Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BT6495

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
AR 101/06 - H 271/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof oordeelt dat de erkenning bij testament nietig is. Wel ontstaat er door het testament recht op deel van de nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 101/06 - H 271/09

Uitspraak: 24 juni 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Vonnis in de zaak van:

1. [ J. X.] geboren [ ],

2. [A.. X.],

3. [B. X.],

4. [C. X.],

5. [D.X.],

6. [E. Y.],

7. [F. Y.],

wonende op Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagden,

thans appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

gemachtigden: mrs. J.M.R. van Eps, M.R. Hammoud en R. Bergman,

- tegen -

[Z], ook bekend als

[ ] en als

[ ],

wonende te Rotterdam, Nederland,

oorspronkelijk eiser,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson.

Partijen worden hierna "[X. c.s.]" en "[Z.]" genoemd. Oorspronkelijk gedaagden sub 6 en 7 worden respectievelijk ook "[Y.]" en "de notaris" genoemd.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het Hof naar het tussenvonnis in deze zaak van 28 januari 2011.

1.2 [X. c.s.] hebben een akte na tussenvonnis genomen. [Z.] heeft een antwoordakte genomen.

1.3 Vonnis is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Uit hetgeen [X. c.s.] hebben gesteld kan niet worden afgeleid dat [Y.] voorafgaande schriftelijke toestemming voor de erkenning heeft gegeven. Dat er sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking of ‘family life’ tussen wijlen [erflater] (hierna ook: erflater) en [Y.] en dat [Y.] thans ervan blijk geeft met de erkenning in te stemmen kan aan het wettelijke vereiste dat, op straffe van nietigheid bij gebreke daarvan, sprake moet zijn van voorafgaande schriftelijke toestemming niet afdoen.

2.2 De erkenning van [Y.] bij testament door erflater is dus nietig en [Y.] telt daardoor niet mee als kind van erflater bij de berekening van de legitieme portie van [Z.]. Dit laat onverlet dat [Y.] ingevolge het testament aanspraak kan maken op een deel van de nalatenschap. Het discriminatieverbod staat er niet aan in de weg dat bij de bepaling van de legitieme portie onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds huwelijkse en erkende kinderen en anderzijds personen die stellen kind te zijn maar waarvan het kindschap noch door een (geldige) erkenning noch anderszins is komen vast te staan. Voor aanhouding van de beslissing totdat het vaderschap van erflater van [Y.] gerechtelijk zal zijn vastgesteld ziet het Hof, mede gelet op het bezwaar van [Z.] daartegen en nu niet is gebleken dat een dergelijke procedure al in gang is gezet, onvoldoende aanleiding.

2.3 Uit het voorgaande en uit hetgeen reeds bij tussenvonnis van 25 juni 2010 is overwogen, volgt dat, naast hetgeen door het GEA reeds voor recht is verklaard, de vorderingen van [Z.] tevens dienen te worden toegewezen voor zover hij heeft gevorderd om voor recht te verklaren dat hij op gelijke voet als de oorspronkelijk gedaagden sub 2 t/m 5 als erfgenaam gerechtigd is tot de legitieme portie, dat de oorspronkelijk gedaagden sub 1 t/m 6 worden gelast met inachtneming van de aanspraak van [Z.] op de legitieme portie over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van erflater en dat de notaris wordt gelast om [Z.] als zodanig als erfgenaam te erkennen en in de afwikkeling van de nalatenschap te betrekken. Voor het overige miskennen de vorderingen dat [Z.] op niet meer aanspraak heeft dan op de legitieme portie of missen zij (zelfstandig) belang, en zullen zij daarom worden afgewezen. Dit geldt ook voor de vordering die ertoe strekt dat [Z.] een afschrift van het testament ontvangt nu dit in deze procedure reeds is overgelegd.

2.4 Gelet op de aard van de procedure, de verhouding tussen partijen en de omstandigheid dat de notaris zich heeft gerefereerd aan het oordeel van het Hof, ziet het Hof aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

BESLISSING

Het Hof:

bevestigt de vonnissen waarvan beroep voor zover daarbij voor recht is verklaard dat [Z.] met het verkrijgen van kracht van gewijsde van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2006, waarmee gerechtelijk het vaderschap van wijlen [erflater] van [Z.] is vastgesteld, juridisch kind is van wijlen [erflater] en, als zodanig, conform de bepalingen van boek 4 BW, erfrechtelijke aanspraken kan doen gelden ten aanzien van de nalatenschap van wijlen [erflater];

vernietigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [Z.] op gelijke voet als de oorspronkelijk gedaagden sub 2 t/m 5 als erfgenaam gerechtigd is tot de legitieme portie in de nalatenschap van wijlen [erflater];

gelast de oorspronkelijk gedaagden sub 1 t/m 6 met inachtneming van deze aanspraak van [Z.] op de legitieme portie over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van wijlen [erflater];

gelast de notaris om [Z.] als zodanig als erfgenaam te erkennen en in de afwikkeling van de nalatenschap van wijlen [erflater] te betrekken;

verklaart deze beide lasten uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Sijmonsma, De Kort en Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 24 juni 2011.