Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ8994

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
AR 9/11 – HAR 35/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging vonnis. Hof oordeelt dat tenuitvoerlegging moet worden geschorst. De weigering ter rolle om geen conclusie van antwoord toe te staan dient als vonnis te worden aangemerkt dat in beginsel appellabel is. Het verzoek tot vergunning voor het instellen van tussentijds appel heeft ingevolge art. 263 lid 4 Rv schorsende werking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 9/11 – HAR 35/11

Uitspraak: 7 juni 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curacao en Sint Maarten en van

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

vonnis in het incident in de zaak van:

de naamloze vennootschap COURTWELL MANAGEMENT N.V., h.o.d.n. AQUA MANIA WATERSPORT & ACTIVITY CENTER,

gevestigd in Sint Maarten,

eiseres in het incident,

gemachtigden: mrs. W.A. van Sambeek en M. Le Poole,

- tegen -

de naamloze vennootschap A.K.G.I. SINT MAARTEN N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

verweerster in het incident,

gemachtigde: mr. L.G.J. Berman.

Partijen worden hierna Courtwell en AKGI genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 3 mei 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA) tussen partijen vonnis gewezen (AR 9/11), welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2 Courtwell is in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis door op 26 mei 2011 een <i>Akte van appel tevens houdende incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging ex art. 272 Rv</i>, met ‘bijlagen’, een ‘produktie 2’ en ‘producties’ bij bijlage I, in te dienen.

1.3 Daarbij heeft Courtwell tevens een incidentele vordering als bedoeld in artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gedaan, ertoe strekkende dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 mei 2011 wordt geschorst, kosten rechtens.

1.4 Tijdens de rolzitting van het Hof in Sint Maarten van 20 mei 2011 is afgesproken dat AKGI uiterlijk op 27 mei 2011 een verweerschrift zou inzenden.

1.5 Op 27 mei 2011 heeft AKGI een verweerschrift, met producties, ingediend en geconcludeerd dat het Hof Courtwell niet-ontvankelijk zal verklaren in haar incidentele vordering, althans deze vordering zal afwijzen en Courtwell zal veroordelen in de kosten van het incident.

1.6 Vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling in het incident

2.1 Bij de beoordeling van een incidentele vordering als de onderhavige moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven. Een uitzondering op deze regel is als het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust.

2.2 Op 22 maart 2011 heeft het GEA in de spoedeisende bodemzaak AR 9/11, op de rolzitting, geweigerd aan Courtwell uitstel te verlenen voor het dienen van een conclusie van antwoord en vonnis bepaald op 3 mei 2011 (‘produktie’ 2 bij <i>Akte van appel tevens houdende incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging ex art. 272 Rv</i>).

2.3 Naar aanleiding van deze weigering heeft Courtwell bij <i>Akte van appel, tevens memorie van grieven althans verzoekschrift verlof tussentijds hoger beroep</i> van 23 maart 2011, met producties, subsidiair aan het Hof verzocht haar vergunning te verlenen tot tussentijds appel als bedoeld in artikel 263a Rv (bijlage 1 bij voornoemde <i>Akte van appel tevens houdende incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging ex art. 272 Rv</i>). Dit stuk heeft Courtwell op dezelfde dag ter kennis gebracht aan het GEA (bijlage 2; zie ook bijlage 4).

2.4 Bij e-mail van 4 april 2011 heeft het GEA aan partijen geschreven dat het ging om een niet-appellabele rolbeslissing en dat het verzoek tussentijds appel geen schorsende werking heeft (bijlage 5).

2.5 Op 3 mei 2011 heeft het GEA eindvonnis gewezen (bijlage 6) en daarin onder meer overwogen (rov. 3.2):

‘Het Gerecht is van oordeel dat [<i>het</i>] de zaak inhoudelijk mag beoordelen hoewel hoger beroep tegen een rolbeschikking is ingesteld. Immers, het hoger beroep tegen de rolbeschikking van het Gerecht is niet toegestaan. het hoger beroep mist naar het oordeel van het Gerecht mitsdien schorsende werking. Het Gerecht mag en zal derhalve inhoudelijk beslissen.’

2.6 Courtwell voert terecht aan dat hier sprake is van een kennelijke misslag. Naar vaste rechtspraak dient de weigering ter rolle om geen conclusie van antwoord toe te staan, gelet op het ingrijpende gevolg daarvan, als vonnis te worden aangemerkt dat in beginsel appellabel is. Het verzoek tot vergunning voor het instellen van tussentijds appel van Courtwell heeft ingevolge artikel 263a lid 4 Rv schorsende werking.

2.7 In het midden kan blijven of ook een verzoek tot vergunning voor het instellen van tussentijds appel ten aanzien van een niet-appellabele rolbeschikking schorsende werking heeft, aangezien dat geval zich hier niet voordoet.

2.8 De uitkomst is dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 mei 2011 moet worden geschorst. AGKI dient de kosten van dit incident te dragen.

BESLISSING

Het Hof:

- schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 mei 2011, nr. 133 (AR 9/11);

- veroordeelt AKGI in de kosten van dit incident aan de zijde van Courtwell gevallen en tot op heden begroot op NAF. 3.400,=.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, P.E. de Kort en F.J.P. Lock, leden van het Hof en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 7 juni 2011.