Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ8961

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
HAR 36/2010
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoek om in aanmerking te komen voor elektronisch toezicht is afgewezen. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt en de gestelde persoonlijke omstandigheden leggen in dit geval onvoldoende gewicht in de schaal. Verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 1 april 2010

Zaaknummer: HAR 36/2010

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

B E S C H I K K I N G

gegeven op het verzoek ex artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:

[verzoeker],

geboren op [datum] 1976 op Sint Maarten,

thans gedetineerd op Sint Maarten,

hierna te noemen: verzoeker.

1. Procesgang en onderzoek van de zaak

1.1 Op 16 maart 2010 is ter griffie van het Hof een verzoekschrift ingekomen, dat het verzoek inhoudt om het Land de Nederlandse Antillen althans de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen te bevelen om verzoeker te vergunnen de gevangenis waarin hij zijn gevangenisstraf ondergaat, voorafgaande aan diens voorwaardelijke invrijheidsstelling, met verlof te verlaten onder elektronisch toezicht (hierna: verlof met E.T.).

1.2 Dit verzoek, dat door het Hof is opgevat als een verzoek ex artikel 43 Sv, is behandeld door het hiertoe aangewezen lid van het Hof mr. A.N.G.N.E. Mijnssen in raadkamer van 25 maart 2010 op Sint Maarten. Verschenen en gehoord zijn verzoeker en diens raadsvrouw mr. S.R. Bommel en de (waarnemend) procureur-generaal mr. J.B. Develing. De raadsvrouw en de procureur-generaal hebben pleitaantekeningen overgelegd.

1.3 Beschikking is bepaald op heden.

2. Feiten

2.1 Bij vonnis van dit Hof van 19 juni 2009 heeft het Hof verlof verleend van de tenuitvoerlegging van een tegen verzoeker op 20 september 2007 door La Cour d’Assises du departement de la Guadeloupe, Frankrijk, uitgesproken strafvonnis. Tevens heeft het Hof aan verzoeker een in de Nederlandse Antillen ten uitvoer te leggen gevangenisstraf opgelegd voor de duur van tien jaren en bevolen dat de tijd die verzoeker in detentie heeft doorgebracht bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.

2.2 Bij (ongedateerde) brief heeft R.N. Maduro (Bureau Gedetineerdenzorg Strafgevangenis en Huis van Bewaring Pointe Blanche) aan de raadsvrouw bericht dat de expiratiedatum van de gevangenisstraf van verzoeker 6 januari 2015 is, zodat zijn officiële V.I. datum 6 september 2011 is en een eventueel verlof met E.T. op zijn vroegst kan aanvangen op 15 maart 2010.

2.3 Verzoeker heeft verzocht om in aanmerking te komen voor verlof met E.T..

2.4 Bij Ministeriële Beschikking van 15 maart 2010 heeft de Minister van Justitie besloten aan verzoeker niet te vergunnen de gevangenis waarin hij op grond van voormeld vonnis van het Hof gevangenisstraf ondergaat, voorafgaande aan diens voorwaardelijke invrijheidsstelling, welke is bepaald op 6 september 2011 tot aan die datum te verlaten.

3. Beoordeling

3.1 Zoals het Hof eerder heeft overwogen (Hof 18 januari 2010, HAR 170/2009, LJN: BL0351) kan volgens inmiddels vaste jurisprudentie van het Hof in gevallen als de onderhavige een voorziening worden gevraagd ex artikel 43 Sv. Anders dan de procureur-generaal heeft betoogd, kan verzoeker dus in zijn verzoek worden ontvangen.

3.2 Ingevolge artikel 3 van de Beschikking elektronisch toezicht, voor zover hier van belang, kan aan een gedetineerde die is veroordeeld tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, niet zijnde vervangende hechtenis, op diens verzoek door de Minister van Justitie verlof onder de voorwaarde van elektronisch toezicht worden vergund. Blijkens de bewoordingen van deze bepaling komt aan de Minister van Justitie een ruime mate van beleidsvrijheid toe bij de beslissing op een verzoek om verlof met E.T.. Het Hof dient een beslissing op een verzoek om verlof met E.T. dan ook terughoudend te toetsen, waarbij uitgegaan dient te worden van de feiten en omstandigheden die de Minister van Justitie bekend waren of behoorden te zijn ten tijde van het geven van de beslissing.

3.3 De Minister van Justitie heeft de volgende overwegingen ten grondslag gelegd aan de Ministeriële Beschikking van 15 maart 2010. Op grond van de verstrekte gegevens moet verzoeker geacht worden nog niet dan wel onvoldoende voorbereid te zijn op terugkeer in de maatschappij. Uit de bijgevoegde rapporten blijkt dat verzoeker ter zake van zijn gedrag binnen de Strafgevangenis en Huis van Bewaring waar hij zich thans bevindt verschillende keren disciplinair is gestraft. Zo werden op 8 juli 2009 bij verzoeker door de gevangenisdirecteur verboden voorwerpen (mobiele telefoon en een seksvideo) en een hoeveelheid hennep aangetroffen. Verder heeft verzoeker op 17 november 2009 geweigerd bevelen van het personeel te gehoorzamen.

3.4 Naar het oordeel van het Hof heeft de Minister van Justitie bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid afwijzend kunnen beslissen op het verzoek om verlof met E.T. van verzoeker, gelet op de ernst van het feit waarvoor hij is veroordeeld (medeplegen van poging tot diefstal met geweld, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft) in samenhang bezien met het negatieve advies van het Centraal College voor de Reclassering bij brief d.d. 11 maart 2010 ten aanzien van het verzoek. Ook heeft het Hof in aanmerking genomen dat uit het dossier en de in raadkamer verkregen inlichtingen niet of nauwelijks feiten en/of omstandigheden blijken die ten voordele van verzoeker strekken.

3.5 Mede gelet op het voorgaande is hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het advies van de gevangenisdirecteur is geen positief advies inzake verlof met E.T., maar een advies in verband met voorwaardelijke invrijheidsstelling. Voorts is niet betwist dat verzoeker – in de relatief korte periode sinds 27 april 2009 dat hij zich in de gevangenis op Sint Maarten bevindt – reeds verschillende keren disciplinair is gestraft. De stellingen van verzoeker dienaangaande geven het Hof onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bovenweergegeven overwegingen van de Minister van Justitie. Daarbij zij opgemerkt dat het in het kader van dit geding niet aan het Hof is om – klaarblijkelijke misslagen daargelaten – te oordelen over de gegrondheid van de aan verzoeker tijdens zijn detentie opgelegde disciplinaire straffen. Ook heeft het Hof onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het bij de door verzoeker genoemde [x en y] gaat om gelijke gevallen. De feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de weigeringsgronden zoals genoemd in de artikelen 6 en 7 van de Beschikking elektronisch toezicht dienen immers, waar het betreft de beslissing om verlof met E.T. te vergunnen, individueel en per geval te worden beoordeeld. Verwezen wordt in dit verband naar hetgeen hiervoor onder rov. 3.4, laatste zin, is overwogen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve. Tot slot leggen de gestelde persoonlijke omstandigheden in dit geval onvoldoende gewicht in de schaal.

3.6 Het vorenstaande brengt mee dat de Ministeriële Beschikking van 15 maart 2010 in rechte stand houdt. Het verzoek ex artikel 43 Sv dient derhalve te worden afgewezen.

BESLISSING

Het Hof:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N.G.N.E. Mijnssen, J.R. Sijmonsma en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en in tegenwoordigheid van de griffier op Sint Maarten uitgesproken op 1 april 2010.

Bij ontstentenis van de oudste rechter en de jongste rechter is deze beschikking alleen ondertekend door de voorzitter.