Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ6344

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
EJ-G-51/09-H-82/11
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil betreft het gezag over kind en een omgangsregeling. Het Hof stelt vast dat de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland is. Het Hof verklaart zich derhalve onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: EJ-G-51/09-H-82/11

Uitspraak: 26 april 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Beschikking in de zaak van:

[vader],

wonend in Curaçao,

in eerste aanleg verzoeker, thans appellant,

hierna te noemen: de vader,

gemachtigde: mr. O.A. Martina,

- tegen -

[moeder],

wonend in Nederland,

in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

in hoger beroep niet verschenen.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij beschikking van 1 juli 2010 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (hierna: GEA) uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de vader recht heeft op omgang met het minderjarige kind [kind] (hierna te noemen: het kind) in die zin dat hij het kind iedere dag kan bellen tussen 15:00 uur en 19:00 uur Nederlandse tijd en het overig verzochte afgewezen.

1.2 De vader is in hoger beroep gekomen van deze beschikking door op 12 augustus 2010 een beroepschrift in te dienen. Het hoger beroep strekt ertoe dat het Hof de bestreden beschikking vernietigt en, opnieuw rechtdoende, bepaalt dat de vader alleen het gezag over het kind heeft, althans de vader en de moeder gezamenlijk het gezag over het kind hebben, en een omgangsregeling ten gunste van de vader vaststelt.

1.3 Het hoger beroep is ter zitting behandeld door het Hof op 29 maart 2011, waar de vader in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

1.4 Beschikking is bepaald op heden.

2. Bevoegdheid

2.1 Allereerst dient beoordeeld te worden of het Hof bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep, nu het gaat om het gezag over en de omgang met een minderjarig kind. Daarbij zal het Hof de bevoegdheidsregel in de artikelen 1 en 5 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag analogisch toepassen (vgl. HR 1 oktober 1999, NJ 2001, 212 en Gemeenschappelijk Hof van Justitie 29 september 2009, LJN: BJ9614). Deze bevoegdheidsregel knoopt aan bij de gewone verblijfplaats van het kind ten tijde van de beslissing.

2.2 Het GEA heeft in de bestreden beschikking onder rov. 2.6 overwogen dat de moeder op 1 april 2009 met het kind in Nederland is aangekomen en dat het kind sindsdien bij de moeder woont. De vader heeft niet gegriefd tegen deze overweging, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

2.3 Voorts woont het kind, naar het Hof uit de verklaringen van de vader ter zitting op 29 maart 2011 begrijpt, nog immer in Nederland bij de moeder. Nu het kind reeds ongeveer twee jaren in Nederland woont, kan niet worden geoordeeld dat hij zich thans wat zijn verblijf betreft nog in een overgangssituatie bevindt. Feiten en/of omstandigheden die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel zijn gesteld noch gebleken (vgl. Gemeenschappelijk Hof van Justitie 10 augustus 2010, LJN: BN5656).

2.4 Bij die stand van zaken moet worden aangenomen dat het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in Nederland.

2.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Hof zich onbevoegd dient te verklaren van het hoger beroep kennis te nemen. Gelet op de aard van het geschil en de verhouding tussen partijen zullen de kosten van de procedure in hoger beroep worden gecompenseerd.

BESLISSING

Het Hof:

verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.E. de Kort, J.P. de Haan en H.J. van Kooten, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 26 april 2011.