Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ8936

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
AR 3/11 – HAR 33/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen schorsing van tenuitvoerlegging vonnis. De belangenafweging voor wat betreft de bevolen afbraak van alles wat hoger is gebouwd dan 6,3 meter valt in voordeel van eisers uit. De gebruiksbeperkende bepalingen noemen geen maximale hoogte. Deze hoogte is ontleend aan normen van het Nederlandse ministerie van VROM en niet aan in Sint Maarten ter plaatse gangbare normen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 3/11 – HAR 33/11

Uitspraak: 31 mei 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curacao en Sint Maarten en van

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

vonnis in het incident in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende in Sint Maarten,

eisers in het incident,

gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,

- tegen -

de rechtspersoon naar buitenlands recht LOUISIANA HOLDINGS INC.,

verweerder in het incident,

gemachtigde: mr. L.G.J. Berman.

Partijen worden hierna [eisers] (in enkelvoud) en Louisiana Holding genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 3 mei 2011 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA) tussen partijen vonnis gewezen (AR 3/11), welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2 [eisers] is in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis door op 11 mei 2011 een akte van appel in te dienen.

1.3 Eveneens op 11 mei 2011 heeft [eisers] een incidentele vordering als bedoeld in artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met productie, ingediend ertoe strekkende dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 mei 2011 wordt geschorst, kosten rechtens.

1.4 De vordering is behandeld ter zitting van 20 mei 2011, gehouden in het Courthouse van Sint Maarten. Verschenen zijn de gemachtigden van partijen. Bij die gelegenheid hebben de gemachtigden de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van onderscheidenlijk een overgelegde pleitnota en een verweerschrift, met producties. Daarbij heeft [eisers] gepersisteerd bij zijn vordering en heeft Louisiana Holding geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.

1.5 Vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling in het incident

2.1 Bij de beoordeling van een incidentele vordering als de onderhavige moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven.

2.2 Het gaat hier om (I) een bevel tot staking van bouwwerkzaamheden en gestaakt te houden en (II) een bevel tot afbraak van de derde etage (a), althans van alles wat hoger is gebouwd dan 6,3 meter van het gebouw, gemeten vanaf de weg aan de voorzijde (b), evenals hetgeen dichter bij de erfgrens is gebouwd dan 15 voet (=4.575 meter) (c), alles op straffe van een dwangsom.

2.3 Wat betreft het bevel tot staking en gestaakt te houden (I), heeft [eisers] in het verzoekschrift gesteld dat de bouwwerkzaamheden zijn gestaakt. Een bijzonder belang tot voortbouwen is niet aangevoerd. Een belangenafweging valt hier duidelijk in het nadeel van [eisers] uit.

2.4 Ter zitting is gebleken dat de ‘derde etage’ (II, a) slechts bestaat uit een liftschacht, met kennelijk een uitgang naar het dak(terras). Deze liftschacht belemmert bewoners van het naburige pand van Louisiana Holding in hun uitzicht. Afbraak van de schacht lijkt geen disproportioneel hoge kosten met zich te brengen. Dat Louisiana Holding bij eventuele aansprakelijkheid geen verhaal zal bieden is, nu Louisiana Holding kennelijk eigenares is van een aangrenzende woning, onvoldoende gemotiveerd. Een belangenafweging valt niet uit in het voordeel van [eisers] uit.

2.5 De bevolen afbraak van alles wat hoger is gebouwd dan 6,3 meter (II, b) kan ook de tweede etage treffen. Gebleken is dat de gebruiksbeperkende bepalingen waarom het hier gaat geen maximale hoogte noemen. Bepaald is slechts dat ‘No building more than two (2) stories high may be constructed on the property’. Inderdaad leidt een redelijke (objectieve) uitleg van deze bepaling tot een zekere beperking van de maximale hoogte, maar over een concrete invulling, afhankelijk van alle plaatselijke omstandigheden, heeft geen partijdebat plaatsgevonden (doordat niet tijdig van een conclusie van antwoord is gediend en geen pleidooi in eerste aanleg heeft plaatsgevonden). De rechter heeft de situatie ter plaatse ook niet opgenomen. De 6,3 meter heeft Louisiana Holding in haar (door het GEA overgenomen) petitum ontleend aan normen van het Nederlandse ministerie van VROM, dus niet aan in Sint Maarten ter plaatse gangbare normen. Het spreekt van zelf dat gedeeltelijke afbraak van het huis tot de hoogte van 6,3 meter, aangenomen dat deze de tweede etage treft, voor [eisers] – die een latere koper is en dus kennelijk het huis niet zelf gebouwd heeft – zeer ingrijpend is. De gemachtigde van Louisiana heeft ter zitting gesteld dat er nog niet gemeten is en dat dus gegevens omtrent de mate van overschrijding nog niet beschikbaar zijn. Alles afwegende is het Hof van oordeel dat, wat betreft de afbraak tot de maximale hoogte van 6,3 meter, met toepassing van het in rov. 2.1 gegeven criterium, voor schorsing voldoende grond is.

2.6 [eisers] heeft geen bijzondere belangen aangevoerd ten aanzien van de bebouwing dichter bij de erfgrens dan 15 voet (II, c), zodat ten aanzien van dit deel van de veroordeling geen schorsing zal plaatsvinden.

2.7 De uitkomst is dat alleen ten aanzien van het algemene bevel tot afbraak van wat hoger is gebouwd dan 6,3 meter de tenuitvoerlegging moet worden geschorst. Voor het overige moet de vordering worden afgewezen. Gelet op deze uitkomst worden de kosten van het incident gecompenseerd.

BESLISSING

Het Hof:

- schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 mei 2011 (AR 3/11), maar alleen voor zover [eisers] is veroordeeld, op straffe van een dwangsom, ‘om binnen 6 maanden na betekening (…) althans alles wat hoger is gebouwd dan 6.3 meter van dat gebouw, gemeten vanaf de weg aan de voorzijde af te breken en afgebroken te houden’;

- wijst voor het overige de vordering af;

- compenseert de proceskosten van dit incident aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, P.E. de Kort en F.J.P. Lock, leden van het Hof en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 31 mei 2011.