort geding van 6 januari 2011. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.

Renaissance is in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis door indiening op 21 januari 2011 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep. Zij heeft ter griffie van het GEA op 11 februari 2011 een memorie van grieven ingediend waarbij zij zes grieven heeft geformuleerd en toegelicht. Zij heeft in die memorie geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer], met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten van beide instanties. De akte van hoger beroep en de memorie van grieven zijn aan [werknemer] betekend op 30 maart 2011.

[werknemer] heeft op 20 april 2011 een memorie van antwoord genomen waarin is geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis, met veroordeling van Renaissance in de kosten van het hoger beroep.

Op de nader voor pleidooi bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd en is vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid

Renaissance heeft tijdig en op de juiste wijze hoger beroep ingesteld, zodat zij daarin kan worden ontvangen.

3. De grieven

Voor de grieven verwijst het Hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 In haar eerste grief klaagt Renaissance over het volgens haar door het GEA in rechtsoverweging 4.3 gegeven oordeel.

Die grief faalt omdat zij berust op een onjuiste lezing van het vonnis. Het GEA heeft in rechtsoverweging 4.3 namelijk geen oordelen gegeven doch slechts het door [werknemer] ingenomen standpunt verwoord. Uit niets blijkt dat deze weergave van het standpunt van [werknemer] onjuist is.

4.2.1 In haar tweede grief klaagt Renaissance erover dat het GEA over het hoofd heeft gezien dat het incident van 13 oktober 2010 niet een op zichzelf staand voorval betrof maar een voortzetting was van een zich op 7 oktober 2010 voorgedaan hebbend incident, waarvoor [werknemer] al een waarschuwing had gehad.

Deze grief ziet over het hoofd dat het GEA het incident van 7 oktober 2010 wel heeft meegewogen bij zijn oordeel en wel in rechtsoverweging 4.8 en niet in de in de tweede grief bestreden rechtsoverweging 4.7. De wijze waarop het GEA dit incident heeft meegewogen acht het Hof juist.

4.2.2 In de toelichting op de tweede grief wordt verder gesteld dat het GEA de ernst van de overtreding niet heeft meegenomen en dat het GEA ten onrechte als voorwaarde voor het aannemen van een dringende reden heeft gesteld dat er sprake moet zijn van geleden schade.

Het GEA heeft in zijn vonnis onder 4.4, blijkens de overgelegde dvd-opname, een juiste omschrijving gegeven van de beelden waarin het incident van 13 oktober 2010 is te zien. De ernst daarvan is door het GEA op een juiste en correcte wijze verwoord. Het Hof schaart zich daarachter. Het incident is serieus van aard, hetgeen het GEA onder meer heeft omschreven met de woorden “Het getoonde agressieve gedrag was van zodanige aard dat het als bedreigend kon worden ervaren door omstanders”. Bij het antwoord op de vraag of dit incident voldoende dragend is voor een ontslag op staande voet kan echter, anders dan (de toelichting op) de tweede grief betoogt, niet worden volstaan met enkel de waardering van het incident, doch moeten alle omstandigheden van het geval worden afgewogen. Bij die afweging van alle omstandigheden van het geval kan, zoals het GEA eveneens juist heeft gedaan, meewegen het feit of de werkgever door het incident al dan niet schade heeft geleden. Aldus faalt de tweede grief.

4.3 Gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals die door het GEA zijn geschetst en in onderling verband en samenhang bezien, heeft het GEA terecht geoordeeld dat het ontslag op staande voet een te zwaar middel is voor alle in onderling verband beziene incidenten en/of disciplinaire maatregelen, voor zover deze in dit kort geding met voldoende zekerheid zijn komen vast te staan.

Aldus falen de derde, vierde en vijfde grief.

4.4 Uit het vorenstaande blijkt dat het GEA terecht de vordering heeft toegewezen en dus Renaissance heeft veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg gerezen aan de zijde van [werknemer], zodat ook de zesde grief faalt.

4.5 Al met al slaagt het appel niet, zodat Renaissance moet worden veroordeeld in de aan de zijde van [werknemer] in dit beroep gerezen proceskosten.

BESLISSING

Het Hof,

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Renaissance in de kosten van dit hoger beroep, gerezen aan de zijde van [werknemer] en tot op heden begroot op Afl. 172,- betekeningskosten memorie van antwoord en Afl. 5.100,- voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, J.R. Sijmonsma en H.J. van Kooten, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 13 december 2011.