Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BR5538

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
AR 294/01 - H 20/09 en AR 294/01 - 20/09B
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het lossen van puin is rotsblok op slachtoffer gevallen. Hof oordeelt dat er sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad van appellant. Het betoog van Goia dat zij niet aansprakelijk is wordt afgewezen. Hof oordeelt dat Goia en Arrindell als een zekere eenheid van onderneming kunnen worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummers: AR 294/01 - H 20/09 en AR 294/01 - 20/09B

Uitspraak: 24 juni 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Vonnis in de zaken van:

<i>hoger beroep AR 294/01 - H 20/09</i>

[appellant],

wonend in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,

gemachtigde: voorheen mr. P.A.M. Brandon, thans procederend in persoon,

- tegen -

1. [G.R. ], pro se en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van:

2.a [Geintimeerde sub 2],

2.b [sub 3],

2.c [sub 4], en

2.d [sub 5],

allen wonend in Sint Maarten,

oorspronkelijk eisers, thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. B.G. Hofman,

en:

<i>hoger beroep AR 294/01 - H 20/09B</i>

de naamloze vennootschap

GOIA INTERNATIONAL CONSTRUCTION N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellante,

gemachtigde: mr. J. Veen,

- tegen -

1. [G.R.], pro se en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van:

2.a [sub 2],

2.b [sub 3],

2.c [sub 4], en

2.d [sub 5],

allen wonend in Sint Maarten,

oorspronkelijk eisers, thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. B.G. Hofman.

Partijen worden hierna wederom "[appellant]", "[de erven R.]” en “Gioia” genoemd.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Voor het procesverloop tot dan toe verwijst het Hof naar zijn vonnis van 5 november 2010.

1.2 Zoals bij dit vonnis verzocht, hebben [de erven R.] een kopie van de door hen ingediende memories van antwoord aan de griffie van het Hof doen toekomen.

1.3 Voorts heeft de bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen plaatsgevonden. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens zijn de zaken verwezen naar de rol voor uitlating royement/vragen vonnis.

1.4 [de erven R.] hebben vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Geen grieven zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten door het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (hierna: GEA) in het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 9 maart 2004 onder r.o. 3.1. Het Hof heeft bovendien ambtshalve geen bezwaren tegen deze vaststelling. Ook in hoger beroep zal derhalve van die feiten worden uitgegaan.

2.2 Bij het bestreden vonnis van 18 november 2008 heeft het GEA, voor zover onderworpen aan het oordeel van het Hof:

- voor recht verklaard dat Gioia en [appellant] aansprakelijk zijn voor de schade welke [de erven R.] hebben geleden, lijden en nog zullen lijden tengevolge van het wijlen [slachtoffer] op 12 mei 2001 overkomen ongeval,

- Gioia en [appellant] veroordeeld tot vergoeding van de door [de erven R.] geleden schade welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet,

- Gioia en [appellant] hoofdelijk veroordeeld om als voorschot op de nader vast te stellen schade aan [de erven R.] een bedrag van NAF. 40.000,-- te betalen, en

- Gioia en [appellant] hoofdelijk veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [de erven R.].

2.3 Allereerst is de vraag aan de orde of [appellant] een fout heeft begaan bij het [slachtoffer] op 12 mei 2001 overkomen ongeval, dat wil zeggen of er sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

2.4 Evenals het GEA acht het Hof bewezen dat [appellant] niet de vereiste zorgvuldigheid jegens [slachtoffer] in acht heeft genomen bij het lossen van de lading. Uit de getuigenverklaringen van [ ], [ ], [ ] en [ ], in samenhang bezien met de verklaring van [appellant] zelf in het als productie 3a bij het verzoekschrift overgelegde rapport, leidt het Hof het volgende af over de toedracht van het ongeval. [appellant] had zijn vrachtwagen de dijk op gereden om puin te storten. Het puin bestond onder meer uit losse brokstukken steen, waartussen grote brokstukken zaten. De stortbak was zeer hoog opgeladen. [slachtoffer] gaf [appellant] hierbij aanwijzingen, terwijl hij zich naast de vrachtwagen bevond. [appellant] heeft het stortingsmechanisme in werking gesteld toen [slachtoffer] zich nog naast de vrachtwagen bevond. Vervolgens is een rotsblok naast de vrachtwagen gevallen op [slachtoffer]. [appellant] heeft aldus niet de vereiste zorgvuldigheid jegens [slachtoffer] in acht genomen. Hij wist of had moeten beseffen dat het gevaarlijk was om het stortingsmechanisme in werking te stellen voor [slachtoffer], nu hij wist of redelijkerwijze had kunnen weten dat [slachtoffer] zich naast de vrachtwagen bevond.

2.5 Voorts is het Hof van oordeel dat [appellant] (rechtens) een verwijt is te maken van het ongeval. Uit voormelde getuigenverklaringen komt naar voren dat het gevaarlijk was om de dijk op te gaan om een vrachtwagenchauffeur die bezig was om puin te storten te assisteren, mede doordat de dijk vrij smal was. [slachtoffer] moet er zich dus van bewust zijn geweest dat hij zich in een voor hem gevaarlijke situatie begaf. [appellant] had echter het stortingsmechanisme niet in werking mogen en hoeven stellen zolang [slachtoffer] zich nog naast zijn vrachtwagen bevond. De conclusie moet dan ook zijn dat er sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad van [appellant].

2.6 Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de schade tengevolge van het ongeval mede een gevolg is van het eigen, voor zichzelf gevaarlijke, gedrag van [slachtoffer], waarbij de fout van [appellant] zich verhoudt tot de fout van [slachtoffer] als 70:30. Het door [appellant] en Gioia gedane beroep op artikel 6:101 BW slaagt dan ook in zoverre dat [de erven R.] de schade tengevolge van het ongeval voor 30% zelf dienen te dragen.

2.7 Gioia heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:171 BW omdat niet kan worden aangenomen dat er eenheid van onderneming bestond tussen haar en [appellant]. Bij de beoordeling van dit standpunt stelt het Hof voorop dat artikel 6:171 BW restrictief dient te worden opgevat in de zin dat aansprakelijkheid niet kan worden aangenomen indien de benadeelde de dader en het bedrijf van diens opdrachtgever niet als een zekere eenheid kan beschouwen (zie HR 21 december 2001, NJ 2002, 75; <i>Stoeterij De Kraal</i>).

2.8 In dit verband zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Gioia had een hoeveelheid zogenoemde ‘fill’ (steen, puin) gekocht afkomstig van het ‘Maho reef’. Deze fill had zij verkocht aan Bouwbedrijf Bovenwinden N.V. Het puin moest worden getransporteerd naar en afgeleverd op het te dempen gedeelte van de Simpson Bay lagune. Gioia heeft (indirect) [appellant] ingeschakeld voor het transporteren en afleveren van het puin. Het ongeval heeft plaatsgevonden bij het verrichten van deze werkzaamheden, in het bijzonder bij het storten van het puin.

2.9 Naar het oordeel van het Hof zijn deze feiten en omstandigheden voldoende om aan te nemen dat [de erven R.] Gioia en [appellant] als een zekere eenheid van onderneming kunnen beschouwen. Gioia heeft hiertegen ingebracht dat het dempen van de Simpson Bay lagune niet geschiedde in opdracht van haar en dat [appellant] van de opzichters van het bouwwerk instructies kreeg over de plek waar het puin gestort moest worden. Daaruit volgt echter niet dat [appellant] niet deelnam aan de bedrijfsuitoefening van Gioia. Daarbij heeft het Hof ook in aanmerking genomen dat, gezien de als productie 3 bij de conclusie van dupliek in de hoofdzaak door Gioia overgelegde brief, Gioia het kennelijk tot haar bedrijfsuitoefening had genomen om de ‘fill’ te verkopen en te transporteren en af te leveren.

2.10 Gioia heeft nog gesteld dat er geen verwarring bestond over de vraag of [appellant] de werkzaamheden verrichtte in dienst van Gioia of voor zichzelf, omdat [slachtoffer] wist dat [appellant] voor zichzelf werkzaam was. Wat daar verder ook van zij, deze stelling kan Gioia niet baten. Artikel 6:171 BW is namelijk ook van toepassing als de schade duidelijk is veroorzaakt door een fout van een niet-ondergeschikte (HR 18 juni 2010, LJN: BL9596; <i>Sijm Agro</i>).

2.11 Over Gioia’s betwisting van het causaal verband tussen het ongeval en het overlijden oordeelt het Hof als volgt. Mede gelet op de ernst van de verwondingen van [slachtoffer] na het ongeval en de korte periode tussen het ongeval op 12 mei 2001 en zijn overlijden op 25 mei 2001 na een verblijf in het ziekenhuis van tien dagen, moet worden aangenomen dat het overlijden een gevolg van het ongeval is geweest. Het voor het vestigen van de aansprakelijkheid voldoende conditio sine qua non-verband tussen daad en schade is derhalve aanwezig. De enkele verklaring van artsen, waarop Gioia zich beroept, dat de toestand van [slachtoffer] niet levensbedreigend was op het moment dat hij werd ontslagen uit het ziekenhuis, vormt daarvan onvoldoende betwisting. Nog daargelaten dat, zoals [de erven R.] hebben aangevoerd, de betrouwbaarheid van deze verklaring op goede gronden kan worden betwijfeld, is er geen concrete aanleiding om te veronderstellen dat het overlijden niet een gevolg van het ongeval is geweest.

2.12 Tot slot acht het Hof voldoende aannemelijk dat [de erven R.] schade hebben geleden voor toewijzing van het voorschot van NAF. 40.000,-- . [appellant] heeft hierover gegriefd, doch [de erven R.] hebben terecht gewezen op de schade door het derven van levensonderhoud van de (ook thans nog) vier minderjarige kinderen van [slachtoffer], welke ingevolge artikel 6:108 lid 1 aanhef en onder a BW voor vergoeding in aanmerking komt.

2.13 Behoudens hetgeen is overwogen in r.o. 2.6, falen de grieven derhalve. Het Hof verder ook ambtshalve geen bezwaren tegen de vonnissen waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het Hof.

2.14 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen dienen [appellant] en Gioia te worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [de erven R.] gevallen, waarbij wegens de samenhang tussen de zaken niet afzonderlijk kosten worden geliquideerd voor salaris gemachtigde.

2.15 Omwille van de duidelijkheid zullen de vonnissen waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het Hof, worden vernietigd en de beslissingen in deze zaken volledig worden weergegeven in het dictum van dit vonnis.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het Hof, en doet opnieuw recht als volgt:

verklaart voor recht dat Gioia en [appellant] aansprakelijk zijn voor 70% van de schade welke [de erven R.] hebben geleden, lijden en nog zullen lijden tengevolge van het [slachtoffer] op 12 mei 2001 overkomen ongeval;

veroordeelt Gioia en [appellant] tot vergoeding van de door [de erven R.] geleden schade welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet;

veroordeelt Gioia en [appellant], hoofdelijk aldus dat indien de één betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn gekweten, om als voorschot op de nader vast te stellen schade aan [de erven R.] een bedrag van NAF. 40.000,-- te betalen;

veroordeelt Gioia en [appellant], hoofdelijk aldus dat indien de één betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn gekweten, in de kosten van het geding aan de zijde van [de erven R.] gevallen en tot op heden begroot op:

- in eerste aanleg: NAF. 1.084,50 aan verschotten en NAF. 5.400,-- aan salaris gemachtigde;

- in hoger beroep: NAF. 425,-- aan verschotten en NAF. 5.100,-- aan salaris gemachtigde;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, P.E. de Kort en J.P. de Haan, leden van het Hof, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 24 juni 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.